label Fysiek veilige leefomgeving
label Maatschappelijke veerkracht

Noodhulpvoertuigen overgedragen aan Nederlandse Rode Kruis

4 december 2025

Met de overhandiging van een symbolische sleutel draagt het NIPV 26 noodhulpvoertuigen officieel over aan het Nederlandse Rode Kruis. Met de voertuigen verlenen Noodhulpteams eerste hulp aan lichtgewonden bij grote incidenten.

Albert-Jan van Maren, centrummanager NIPV overhandigt een symbolische rode sleutel aan Suzanne Segaar, hoofd Nationale hulpverlening Nederlandse Rode Kruis. Bron: NIPV
Albert-Jan van Maren, centrummanager NIPV overhandigt een symbolische rode sleutel aan Suzanne Segaar, hoofd Nationale hulpverlening Nederlandse Rode Kruis. Bron: NIPV.

Eerste hulp verlenen aan lichtgewonden bij grote incidenten

Het Rode Kruis heeft 25 compacte, lokaal georganiseerde Noodhulpteams die eerste hulp verlenen aan lichtgewonden, ter ondersteuning van de ambulancezorg. De Noodhulpteams bestaan uit volledig opgeleide en ervaren, vrijwillige hulpverleners, met een achtergrond in de evenementenhulpverlening van het Rode Kruis. De teams verplaatsen zich met noodhulpvoertuigen, bestuurd door ervaren chauffeurs die mogen rijden met optische en geluidssignalen.

De meeste voertuigen zijn al in gebruik door de noodhulpteams in het hele land. Na de officiële overdracht neemt het Rode Kruis het laatste voertuig, het reservevoertuig, mee en is de overdracht van de 26 voertuigen een feit.

Noodhulpteams onderdeel van Grootschalige Geneeskundige Bijstand (GGB)

Sinds 2016 is in Nederland Grootschalige Geneeskundige Bijstand (GGB) bij grote rampen of incidenten. Het Rode Kruis en het NIPV werken hierin samen. GGB is ontworpen voor snellere responstijden, slimmere capaciteitstoename en kosten-efficiënter werken met behoud van uniformiteit. Het haalt bestaande capaciteit omhoog, zoals traumateams en reguliere ambulancezorg. GGB voegt vrijwilligerscapaciteit toe via de Noodhulpteams van het Rode kruis.

Intensieve samenwerking NIPV en Rode Kruis

Suzanne Segaar, hoofd Nationale hulpverlening Nederlandse Rode Kruis: “Het is ontzettend fijn dat het NIPV de afgelopen tien jaar het beheer van deze voertuigen heeft gedaan en dat we altijd op hun kennis en ervaring konden rekenen. Dankzij de financiële steun van het ministerie van Justitie en Veiligheid kunnen we deze voertuigen nu in eigen beheer overnemen én in de nabije toekomst vervangen.”

Albert-Jan van Maren, centrummanager NIPV, vertelt dat de overdracht van de noodhulpvoertuigen een mooi symbool is voor de relatie tussen het Rode Kruis en het NIPV. “Als organisaties hebben we namelijk een gemeenschappelijke drive: het versterken van de publieke veiligheid en weerbaarheid. Daarom tekenden we begin 2025 een intentieovereenkomst voor intensievere samenwerking.”

“Met resultaat, want samen hebben we de afgelopen tijd mooie stappen gezet in het weerbaarder maken van Nederland: operationeel in de Grootschalige Geneeskundige Bijstand, qua informatiedeling het werken via de Landelijke Voorziening Crisisbeheersing (LVCb) verder ontwikkelen, en het NIPV deed in opdracht van het Rode Kruis onderzoek naar de inzet van humanitaire servicepunten.”

“In 2026 gaan we de samenwerking verder verdiepen. Bijvoorbeeld met uitwisselingen tussen collega’s van beide organisaties. Met als doel: elkaar beter leren kennen, zodat we nog meer richting, energie en samenhang in onze gezamenlijke dienstverlening aan kunnen brengen.”

label Fysiek veilige leefomgeving

Handboek Incidentbestrijding op het water geactualiseerd

4 december 2025

Het Handboek incidentbestrijding op het water uit 2021 is geactualiseerd. Dit is gebeurd op initiatief van de leden van het ketenpartneroverleg Incidentbestrijding op het water. De uitgave is vervolgens in nauwe samenwerking met hen geactualiseerd.

Brand op schip op het water wordt geblust
Foto: Shutterstock.

Belangrijkste aanpassingen

De belangrijkste aanpassingen bestaan uit enkele naamswijzigingen, geactualiseerde links, verwijzingen naar relevante wetgeving en plannen en enkele updates van monodisciplinaire procedures. Daarnaast is hier en daar de tekst verduidelijkt.

Bestaande doctrine en multidisciplinaire samenwerking ongewijzigd

Het gaat nadrukkelijk niet om een herziening van het handboek: de bestaande doctrine en de multidisciplinaire samenwerking blijven ongewijzigd. De actualisatie betreft uitsluitend het up-to-date brengen van de bestaande inhoud.

In 2026 wordt een verkenning gedaan naar de mogelijke noodzaak voor een bredere herziening of aanvulling van het handboek. Daarbij wordt gekeken naar de nieuwste inzichten in de incidentbestrijding en ontwikkelingen in het risicolandschap.

Voor wie?

Het geactualiseerde handboek is bedoeld voor alle partners binnen de waterkolom en overige betrokken organisaties.

Lees het handboek

Update uit het netwerk & programma Klimaatveiligheid 

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, december 2025

Het jaar loopt ten einde – en wat voor een jaar was het! We hebben samen enorm veel bereikt: nieuwe kennis opgedaan, waardevolle connecties gelegd, inspirerende samenwerkingen opgezet en prachtige producten ontwikkeld. Denk aan de Handreiking Veilige Klimaatadaptatie deel II en de praatplaten ‘Droogte’ en ‘Hitte in beeld’. Deze resultaten laten zien wat we samen kunnen bereiken.

Dit alles hebben we gerealiseerd via onze projectwerkplaatsen – een werkwijze die we dit jaar hebben verkend. Het idee: collega’s uit verschillende regio’s bundelen hun krachten in kleine projectteams. Het effect? Producten die direct toepasbaar zijn voor alle veiligheidsregio’s én een grotere slagkracht. Waar één regio misschien niet de tijd of middelen heeft om een project te draaien, lukt het samen wél – vaak zelfs op korte termijn. Hoe mooi is dat? 

Natuurlijk kwamen er ook uitdagingen naar voren. Het landelijke netwerkwerk kan voor collega’s voelen als vrijwilligerswerk naast hun reguliere taken. Ondanks afspraken over tijdsbesteding moeten velen zich verantwoorden in hun eigen regio, en hun landelijke inbreng wordt niet altijd erkend in beoordelingen. Toch zetten zij zich in omdat zij geloven in de kracht van landelijke samenwerking. Dat verdient meer waardering. We kunnen ons voorstellen dat dit niet alleen bij ons netwerk speelt. Hoe kunnen we dit samen veranderen? Een vraag die we meenemen naar volgend jaar. Als jullie hier ideeën over hebben, laat het graag weten aan Charlotte en mij.  

En dat brengt ons bij 2026: we gaan moedig voorwaarts! Tijdens de laatste netwerkbijeenkomst kwamen veel ideeën op tafel voor nieuwe projectwerkplaatsen. Super inspirerend! We hopen dat er weer enthousiaste mensen zijn die willen meewerken aan thema’s zoals: 

  • Projectwerkplaats herstel: in kaart brengen wat er speelt rondom klimaatrobuust herstel en welke handvatten er zijn te ontwikkelen om hier meer aandacht voor te krijgen. 
  • Projectwerkplaats planregels: meerdere veiligheidsregio’s zijn hiermee bezig, welke rode draden kunnen we hieruit halen en is het mogelijk om gezamenlijk tot planregels te komen? 
  • Projectwerkplaats evacuatie: kunnen we op basis van regionale planvorming komen tot een methodiek die landelijk breed inzetbaar is? 
  • Projectwerkplaats slide deck klimaatveiligheid: bundelen van input toepasbaar voor diverse presentaties breed bruikbaar in het netwerk.  

Nog een persoonlijke noot van Charlotte, vanaf 1 december ga ik starten als projectleider van de landelijke pilot noodsteunpunten. Ik zal als programmamanager verbonden blijven aan het programma Klimaatveiligheid en daarmee het aanspreekpunt blijven. We gaan wel op zoek naar een projectleider die diverse projecten gaat trekken, mocht je iemand weten, geef het vooral door!  

Tot slot wensen we jullie een heel fijne tijd de laatste maand van het jaar. We wensen jullie fijne dagen, hopelijk wat welverdiende rust, en een mooie jaarwisseling. Dank voor jullie inzet en betrokkenheid dit jaar. We kijken ernaar uit om in 2026 samen verder te bouwen aan klimaatveiligheid! 

Hartelijke groeten,  

Lana en Charlotte

Impact Analyse Team Hoogwater Limburg 

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, december 2025

“Een van de grootste uitdagingen is dat het lastig is om de neuzen precies dezelfde kant op te krijgen,” vertelt Kimm Rovers, Teamleider Waterdistrict Maas & Calamiteitencoördinator bij Rijkswaterstaat Zuid-Nederland en projectleider van het Impact Analyseteam Hoog water Limburg. “Dat merk je vooral in oefeningen: iedereen kijkt vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid, dat vraagt veel overleg om tot een gezamenlijke aanpak te komen.” 

In juli 2021 is het hoogwater in Limburg, veroorzaakt door extreme regenval. Rivieren en beken, waaronder de Geul en de Maas, treden buiten hun oevers en veroorzaken aanzienlijke schade in Zuid-Limburg. De gevolgen zijn groot, met overstromingen in dorpen zoals Valkenburg, evacuatie van woningen en schade aan veel huizen en bedrijven.  

Compleet beeld van risico’s, maatregelen en prioriteiten

Het Impact Analyse Team (IAT) zorgt tijdens hoogwater voor een actueel situationeel waterbeeld dat inzicht biedt in de ontstane en de te verwachten hoogwatersituatie. Zodat de veiligheidsregio’s in Limburg tijdig en onderbouwde besluiten kunnen nemen over crisisbeheersingsmaatregelen. Denk daarbij aan het evacueren van dorpen en het ontruimen van verzorgingshuizen.   

“In dit project trekken Veiligheidsregio Limburg-Noord, Veiligheidsregio Zuid-Limburg, Waterschap Limburg en Rijkswaterstaat samen op. Iedere partij brengt zijn eigen expertise en verantwoordelijkheid mee. Alleen zo krijgen we een compleet beeld van zowel de waterstanden als de impact op lokaal niveau”, aldus Rovers.  

“Het voordeel van samen optrekken is dat je van elkaar leert, gezamenlijke inzichten krijgt en beslissingen breed gedragen worden. Zo voorkomen we dat partijen langs elkaar heen werken en kunnen we sneller en effectiever reageren bij echte noodsituaties. Het is niet alleen nuttig, het is eigenlijk essentieel.” 

Rovers benadrukt dat samenwerking ook helpt bij het creëren van gemeenschappelijk begrip. “Iedere organisatie heeft een eigen manier van werken, eigen procedures en prioriteiten. Als we die niet afstemmen, kan dat verwarring opleveren in een crisissituatie. Samen leren we waar overlap zit en waar we scherp moeten zijn.” 

Oefenen, leren en verbeteren 

Een belangrijk instrument om met elkaar stappen te maken bleken acht systeemoefeningen te zijn, gevolgd door een evaluatie. Uit deze oefeningen kwamen concrete verbeterpunten:  

  • Vraagstelling van ROT aan IAT inclusief centrale vraag moet duidelijker, zodat het team precies weet wat prioriteit heeft.
  • Er moet een nadere beschrijving van taken en verantwoordelijkheden van Waterschap Limburg en Rijkswaterstaat komen, om overlap of hiaten te voorkomen.
  • Meer duidelijkheid voor liaisons over hun rol is gewenst, zodat communicatie soepeler verloopt.
  • Vergaderstructuur BOB specificeren naar IAT, waardoor vergaderingen efficiënter en overzichtelijker worden. 
  • Procesafspraken, zoals een vergaderklok, vastleggen zodat iedereen op hetzelfde moment beslissingen kan volgen.
  • Aanpassen van het Rampenbestrijdingsplan Hoogwater Limburg en voorbereiden van knelpunten door waterpartners.
  • Doorontwikkelen van kaartmateriaal, zodat actuele informatie snel beschikbaar is voor beslissers. 

“Het mooie is dat we door deze oefeningen niet alleen zwakke plekken zien, maar ook concrete oplossingen kunnen implementeren”, zegt Rovers. “Zo worden onze systemen steeds robuuster.” 

Twee momenten die bijblijven 

Rovers vertelt lachend over een ervaring tijdens een doorleefsessie: “Tijdens een oefening werkten de specialisten van de waterpartijen met digitale knipsels vanuit organisatie eigen kaartmateriaal om knelpunten inzichtelijk te maken, omdat de gezamenlijke digitale viewer nog niet beschikbaar is. Dat leidde tot chaos in LCMS, maar het was ook een eyeopener: we realiseerden ons hoe belangrijk het is dat die viewer er komt en daar een duidelijk verhaal bij te vertellen. Zoals wij sinds de watercrisis in 2021 steeds zeggen: Bij elk plaatje hoort een praatje.”  

Uitdagingen bij gelijktijdig hoogwater 

“Een kernvraag die telkens terugkomt is: wat is de reikwijdte van het water, wat is de waterdiepte en hoe standzeker zijn de waterkeringen?”, zegt Rovers. “Daarnaast zien we nog uitdagingen bij gelijktijdig hoogwater in beide veiligheidsregio’s. Dan is afstemming tussen de ROL’s van beide regio’s cruciaal, zodat we kunnen bepalen waar het IAT de focus legt. Met de geprioriteerde vragen kan het IAT vervolgens aan de slag.”  

Rovers licht toe dat de complexiteit vooral zit in de timing en prioritering. “Als beide regio’s tegelijk te maken krijgen met hoogwater, moeten we samen snel beslissen waar de grootste aandacht nodig is. Dat kan alleen met duidelijke communicatie en gezamenlijke prioriteiten. Elke minuut telt bij een crisis.” 

Samen oplossingen maken die niemand in z’n eentje kan bedenken

“Een van de grootste voordelen van dit project is dat iedereen zijn kennis en ervaringen deelt”, zegt Rovers. “Rijkswaterstaat brengt kennis over de waterafvoer en waterstanden in de Maas, de veiligheidsregio’s brengen ervaring met crisismanagement en evacuaties, en Waterschap Limburg zorgt voor informatie over de dijken langs de Maas en voor praktische waterafvoerkennis vanuit het regionale watersysteem. Alleen door al deze kennis samen te brengen, kunnen we tot goede beslissingen komen.” 

Rovers benadrukt dat samenwerking ook leidt tot innovatie. “Tijdens de oefeningen komen vaak praktische vragen naar voren, zoals hoe kaarten het best kunnen worden gebruikt of welke knelpunten zich kunnen voordoen. Samen bedenken we oplossingen die niemand in zijn eentje had kunnen bedenken.”  

Het draait uiteindelijk om vertrouwen en informatie 

“Als alle partijen dezelfde informatie hebben en dezelfde prioriteiten delen, kun je snel schakelen. Dat is cruciaal in een crisis. En daar werken we continu aan: oefenen, evalueren en bijsturen. Het is een continu proces, en elke stap maakt Limburg waterveiliger.” 

“De lessen die we nu leren en de verbeteringen die we doorvoeren, zijn cruciaal voor de toekomst. Klimaatveiligheid is geen project van één organisatie; het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. En juist dat maakt dit project zo waardevol.” 

“We willen mooie klimaatinitiatieven mogelijk maken op een veilige manier”

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, december 2025

Als beleidsmedewerker binnen de afdeling Veilige Leefomgeving werkt Nanette Verburg dagelijks aan omgevingsveiligheid bij Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Nu heeft ze ook klimaatveiligheid op haar bordje liggen. En schreef ze mee aan de Handreiking Veilige Klimaatadaptatie. Verburg werkte mee aan de hoofdstukken 6 en 7 in de landelijke handreiking. 

Boomeiland met zitrand, Amersfoort ©Nanda Sluijsmans
Boomeiland met zitrand, Amersfoort. Foto: Nanda Sluijsmans.

Gezondheid en klimaatadaptieve maatregelen

In hoofdstuk 6 komen de aandachtspunten aan bod die voor de GHOR en andere adviseurs van de veiligheidsregio belangrijk zijn in relatie tot gezondheid en klimaatadaptieve maatregelen. Bij gezondheid speelde in het begin vooral de afbakening met de werkzaamheden van de GGD. “Waar zitten de grijze gebieden? Waar zit overlap? En wat hoort echt bij de veiligheidsregio? Omdat er nog weinig was, moesten we echt zoeken. Wat is nou het belangrijkste qua gezondheid en klimaat? Dat resulteerde uiteindelijk in een overzicht van veelvoorkomende maatregelen die positieve maar ook negatieve gezondheidseffecten kunnen hebben. En die als startpunt kunnen dienen in het geven van een gedegen advies over de te nemen maatregelen.”

Sturen op verandering van gedrag

Het hoofdstuk over gedrag, gebruik en voorlichting richt zich op gedragsverandering en bewustzijn bij de mens zelf in een veranderend klimaat. “We kunnen heel veel maatregelen treffen, maar zonder veranderingen in gedrag blijft het effect beperkt. Dus zochten we naar kleine, makkelijke dingen die wij als veiligheidsregio kunnen inzetten om in elk geval het bewustzijn te vergroten.” 

Waterberging als voorbeeld: positief én lastig

Op de vraag welk voorbeeld het meest tot de verbeelding spreekt, noemt Verburg waterberging. “Water is natuurlijk superleuk, bijvoorbeeld in een kinderspeeltuin. Het helpt tegen extreme regenval, je kunt het gebruiken voor bluswater, en het brengt verkoeling. Maar er zit ook een keerzijde aan. Als water te lang stilstaat, krijg je muggen. Dat kan ziektes meebrengen. Dus moet je zorgen dat het water in beweging blijft.” Veel maatregelen hebben zo een dubbele uitwerking. Ze zijn positief voor hitte of wateropvang, maar kunnen tegelijk gezondheidsrisico’s geven. “Juist dat spanningsveld maakt het interessant.”

Superkolk, Zwolle. Foto: Nanda Sluijsmans.

Niet denken in beperkingen, maar in mogelijkheden

Verburg ziet grote kansen in de positieve benadering van klimaatmaatregelen. Ze noemt het voorbeeld van groene gevels. “Veel mensen zijn enthousiast over groene gevels. Ze brengen verkoeling en vergroening. Maar ze kunnen ook brandgevaar veroorzaken. Wij zeggen niet ‘doe het niet’, maar wel ‘doe het veilig’.” Kleine aanvullende maatregelen kunnen volgens haar vaak al voldoende zijn. “Denk aan een onderbreking van het groen waardoor een eventuele brand niet meteen overslaat naar het hele gebouw maar beperkt blijft tot één verdieping of rij. Dat zijn relatief kleine aanpassingen die het een stuk veiliger maken.”
Volgens Verburg is dat precies waar de veiligheidsregio’s waarde kunnen toevoegen: niet remmen, maar meedenken. “We zijn er niet om streng te zijn. We willen juist mooie dingen mogelijk maken, maar dan op een veilige manier.”

Reacties uit het veld: veiligheidsregio’s in verschillende fases

Verburg spreekt regelmatig collega’s uit andere regio’s. “De één is al heel concreet bezig om het mee te nemen in advisering en beleidsstukken. De ander gebruikt het vooral als inspiratie of om voorbeelden te laten zien.” 

Tijdens recente netwerkdagen, onder meer georganiseerd door het NIPV, merkte ze hoe verschillend de handreiking wordt toegepast. Dat ziet ze als een kracht: “Iedereen vertaalt het naar de eigen regio. En dan komen daar weer nieuwe ideeën uit. Dat is heel inspirerend om te volgen.” 

Klimaatveiligheid is juist ook risicobeheersing

Wat haar opvalt, is dat men vanuit veiligheidsregio’s vaak denkt aan crisisbeheersing zodra klimaat op tafel komt. “Maar het is juist interessant om nu vanuit risicobeheersing het gesprek te voeren. Wij lossen klimaatverandering niet op als veiligheidsregio, maar we kunnen wel haakjes bieden. Het kan veiliger, dit heeft positieve kanten, of dit kun je eenvoudig oplossen.” De handreiking helpt omdat het concrete voorbeelden geeft. “Dat maakt het gesprek makkelijker, zeker aan de voorkant.” 

Klimaatveiligheid en het meerlaagsveiligheidsmodel

Volgens Verburg raakt klimaatveiligheid aan meerdere lagen van het meerlaagsveiligheidsmodel. “Het is van belang om het hele model te doorlopen. Dan kom je erachter dat je elkaar nodig hebt. Het is leuk dat steeds meer mensen zien dat wat je in laag 0, 1 en 2 doet, doorwerkt in laag 3. Dan zien ze het grotere plaatje.”

Wensen voor de komende jaren

Tot slot blikt Verburg vooruit. Haar wens voor de komende periode is eerder aan tafel komen bij ontwikkelingen rondom klimaat en ruimtelijke inrichting. “Het zou heel fijn zijn als gemeentes weten dat wij ook expertise op klimaatveiligheid hebben. Dat ze ons vroeg meenemen bij nieuwe ontwikkelingen. We zijn niet de partij van de eisen en het ‘dit moet en dat moet’. Maar het zou mooi zijn als men ons weet te vinden en ziet dat wij hierover kunnen meedenken.” 

Met de snelle ontwikkelingen in data, inzichten en nieuwe onderzoeken, onder andere vanuit het NIPV, blijft dat volgens haar belangrijk. “Er gebeurt zoveel. Dan is het fijn om vroeg bij elkaar te zitten.” 

 
Het schrijven en samenstellen van de Handreiking Veilige Klimaatadaptatie deel 2 vond plaats in een van de projectwerkplaatsen. En is een samenwerking van expertises uit de veiligheidsregio’s, gefaciliteerd door het programma Klimaatveiligheid.

Nieuwsberichten bekijken

“Samen naar één actueel beeld” met het Dashboard Dijkdoorbraak en Overstroming

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, december 2025

Op woensdag 17 september kwamen 35 professionals van veiligheidsregio’s, waterschappen, Rijkswaterstaat en de Wageningen Universiteit bijeen voor de Bouwdag. Ze werkten verder aan de ontwikkeling van het Dashboard Dijkdoorbraak en Overstroming, een interactief instrument dat actuele data koppelt aan planvorming en daarmee crisisfunctionarissen ondersteunt tijdens dreigende hoogwatersituaties. 

Koen Lassauw
Koen Lassauw.

We spraken met Koen Lassauw, coördinator van het Veiligheid Informatie Knooppunt (VIK) en adviseur crisisbeheersing bij Veiligheidsregio Gelderland-Zuid. Over de ambitie achter het dashboard, de samenwerking en de lessen die hij ziet voor andere regio’s. 

Waarom dit dashboard nodig is 

Volgens Koen is het dossier dijkdoorbraak en overstroming een van de meest complexe en informatierijke risico’s in Nederland. Met grote rivieren die door Gelderland-Zuid stromen, zeven aangrenzende regio’s en partners zoals waterschappen, Rijkswaterstaat en gemeenten, is de informatie-uitwisseling enorm. 

“Onze planvorming is heel uitgebreid en goed, maar in een crisis heb je geen tijd om tientallen pagina’s door te nemen. Waterstanden en weerssituaties lopen nooit één op één met wat er in de plannen staat. Dan heb je actuele informatie nodig, gekoppeld aan die planvorming. Het dashboard doet precies dat.”

Het dashboard: 

  • Combineert landelijke, bovenregionale en regionale plannen met real-time data; 
  • Toont informatie overzichtelijk en direct toepasbaar in het actuele scenario; 
  • Brengt data van onder andere KNMI, waterschappen en Rijkswaterstaat samen; 
  • Laat per dijkring in één oogopslag zien welke maatregelen, tijdspaden en processen gelden. 

Door informatie te filteren per dijkring, ontstaat volgens Koen een zeer concreet beeld. “In plaats van generieke scenario’s heb je altijd een actueel scenario. Dat meteen verwijst naar de juiste procedures en verantwoordelijkheden.”  

Samen bouwen met Design Thinking 

Tijdens de Bouwdag werkten de deelnemers volgens de Design Thinking-methodiek. Dat hielp om ideeën van inhoudsdeskundigen te vertalen naar functies en producten voor het dashboard. “We hebben een kapstok gemaakt: een structuur waar bestaande en toekomstige digitale producten in kunnen landen. Denk aan evacuatietooling die elders al wordt ontwikkeld. Op die manier maken we het dashboard toekomstbestendig. Het dashboard is nog in ontwikkeling, maar de basis staat: 

  • Per dijkring zie je direct welke processen van toepassing zijn; 
  • Tijdslijnen geven inzicht in hoe lang maatregelen duren (zoals evacuatie of bewaken & beveiligen);
  • Realtime gegevens zoals wegwerkzaamheden, inwonersaantallen en gemeentegrenzen worden automatisch opgehaald; 
  • Met één klik kunnen producten gedeeld worden via LCMS. 

Alles wat we nu nog in enorme Excelbestanden hebben, willen we visualiseren. Dat maakt het toepassen in crisisomstandigheden veel makkelijker. Het uiteindelijke doel: eind 2026 operationeel zijn, zodat alle betrokken regio’s en partners het dashboard realtime kunnen gebruiken en erin kunnen werken.” 

Er zijn ook flinke uitdagingen

Koen vervolgt: “Iedereen wil meewerken. Waterschappen, universiteiten, veiligheidsregio’s, Rijkswaterstaat. De grootste uitdaging zit niet in de bereidheid, maar in de capaciteit en techniek. De bottleneck ligt op dit moment bij ons. We moeten de architectuur openzetten zodat anderen ook echt kunnen bijdragen. Dat kost meer tijd dan we dachten.” 

Lessen en aanbevelingen voor andere regio’s 

Wat zou Koen meegeven aan organisaties die een vergelijkbaar grootschalig samenwerkingsproject willen starten? 

1. Zet een stevige projectorganisatie neer 
“Niet alleen inhoud en techniek, maar duidelijke projectleiding. De hoeveelheid werk en expertise die je binnenhaalt, is gigantisch.” 

2. Bereid je systemen voor op samenwerking 
“Heel veel mensen willen bijdragen, maar dan moet je platform wél klaar zijn om die bijdragen te ontvangen.” 

3. Denk bovenregionaal 
“Planvorming stopt niet bij regiogrenzen. Door over het hele stroomgebied samen te werken ontstaat een gelijk beeld. En dat is essentieel bij overstromingsscenario’s.” 

Trots op de ontwikkeling

“Dit is de toekomst van planvorming en informatiegestuurd werken. We zetten echt stappen in waterveiligheid. En dat doen we samen.”  

Harm Balk over de ‘wondere wereld’ van vakbekwaamheid: “Het samenspel kan beter”

3 december 2025

Harm Balk is commandant en directeur van Veiligheidsregio Kennemerland en sinds een jaar als vakregisseur betrokken bij de Vakraad Leren en Ontwikkelen van de RCDV (Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio). Wat is zijn drijfveer om zich in te zetten voor vakbekwaamheid en wat ziet hij als de belangrijkste opgave?

Harm Balk, commandant en directeur van Veiligheidsregio Kennemerland en vakregisseur bij de Vakraad Leren en Ontwikkelen.: Foto: Harm Balk, Veiligheidsregio Kennemerland.
Harm Balk, commandant en directeur van Veiligheidsregio Kennemerland en vakregisseur bij de Vakraad Leren en Ontwikkelen. Foto: Veiligheidsregio Kennemerland.

Sinds 1996 werkt Balk bij de brandweer, maar zijn passie voor onderwijs begon al eerder, tijdens zijn opleiding tot docent lichamelijke opvoeding. Toen de rol van vakregisseur vorig jaar vacant kwam, hij nam het stokje over van Esther Lieben, dacht hij: “Daar heb ik wel wat mee. Dat is een onderwerp dat ik belangrijk vind en waar ik mijn best voor wil doen.”

Wat is jouw rol als vakregisseur? Hoe werk je samen met de vakraad?

“Als vakregisseur ben je de schakel tussen de RCDV en de vakraad. Ik heb maandelijks overleg met Patrick Sprokkereef, de voorzitter van de vakraad. In dezelfde frequentie als de overleggen van de vakraad zelf, die overigens uitstekend worden voorbereid door de secretaris Maaike Beenders. We bespreken dan wat we in het speelveld zien gebeuren. Hoe denken we ons daartoe te verhouden? Hoe denken we dat dat gaat landen in de RCDV? Hoe zorgen we dat we eventuele problemen vroegtijdig signaleren en ons eigen geluk organiseren door slimme taal te gebruiken of een extra stapje in de route op te nemen? Het streven van de RCDV is eigenlijk dat de vakraden zo goed functioneren dat de RCDV er niets meer van hoeft te vinden. Dat als de vakraad met iets komt, dat 25 commandanten en directeuren allemaal zeggen: we hoeven er niets meer van te vinden, want mijn hoofd vakbekwaamheid heeft zijn stem kunnen laten horen.”

Wat drijft jou om deze rol te vervullen?

“Al 25 jaar heb ik te maken met het complexe domein van vakbekwaamheid. Ik vind dat we daar razend knap allerlei mooie dingen in doen, maar tegelijk vind ik het ook razend ingewikkeld. Zowel aan de inhoudskant als aan de organisatiekant. Er is een soort illusie van een maakbare wereld, dat je alles wat je zou kunnen weten, ook zou moeten aanleren en uitvoeren. Neem bijvoorbeeld de parlementaire enquête in 1998 van de Bijlmerramp. Toen de commissie erachter kwam dat er in de zomer van 1992 nieuwe lesstof over verarmd uranium in vliegtuigvleugels was uitgebracht, was men verontwaardigd dat de brandweermensen dat in oktober 1992 niet wisten. We voelen een soort morele plicht om alle kennis in de hoofden van duizenden brandweermensen te krijgen, maar dat is niet te doen. Dat zie ik gebeuren van manschap tot hoofdofficier. En bij crisisbeheersing zie ik dezelfde trend.”

En aan de organisatiekant?

“Ik vind het een wondere wereld. Ik snap bij alles achteraf waarom we het ooit zo bedacht hebben en waarom het nodig is, maar het is wel moeilijk om te bevatten en om te accepteren waarom dingen soms zo moeilijk zijn. Neem bijvoorbeeld Canvas, de nieuwe elektronische leeromgeving. Ik kan me zomaar voorstellen dat de ene regio zegt: Canvas is voor de les- en leerstof van de brandweer. Maar dat een andere regio zegt: maar wij willen ook het onderwijs voor crisisbeheersing erin, want we zijn één organisatie. En dan zegt een derde regio misschien: maar dan willen we ook het lesmateriaal voor de GGD in Canvas. En alle organisaties hebben weer andere wensen. Want ik kan mij bijvoorbeeld zomaar voorstellen dat er regio’s zijn die vakbekwaam worden in Canvas willen koppelen aan vakbekwaam blijven en alle oefenregistraties in het systeem willen. En ga zo maar door.”

Hoe kijk je terug op het afgelopen jaar? Welke ontwikkelingen zie je?

“Ik vind het heel mooi om te zien hoe de Vakraad Leren en Ontwikkelen bezig is. Ik ben sowieso onder de indruk van wat ik al digitaal langs zag komen. Maar nu ik onlangs bij een overleg aanwezig was, zag ik een hele mooie volwassen, maar ook scherpe manier van met elkaar omgaan en naar het juiste toewerken. Dat is me echt opgevallen. Daarnaast hebben we ook een goede samenwerking met het programma Onderwijs Onderweg. Zij zorgen voor veel ordening en structuur om te begrijpen hoe we het onderwijsstelsel hebben ingericht en hoe alles zich tot elkaar verhoudt.”

Wat zie je als de belangrijkste opgave voor de komende jaren?

“Dat we het samenspel met de vakraden Incidentbestrijding en Risico- en Crisisbeheersing gaan verbeteren. Zodat de vraagstelling vanuit het werkveld beter gaat landen in wat vakbekwaamheid te doen heeft. Het zou zo moeten zijn dat Vakbekwaamheid díe producten ontwikkelt, die vanuit het werkveld gewenst zijn. Dat is niet zoals het altijd gaat. Er wordt nu nog te veel bedacht waarbij we aannemen wat het veld nodig heeft en dat wordt dan over het veld uitgerold. De route zou moeten zijn dat bijvoorbeeld een afdeling Crisisbeheersing signaleert dat er een nieuwe functie nodig is en aangeeft wat die functionaris allemaal zou moeten kunnen. Waarbij Vakbekwaamheid zegt: hier hebben wij verstand van, want als je dit moet kunnen, dan zou je deze competenties moeten verwerven. En dan zou je op deze manier les moeten geven op die competenties om tot een beroepsbeoefenaar te kunnen te komen die dit uiteindelijk kan. En dat leg je dan terug bij Crisisbeheersing en die zou dan moeten zeggen: ja dat is onze wens of we missen nog dit of dat. Dat samenspel moet meer op gang gaan komen.”

“En dat gaat heel erg over rolzuiverheid en zorgvuldige processtapjes. Dat is natuurlijk verschrikkelijke taal die ik hier uitkraam. Heel blauw. Maar daar heeft het wel mee te maken. Wie heeft nou eigenlijk welke rol? Op welk moment moet je welke rol waar inzetten? Wie moet, wanneer, wat doen en in welke volgordelijkheid?”

Hoe zie je de samenwerking daarin met het NIPV?

“Je kan er op twee manieren naar kijken. De ene manier is: het NIPV verzint alles voor ons en gooit het vervolgens over de schutting. Dat heb ik de afgelopen jaren iets te vaak gehoord en daarmee doen we geen recht aan al die bevlogen mensen die daar werken. De andere manier is: bij het NIPV werken mensen met hart en ziel voor hun werk. Die willen het juiste doen en bij gebrek aan de goede vraagarticulatie gaan zij proactief aan de slag. En omdat het samenspel niet goed werkt, eindig je er soms mee dat het NIPV dus iets bedacht en verzonnen heeft en uiteindelijk laat uitrollen over het land. Als dat samenspel goed is, dan is deze discussie helemaal niet meer nodig. De vakraad heeft daar een belangrijke rol in. Het is ontzettend belangrijk dat het NIPV daar aanschuift om te horen wat het sentiment is. Dat je toelicht hoe je een project hebt aangepakt en waarom en aan de groep vraagt: wat vinden jullie er eigenlijk van? Hebben jullie nog suggesties? Dat soort gesprekken is ontzettend helpend in de samenwerking.”

Wat hoop je over drie jaar bereikt te hebben?  

“Dat vind ik altijd een moeilijke vraag. Ik hoop dus dat het samenspel is verbeterd en dat het programma Onderwijs Onderweg heeft opgeleverd wat we beogen. Dat we in het onderwijssysteem uiteindelijk flexibiliteit hebben ingebouwd om te kunnen inspelen op de veranderende samenleving. Op een manier die ook uitvoerbaar is. De maatschappij verandert en zal altijd blijven veranderen. We hebben ons daar als beroep, zowel crisisbeheersing als brandweer, permanent toe te verhouden. En ik hoop dat het onderwijsstelsel over drie jaar in staat is om soepel en fluïde mee te bewegen met die veranderingen. Daarnaast wil ik ook heel graag bereiken dat we in de samenwerking met het NIPV ook echt recht doen aan al die mensen die daar zo hard voor ons werken.”

Welke onderwerpen staan er op de agenda van de Vakraad Leren en Ontwikkelen?

  • Programma Onderwijs Onderweg
  • Toekomstbestendig brandweerduikonderwijs
  • Aantoonbare vakbekwaamheid
  • Programmering voor het Ontwikkelfonds in 2026
  • Optimaliseren van proces rondom de vouchergelden.

Communicatie over natuurbrandrisico’s leidt niet aantoonbaar tot meer brandstichting

2 december 2025

Communicatie over natuurbrandrisico’s zorgt níet voor meer natuurbranden. Dat blijkt uit een inventarisatie van het NIPV. Hoewel het spanningsveld tussen risicocommunicatie en mogelijke brandstichting internationaal wordt herkend, is er geen bewijs gevonden dat informatievoorziening mensen aanzet tot het opzettelijk veroorzaken van natuurbranden.

Foto: Shutterstock.

Brandstichters herkennen risico’s toch al

Uit gesprekken met (inter)nationale experts blijkt dat mensen die bewust een natuurbrand willen aansteken, zelf weten wanneer de omstandigheden gunstig zijn. Publieke communicatie verandert dat niet. In het buitenland is zelfs het tegenovergestelde zichtbaar: goed geïnformeerde gemeenschappen blijken alerter, wat leidt tot minder branden door nalatigheid en meer sociale controle op brandstichting.

Communicatie blijft essentieel

Natuurbrand-risicocommunicatie voorkomt dat burgers onvoorbereid worden getroffen wanneer het risico plots toeneemt. Door het jaar heen informeren over preventie, en op risicovolle dagen gericht waarschuwen en handelingsperspectieven bieden, zorgt ervoor dat mensen weten wat ze kunnen doen: vóór en tijdens een natuurbrand.

Communicatie ligt vooral bij veiligheidsregio’s

Veiligheidsregio’s richten zich zowel op preventie als op risicocommunicatie, zoals in de campagne ‘Voorkomen van vuur is jouw natuur’. Natuurbeheerders stellen zich vaak wat terughoudender op, onder meer omdat zij actieve natuurbrand-risicocommunicatie vaak niet als hun taak zien en uit de veronderstelling dat communicatie brandstichting kan uitlokken. Internationale voorbeelden laten echter zien dat effectieve risicocommunicatie juist een gezamenlijk proces is, waarin meerdere partijen – van overheden en brandweer tot natuurbeheerders, onderwijs en burgers – een rol spelen. 

Lessen voor de praktijk

Uit de inventarisatie komen vier belangrijke aanbevelingen: 

  1. Ontwikkel een landelijke richtlijn voor natuurbrand-risicocommunicatie, met heldere rollen en verantwoordelijkheden. 
  2. Communiceer het hele jaar door én situatiegericht: combineer bewustwording met gerichte waarschuwingen op risicovolle dagen. 
  3. Investeer in educatie en publiekscampagnes, vooral gericht op jongeren, recreanten en bewoners in natuurbrandgevoelige gebieden. 
  4. Monitor en evalueer natuurbrand-risicocommunicatie zodat duidelijk wordt wat werkt. 

Lees het rapport

label Veilige energietransitie

ProRail en NIPV onderzoeken brandveiligheid van elektrische fietsen en scooters in stallingen

1 december 2025

Het aantal elektrische fietsen en scooters in Nederland groeit snel. Ook op stations ziet ProRail deze toename duidelijk terug in de fietsenstallingen. Omdat elektrische fietsen, door hun accu, een ander brandgedrag vertonen dan niet-elektrische fietsen, is het belangrijk om te weten of de huidige stallingen voldoende brandveilig zijn.

Brandveiligheidsmaatregelen fietsenstalling
Een fietsenstalling met gestalde e-bikes. Foto: ProRail.

Nils Rosmuller, lector Energie en transportveiligheid: “Een brand in een fietsenstalling anno 2025 is niet dezelfde brand als tien jaar geleden. Dankzij brandproeven met light electric vehicles (e-bikes, e-scooters, fatbikes) en grondige gebouwanalyses krijgen we waardevolle nieuwe inzichten in brandveiligheid. Kennis die helpt om onderbouwde keuzes te maken voor maatregelen die de veiligheid in en rond fietsenstallingen verder gaan borgen.”

Om dat te onderzoeken voerde het NIPV in opdracht van ProRail een meerjarig onderzoek uit. Dit onderzoek moet binnen afzienbare tijd leiden tot een onderbouwde risicoafweging door ProRail en een toekomstbestendig brandveiligheidsbeleid voor de stallingen.

Drie fasen in het onderzoek naar brandveiligheidsmaatregelen

Het onderzoek bestond uit drie fasen. Elke fase leverde nieuwe inzichten op over branden van elektrische tweewielers in stallingen en mogelijke maatregelen. Op basis daarvan kan ProRail een risicoafweging maken.

Fase 1: Brandgedrag van individuele tweewielers

In deze fase onderzocht het NIPV het brandgedrag van uiteenlopende elektrische en niet-elektrische fietsen en scooters. Doel was om inzicht te krijgen in het brandverloop en in de kans op branduitbreiding naar andere tweewielers.

Fase 2: Brandverloop in een stalling

Omdat uit fase 1 bleek dat branduitbreiding bij meerdere typen elektrische tweewielers aannemelijk is, richtte fase 2 zich op praktijkexperimenten in een nagebouwde inpandige stalling. Doel was het beginnend brandverloop in een stallingssituatie met fietsen, fatbikes of scooters te bepalen. Daarnaast werden temperatuur en warmtestraling gemeten om inzicht te verkrijgen in de thermische belasting op gebouwdelen en de kans op branduitbreiding naar een andere rij tweewielers. Ook werd het effect van een sprinklerinstallatie getest.

Enkele conclusies van de experimenten in fase 1 en 2:

  1. Elektrische fietsen brandden met een hoger (piek) brandvermogen dan niet-elektrische fietsen maar de accessoires, zoals een kinderzitje, hebben ook een aanmerkelijke bijdrage aan het (piek) brandvermogen.
  2. Bij een stallingssituatie met 50 procent elektrische fietsen zonder sprinkler is het brandverloop snel:
    • Tot 8 minuten brandt er één fiets.
    • Na 10 minuten brandt één volledige rij van 14 fietsen.
    • Na 12 minuten branden alle 28 fietsen. Er is een sterke versnelling in de snelheid van branduitbreiding.
  3. Accucellen kunnen al brandend over een gangpad in een stalling heen springen.
  4. Accucellen kunnen soms meer dan 10 seconden nabranden. Branduitbreiding naar een andere rij door wegschietende accucellen kan daardoor mogelijk plaatsvinden.

Fase 3: Maatregelen afstemmen op brandveiligheidsdoelstellingen

De resultaten uit fase 1 en 2 zijn gecombineerd tot een voorstel van mogelijke brandveiligheidsmaatregelen. Hierbij worden maatregelen aangedragen voor het bereiken van de volgende brandveiligheidsdoelstellingen:

  • Voorkomen van het ontstaan van brand.
  • Beperken van de kans op slachtoffers en gewonden.
  • Beperken van de brandomvang in de stalling.
  • Uitbranden van een stalling accepteren, maar de effecten van een dergelijke brand beperken.
  • Beperken van de branduitbreiding buiten de stalling.

Voor drie typen van fietsenstallingen en de genoemde brandveiligheidsdoelstellingen zijn brandveiligheidsmaatregelen geïdentificeerd. Deze zijn in het rapport in een overzichtelijke tabel samengevat.

Conclusie

De onderzoeksresultaten laten zien dat het brandverloop in stallingen verandert als gevolg van de opkomst van elektrische fietsen, fatbikes en scooters. Dit maakt dat een heroverweging van het bestaande brandveiligheidsconcept voor fietsenstallingen op zijn plaats is.

ProRail gebruikt de opgedane kennis in het onderzoek en het voorstel voor maatregelen uit fase 3 om een eigen risicoafweging te maken, die uiteindelijk leidt tot een actueel brandveiligheidsbeleid voor fietsenstallingen dat past bij de ontwikkelingen in de samenleving.

Lees de rapporten

Blog: Het ontbreken van een Wildland-Urban Interface (WUI) is een gemiste kans

28 november 2025

In Nederland ontbreekt een kaart die de risicogebieden voor natuurbranden inzichtelijk maakt. Terwijl een natuurbrand in Nederland in potentie grote impact heeft, blogt onderzoeker Hugo Lambrechts.   

Woningen in bos.
Foto: Wikimedia Commons.

Als gevolg van klimaatverandering verandert in Nederland het risico op natuurbranden. Daarnaast is Nederland dichtbevolkt, heeft het veel natuur en groen en is er een grote overlap tussen vegetatie en bebouwing met menselijke gebruik. Daardoor kan een natuurbrand in Nederland potentieel grote impact hebben.

De overgangszone waar bebouwing en menselijke activiteiten direct grenzen aan of ingebed zijn in natuurgebieden heet internationaal de Wildland-Urban Interface (WUI). Met uitzondering van de VS beschikken maar weinig landen over de inzichten waar deze gebieden zich bevinden in een WUI-kaart op nationaal niveau. Ook in Nederland hebben we geen WUI-kaart. En dat is een gemiste kans.  

Door het maken van een WUI-kaart wordt duidelijk waar de risicogebieden in Nederland zich bevinden. Dit is van groot belang voor de brandweer en veiligheidsregio’s voor strategieontwikkeling, operationele inzet en risicobeheer. Daarnaast is het relevant voor natuur- en terreinbeheerders met het oog op risicobeheersing en natuurbeheer.  En voor bewoners van WUI-gebieden ten behoeve van bewustwording en het nemen van preventieve maatregelen.  

In de WUI zijn vuurbrokken en vliegvuur (‘embers’ en ‘firebrands’) een groot gevaar, omdat ze huizen en tuinen kunnen ontsteken, vaak op tientallen tot honderden meters afstand van de hoofdbrand. Daarom kunnen het landschap en het erf sterk bijdragen aan risicovermindering. Denk bijvoorbeeld aan het aanpassen van de vegetatiestructuur: van dichte bomen naar losse bomen, vervolgens naar tuin en open ruimte. Dit trapsgewijze patroon vermindert de intensiteit van vuur. 

bosbrand met op de voorgrond woningen.
Foto: Wikimedia Commons.

Daarnaast is een ‘defensible space’ wenselijk tussen brandbare vegetatie en de woning om de kans op overslag te verminderen. Door huis en tuin ‘hardening’ wordt de brandveiligheid vergroot: er worden brandwerende materialen aangebracht en door onderhoud aan de tuin wordt brandbaar materiaal weggenomen. Ook is een zone met natuurbeheer en verminderde brandstof in de WUI nodig om het risico voor brandweermensen tijdens bestrijding te verminderen. 

De WUI vraagt om verantwoordelijkheid en bewustwording bij bewoners en lokale gemeenschappen om deze ‘defensible spaces’ te maken. Natuurbrandveiligheid is niet alleen een individuele maar ook een collectieve verantwoordelijkheid.  

Kortom, de WUI is een cruciale zone waar technische, ruimtelijke en sociale maatregelen samen moeten komen om de impact van natuurbranden te beperken en de weerbaarheid van gemeenschappen te vergroten. Maar dan moeten we ze eerst in kaart brengen.  

Medio januari publiceer ik mijn onderzoek dat antwoord geeft op de vraag ‘Wat is de WUI in Nederland’. Het daaropvolgende onderzoek dat staat gepland voor maart moet antwoord geven op de vraag ‘Waar is de WUI in Nederland’.     
 
Hugo Lambrechts 
Onderzoeker-adviseur brandweerzorg