Whole of society: de herkomst en betekenis van het begrip
1 juli 2026
Door de toenemende aandacht voor maatschappelijke weerbaarheid en een maatschappijbrede aanpak van crises wordt het begrip whole of society steeds vaker gebruikt in beleid, onderzoek en publieke discussies. Tegelijkertijd blijkt dat niet altijd duidelijk is wat precies met het begrip wordt bedoeld en hoe de betekenis ervan zich heeft ontwikkeld.

Daarom heeft het NIPV onderzocht waar de term vandaan komt en welke invulling eraan wordt gegeven in wetenschappelijke literatuur en beleidsdocumenten. Het onderzoek biedt inzicht in de oorsprong, ontwikkeling en betekenis van het begrip en draagt daarmee bij aan een beter begrip van de rol die overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers kunnen spelen bij de voorbereiding op, aanpak van en het herstel na crises.
Oorsprong van het begrip
De term whole of society werd voor het eerst gebruikt door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in 2009. In een handleiding voor overheden en bedrijven over de voorbereiding op en respons bij pandemieën werd het begrip geïntroduceerd als een manier om verschillende maatschappelijke partijen gezamenlijk te betrekken bij crisisaanpak.
Sindsdien is de term in tal van internationale beleidsdocumenten terug te vinden, vaak in combinatie met het begrip whole of government. Waar whole of government verwijst naar effectieve samenwerking tussen verschillende overheidsorganisaties, gaat whole of society een stap verder.
Samenwerking tussen overheid, organisaties en burgers
De kern van een whole-of-society-aanpak is de samenwerking tussen overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers. Deze samenwerking is niet alleen van belang tijdens een crisis, maar ook in de voorbereiding daarop en in de periode van herstel.
Uit het onderzoek blijkt dat een dergelijke aanpak niet van de ene op de andere dag kan ontstaan. Effectieve samenwerking tijdens crises vraagt om relaties, vertrouwen en afspraken die al in normale omstandigheden worden opgebouwd. De basis voor een maatschappijbrede aanpak moet daarom worden gelegd voordat een crisis zich aandient.
Van crisispartners naar de hele samenleving
In de loop der jaren heeft het begrip whole of society een bredere invulling gekregen. Waar aanvankelijk vooral werd gedacht aan samenwerking tussen overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties, worden in recente beleidsdocumenten ook andere partijen nadrukkelijk genoemd. Zo spelen, naast NGO’s, ook onderzoeksinstellingen een belangrijke rol bij het leveren van kennis en expertise. Daarnaast worden gevestigde media gezien als een essentiële schakel in het verspreiden van betrouwbare informatie aan zowel overheden als burgers.
Lees het onderzoek en de factsheet
Bekijk ook
30 juni 2026
Op dinsdag 7 juli wordt de release LCMS 2026 Q3 – 30.5 uitgerold op de Operationele omgeving van het LCMS. In het liveblog onderaan dit bericht houden we je tijdens de uitrol op de hoogte van de voortgang.
Planning release
Er is geen sprake van downtime. Houd wel rekening met het volgende:
- De Operationele omgeving is vanaf 09:00 uur niet beschikbaar.
- De Oefenomgeving blijft beschikbaar. Het is daarom mogelijk om bij crisissituaties uit te wijken naar de Oefenomgeving. Geef in de naam van de activiteit duidelijk aan dat het om een Operationele activiteit gaat.
- De Operationele omgeving is naar verwachting vanaf 16:00 uur weer beschikbaar.
Inhoud release
In dit bericht vind je meer informatie over de inhoud van de release.
Vragen?
Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan contact op met de beheerder van jouw organisatie.
Release LCMS 2026 Q3 – Operationele omgeving
Via dit liveblog volg je de voortgang van de release LCMS 2026 Q3 – 30.5 op de Operationele omgeving.
Ontwikkeling landelijke richtlijn nazorg en herstel: de eerste stappen zijn gezet
30 juni 2026
Hoe zorg je ervoor dat getroffen inwoners, organisaties en overheden na een ramp of crisis de juiste ondersteuning krijgen? Om gemeenten, veiligheidsregio’s en hun partners hierbij beter te ondersteunen, werken het NIPV, ARQ en het RIVM aan een landelijke richtlijn voor nazorg en herstel.

Sinds maart 2026 onderzoeken de kennisinstituten, gesubsidieerd door het European Union Civil Protection Mechanism (UCPM), hoe crisisautoriteiten de nafase van een crisis of ramp samenhangend en effectief kunnen vormgeven. De eerste resultaten van het project zijn inmiddels beschikbaar.
Internationale kennis als basis
Een belangrijke eerste stap voor het NIPV en ARQ was het in kaart brengen van internationaal beschikbare raamwerken voor nazorg en herstel. Uit een literatuuronderzoek zijn 9 relevante raamwerken geselecteerd en geanalyseerd. Deze raamwerken richten zich enerzijds op de brede organisatie van nazorg en herstel en anderzijds op specifieke thema’s binnen de nafase.
De analyse laat zien dat veel van de beschikbare bouwstenen ook bruikbaar zijn voor crisisautoriteiten in Nederland. Denk aan faseringen, thema’s en uitdagingen die wereldwijd terugkomen in herstelprocessen. Tegelijkertijd blijkt dat de behoeften van getroffen inwoners in de meeste raamwerken nog beperkt zijn uitgewerkt.
Inzicht in herstelbehoeften van getroffenen
Daarnaast onderzoekt het NIPV samen met het RIVM welke gegevens nodig zijn om de nafase beter datagedreven te ondersteunen. Uit deskresearch komt naar voren dat factoren zoals mentale en fysieke gezondheid, financiële omstandigheden, geleden schade en de persoonlijke situatie vóór een crisis een belangrijke rol spelen bij herstel.
Er zijn bovendien sterke verschillen tussen hersteltrajecten van getroffenen. Waar sommige mensen relatief snel herstellen, hebben anderen meer tijd nodig of houden zij langdurige klachten. In de komende maanden worden deze inzichten verwerkt in een statistisch model. Ook wordt onderzocht welke databronnen beschikbaar zijn om dit model te voeden.
Met behulp van deze inzichten kunnen crisisorganisaties al tijdens of kort na een crisis beter inschatten welke ondersteuning nodig is, welke groepen daaraan behoefte hebben en hoe beschikbare capaciteit effectief kan worden ingezet.
Vervolg van het project
De komende periode richt het project zich op het verzamelen van ervaringen uit landelijke en bovenregionale casuïstiek. Ook worden stakeholders geraadpleegd over hun behoeften en verwachtingen over de richtlijn, onder meer via de zogeheten Delphi-methode.
Daarnaast ontwikkelt het NIPV samen met stakeholders verschillende scenario’s die bijdragen aan de verdere uitwerking van de richtlijn. Deze scenario’s vormen later ook de basis voor trainingsmodules en oefeningen voor de toekomstige gebruikers.
Wilt u meedoen aan het Delphi-onderzoek en/of de ontwikkeling van scenario’s, dan kunt u zich via dit formulier aanmelden.
Lees het rapport
Bekijk ook
Samenwerken aan meerlaagsveiligheid als wenkend perspectief voor klimaatveiligheid
Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026
Dit is een samenvatting van het artikel in Water Governance.
Nederland krijgt steeds vaker te maken met extreem weer. Hitte, langdurige droogte, hevige regenval en overstromingen komen niet alleen vaker voor, maar worden ook steeds extremer. De vraag is daarom niet óf deze gebeurtenissen zich opnieuw voordoen, maar hoe goed we erop zijn voorbereid.

In een nieuw artikel in Water Governance laten Joanne Vinke-de Kruijf, adjunct hoogleraar Climate-Resilient Infrastructure Systems aan de Universiteit Twente, en Charlotte van Ruijven, programmamanager Klimaatveiligheid bij het NIPV zien dat de voorbereiding op klimaatrisico’s niet alleen draait om crisisbeheersing. Volgens hen ligt de sleutel in betere samenwerking tussen veiligheidsregio’s, gemeenten, provincies en waterschappen. Het meerlaagsveiligheidsmodel biedt daarvoor een kansrijk perspectief.
Veiligheidsregio’s kunnen het niet alleen
Veiligheidsregio’s spelen een centrale rol bij crisisbeheersing, maar hebben vooral een adviserende positie als het gaat om het voorkomen van klimaatrisico’s. De daadwerkelijke uitvoeringskracht ligt grotendeels bij gemeenten, provincies, waterschappen en andere terreinbeheerders. Tegelijkertijd beschikken veiligheidsregio’s over unieke kennis van risico’s, scenario’s en maatschappelijke impact. Die kennis wordt volgens de auteurs nog onvoldoende benut bij ruimtelijke inrichting en klimaatadaptatie.
Van waterveiligheid naar klimaatveiligheid
Het artikel laat zien dat het meerlaagsveiligheidsmodel, oorspronkelijk ontwikkeld voor waterveiligheid, ook uitstekend toepasbaar is op andere klimaatrisico’s zoals hitte, droogte en natuurbranden.
Het model onderscheidt vijf lagen:
- Bewustwording van klimaatrisico’s
- Preventie: risico’s zoveel mogelijk voorkomen
- Gevolgbeperking door een klimaatrobuuste leefomgeving
- Crisisbeheersing wanneer incidenten zich voordoen
- Herstel, waarbij niet alleen wordt teruggebouwd, maar ook wordt geleerd voor de toekomst.
Juist de samenhang tussen deze lagen maakt het model waardevol. Keuzes die vandaag worden gemaakt bij ruimtelijke ontwikkeling hebben immers direct invloed op de inzet van hulpdiensten tijdens toekomstige crises én op het herstel daarna.
Klimaatadaptatie kan ook nieuwe risico’s creëren
Een opvallende boodschap uit het artikel is dat klimaatadaptatiemaatregelen niet automatisch leiden tot meer veiligheid. Vergroening van gebouwen kan bijvoorbeeld bijdragen aan verkoeling, maar tijdens droge perioden ook het risico op brand vergroten. Wadi’s die regenwater opvangen kunnen de bereikbaarheid van hulpdiensten beperken wanneer brandweervoertuigen een wijk niet meer goed kunnen bereiken.
Daarom pleiten de auteurs ervoor om veiligheidsregio’s vroegtijdig te betrekken bij ruimtelijke plannen en klimaatadaptatieprojecten. Zo kunnen mogelijke neveneffecten vooraf worden meegenomen.
Veerkracht begint met samenwerking
Volgens de auteurs draait klimaatveiligheid uiteindelijk om veerkracht. Dit is het vermogen van een samenleving om risico’s te weerstaan, gevolgen op te vangen, snel te herstellen én zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden.
Dat vraagt om intensieve samenwerking tussen organisaties die traditioneel vanuit verschillende verantwoordelijkheden werken. Gemeenten richten zich op ruimtelijke ontwikkeling, waterschappen op waterbeheer en veiligheidsregio’s op crisisbeheersing. Door deze perspectieven eerder bij elkaar te brengen ontstaat een completer beeld van risico’s en kunnen effectievere maatregelen worden genomen. Praktijkervaringen laten zien dat gezamenlijke workshops en gebiedsanalyses niet alleen leiden tot betere oplossingen, maar ook tot meer wederzijds begrip en risicobewustzijn.
Van adviseren naar gezamenlijk ontwerpen
De auteurs concluderen dat samenwerking verder moet gaan dan het uitwisselen van adviezen. Klimaatveiligheid vraagt om gezamenlijke processen waarin overheden en andere partijen samen risico’s, kwetsbaarheden en mogelijke oplossingen verkennen.
Dat is geen eenvoudige opgave. Iedere organisatie werkt vanuit eigen wetgeving, belangen en werkwijzen. Toch is juist die samenwerking noodzakelijk om de uitvoeringskracht te vergroten. Ontwerpend onderzoek, gezamenlijke experimenten en vroegtijdige betrokkenheid bij gebiedsontwikkelingen kunnen daarbij helpen.
De boodschap is helder: klimaatveiligheid is niet de verantwoordelijkheid van één organisatie. Alleen door waterbeheer, ruimtelijke ordening en publieke veiligheid structureel met elkaar te verbinden, kan Nederland zich voorbereiden op de klimaatrisico’s van de toekomst.
Bekijk ook
Update Ontwikkelfonds: herverdeling middelen voor Manschap 3.0
Juni 2026
Nieuwe inzichten en ontwikkelingen vragen om aanpassing van prioriteiten. In dit geval heeft de vakraad Incidentbestrijding in afstemming met de vakraad Leren & Ontwikkelen besloten om middelen en capaciteit vanuit het Ontwikkelfonds voor dit jaar anders in te zetten. De keuze is gemaakt om dit jaar een aantal projecten binnen het Ontwikkelfonds niet uit te voeren. Hierdoor komt budget vrij dat ingezet kan worden voor de verdere implementatie van THV binnen het programma Manschap 3.0. Dit programma richt zich op de toekomstbestendige ontwikkeling van het brandweervak en vraagt op dit moment om extra inzet en middelen. Het is belangrijk om te benadrukken dat deze beslissing is genomen door de vakraden, op basis van inhoudelijke afwegingen en prioriteiten binnen het werkveld.

Wat betekent dit concreet voor 2026?
Door het verleggen van capaciteit komen in 2026 een aantal geplande activiteiten te vervallen binnen het Ontwikkelfonds:
- evaluatie leergang Coördinator Verkenningseenheden (CVE)
- project gebouwbrandbestrijding in en rond duurzame gebouwen
- onderhoud van e-modules vakbekwaam blijven
- bijscholing voor instructeurs brandbestrijding (in verband met de herziening richting Manschap)
- kennisdag Brandbestrijding
Vervolg
Het Ontwikkelfonds blijft een belangrijk instrument om te investeren in de ontwikkeling van het brandweeronderwijs. Tegelijkertijd vraagt de actuele situatie om flexibiliteit en het maken van keuzes. Zo wordt er nu ook hard gewerkt om zo spoedig mogelijk voor het zittende personeel de wijzigingen en impact vanuit THV ten aanzien van vakbekwaam blijven klaar te zetten voor de regio’s. Zodra er nieuwe ontwikkelingen zijn binnen het programma of rondom de herstart van projecten, wordt hierover gecommuniceerd.
Ondertussen wordt ook al gekeken naar de invulling voor 2027. Dit programma zal naar verwachting beperkter van omvang zijn en wordt momenteel in afstemming met de vakraden verder ontwikkeld.
Bekijk ook
Scriptie over gebruik van biobased coatings in houten gevels winnaar NIPV-VVBA-scriptieprijs 2026
25 juni 2026
Laura Dohmen van de TU Eindhoven heeft met haar masterscriptie over de toepassing van biobased coatings in houten gevels de NIPV-VVBA-scriptieprijs 2026 gewonnen. “De scriptie behandelt een actueel en relevant onderwerp dat goed aansluit bij de groeiende aandacht voor duurzaamheid in de bouw. Uit het onderzoek blijkt dat biobased coatings kunnen bijdragen aan de brandveiligheid van houten gevels, maar dat ze vooral in combinatie met andere maatregelen moeten worden toegepast. Juist deze genuanceerde conclusie maakt het onderzoek spraakmakend en relevant voor de praktijk”, aldus het juryrapport.

Ontsteking vertragen en branduitbreiding beperken
In een helder opgezet en zorgvuldig uitgevoerd onderzoek laat Dohmen zien dat biobased coatings daadwerkelijk een bijdrage kunnen leveren, met name door het vertragen van ontsteking en het beperken van branduitbreiding. Daarbij geeft ze, op basis van kleinschalige experimenten, inzicht in het brandgedrag van behandeld hout, waarmee de studie zowel inhoudelijk als praktisch waardevolle resultaten oplevert. De bevindingen maken duidelijk dat biobased coatings nog niet op het niveau zijn om traditionele brandbeveiligingsmaatregelen te vervangen. Hun toepassing ligt vooral in combinatie met andere maatregelen, waarbij terughoudendheid nu nog op zijn plaats is.
Nieuw: publieksprijs
De scriptieprijs van het NIPV en de Vereniging van Brandveiligheidsadviseurs (VVBA) is op 25 juni voor de veertiende keer uitgereikt tijdens het Internationaal Congres Fire Safety & Science. Dit jaar werd er voor de eerste keer ook een publieksprijs uitgereikt. De scriptie van Laura Dohmen kreeg ook de meeste stemmen van de congresdeelnemers.
Innovatieve en spraakmakende master- of bachelorthesis
De NIPV-VVBA-scriptieprijs is ingesteld voor de meest innovatieve, spraakmakende, relevante of fundamentele master- of bachelorthesis over brandveiligheid. Aan de prijs is een bedrag verbonden van € 1.200, te besteden aan een Fire Safety Engineering (FSE) gerelateerd onderwerp, zoals een cursus, studiereis of studieboeken.
Lees de winnende scripties
Download de winnende scripties en de scripties van de andere genomineerden op de website van de Stichting Fellow FSE.
Bekijk ook
Lessen voor toekomstige natuurbranden in Nederland
25 juni 2026
Op 3 april 2025 ontstond in de middag een natuurbrand op de Edese heide. Het vuur breidde zich mede door de weersomstandigheden snel uit. De brandweer schaalde al gauw op naar ‘zeer grote brand’. Een aantal kennisinstituten onderzocht of er lessen uit deze brand zijn te trekken voor toekomstige natuurbranden. Een belangrijke les: natuurbranden in Nederland vragen om een brede, integrale kennisontwikkeling met ruimte voor het leren van ervaringen en het omgaan met onzekerheden.

Aanleiding voor het onderzoek
In Nederland komen steeds vaker en langer periodes van droogte voor. Hierdoor nemen het aantal en de intensiteit van natuurbranden toe. En wordt de impact op onze dichtbevolkte samenleving steeds groter. Het is belangrijk om te leren van huidige branden om de ongewenste gevolgen van toekomstige natuurbranden te beperken. Daarom heeft het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aan een aantal kennisinstituten gevraagd om de brand op de Edese heide te onderzoeken. Het onderzoek is uitgevoerd door Deltares, KNMI, NIPV, Wageningen Universiteit, de provincies Gelderland en Noord-Brabant en Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden.
Onderzoeksaanpak
Het onderzoek bestond uit vier deelprojecten, waarbij experts van de betrokken partijen de natuurbrand steeds vanuit een ander perspectief belichtten: het brandverloop, de brandweerinzet, de impact op de maatschappij en de impact op de natuur. Vervolgens zijn de conclusies en lessen uit de verschillende perspectieven gebundeld, verdiept en vertaald naar een aantal overkoepelende leerpunten.
5 overkoepelende leerpunten
De belangrijkste overkoepelende leerpunten zijn:
- De brand op de Edese heide is exemplarisch voor een natuurbrand
Een overzicht van lessen uit natuurbranden in Nederland en de opvolging hiervan zijn gewenst. - Een natuurbrand kent een aantal onzekerheden
Er moet bij natuurbranden meer rekening worden gehouden met onzekerheden, en met risicoacceptatie. - Natuurbranden verdienen een bredere blik
Het is wenselijk om, naast het brandweerperspectief, aandacht te besteden aan de maatschappelijke impact van natuurbranden. En om de negatieve framing te nuanceren door ook oog te hebben voor kansen voor natuurbeheer. - Er is behoefte aan aanvullende kennis over natuurbranden
Een centrale kennisdatabase en gezamenlijk geformuleerde onderzoeksvragen helpen om gerichter aan kennisontwikkeling te werken. - Het bundelen van expertises levert meerwaarde op
Meerwaarde ontstaat vooral door het samenbrengen en verbinden van expertises. Juist de samenhang vormt een gezamenlijke basis voor praktijk, bestuur en wetenschap.
Lees het rapport
Bekijk ook
Release LCMS 2026 Q3 30.5 – Oefenomgeving
24 juni 202
Op dinsdag 30 juni wordt de release LCMS 2026 Q3 – 30.5 uitgerold op de Oefenomgeving van het LCMS. In het liveblog onderaan dit bericht houden we je tijdens de uitrol op de hoogte van de voortgang.
Planning release
Er is sprake van downtime. Houd daarom rekening met het volgende:
- Zowel de Oefen- als de Operationele omgeving zijn op dinsdag 30 juni vanaf 09:00 uur niet beschikbaar.
- De Operationele omgeving is naar verwachting vanaf 12:00 uur weer beschikbaar.
- Maak voor een geplande oefening in de middag tijdelijk gebruik van de Operationele omgeving. Vermeld daarbij duidelijk ‘Oefening’ in de naam van de activiteit.
- De Oefenomgeving is naar verwachting vanaf 16:00 uur weer beschikbaar.
Inhoud release
In dit bericht vind je meer informatie over de inhoud van de release.
Vragen?
Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan contact op met de beheerder van jouw organisatie.
De uitrol van de release is gestart
Via dit liveblog volg je de voortgang van de Release LCMS 2026 Q3 – 30.5 op de Oefenomgeving.
Blus- en koelwater bij batterijbranden vaak verontreinigd
24 juni 2026
Blus- en koelwater dat vrijkomt bij de bestrijding van branden met lithium-ion batterijen en elektrische voertuigen bevat vaak schadelijke stoffen waarbij vaak sprake is van vervuild afvalwater. Dat blijkt uit onderzoek van het NIPV.

Het NIPV onderzocht door middel van een literatuurstudie en praktijkmetingen de vervuiling van blus- en koelwater bij branden met batterijen en elektrische voertuigen. Bluswater is het bij het blussen vrijkomende water dat in de omgeving terechtkomt. Onder koelwater wordt verstaan: water in een bak of dompelcontainer waarin instabiele batterijen of elektrische voertuigen ter koeling worden ondergedompeld.
Behoefte aan duidelijkheid
De kennis ontbrak over de samenstelling en mogelijke vervuiling van blus- en koelwater na batterijbranden van elektrische voertuigen. Brandweermedewerkers troffen bij sommige batterijbranden sterk verhoogde pH-waarden aan, terwijl die bij andere incidenten niet werden aangetroffen. Tegelijkertijd verschenen internationale onderzoeksresultaten waaruit bleek dat bluswater bij batterijbranden hoge concentraties zware metalen kan bevatten.
Ook internationaal en in de wetenschap blijkt er geen eenduidigheid te bestaan over de vervuiling van het blus- en koelwater. Met deze studie draagt het NIPV bij aan de (internationale) kennisopbouw over de aard en mate van vervuiling van gebruikt koel- en bluswater.
Schadelijke stoffen aangetroffen
Er is literatuuronderzoek uitgevoerd en er zijn acht metingen verricht. Er wordt daardoor inzicht gegeven in de concentraties van vooraf geselecteerde schadelijke stoffen bij het vervuilde koel- en/of bluswater na branden met batterijen en elektrische autobranden waarbij het li-ion batterijpakket betrokken is geweest.
Uit de literatuurstudie blijkt dat bij batterijbranden milieubelastende stoffen kunnen vrijkomen en dat concentraties vaak boven gangbare milieukundige grenswaarden liggen. Het gaat hierbij om zware metalen (nikkel, mangaan, kobalt en koper), lithium, fluoride en PFAS. Tevens is in veel gevallen sprake van een hoge pH-waarde, wat wijst op licht tot matig basische eigenschappen van het water.
De praktijkmetingen bestonden uit monsternames van het koelwater uit dompelcontainers voor elektrische auto’s. In alle onderzochte praktijkmonsters werden verhoogde concentraties aangetroffen van zware metalen (nikkel, mangaan en kobalt), lithium, fluoride en PFAS ten opzichte van normen voor oppervlaktewater en drinkwater.
De concentraties kunnen echter sterk verschillen per incident. Die verschillen hangen onder meer samen met de mate waarin batterijcellen zijn beschadigd en de hoeveelheid contact tussen water en de batterij. Wanneer water direct in contact komt met beschadigde batterijcellen, kunnen hogere concentraties vervuilende stoffen ontstaan.
Aandacht voor milieu en veiligheid
Het NIPV concludeert dat het vrijkomen van gebruikt blus- en koelwater bij batterijbranden met elektrische voertuigen lokaal kan leiden tot schade aan het milieu. Brandweerorganisaties, bergingsbedrijven en andere betrokken partijen doen er goed aan om bij het blussen en koelen van brandende batterijen van elektrische voertuigen rekening te houden met mogelijke lokale verspreiding van schadelijke stoffen in het milieu.
Het onderzoek benadrukt ook het belang van passende persoonlijke beschermingsmiddelen en arbeidshygiënische maatregelen door de brandweer bij werkzaamheden waarbij contact met blus- en koelwater mogelijk is.
Lees het rapport en de factsheet
Bekijk ook
Resultaten Belevingsonderzoek repressief brandweerpersoneel 2025
23 juni 2026
Hoe beleven beroeps en vrijwillige repressieve brandweermensen hun vak? Hoe kijken ze naar ontwikkelingen in hun werk en in de brandweerorganisatie? Dat heeft het NIPV onderzocht, in opdracht van het Veiligheidsberaad. Het rapport met de landelijke resultaten is nu beschikbaar.

Onderzochte thema’s
In totaal hebben 3.898 brandweermensen (17 procent van al het repressief brandweerpersoneel) deelgenomen aan het belevingsonderzoek. De onderzochte thema’s zijn: betrokkenheid en beleving van het brandweerwerk, vrijwilligersbeleid, organisatiecultuur, verhouding werkvloer en leiding, regelruimte, vakbekwaamheid, werkdruk en veilig en gezond werken.
Alles bij elkaar genomen zijn de respondenten tevreden met hun werkzaamheden bij de brandweer, zij beoordelen die met een 7,6. Ook zijn ze tevreden met de organisatie van de brandweer in hun veiligheidsregio (6,8). Uit het onderzoek komen ook aanknopingspunten om de tevredenheid te optimaliseren. Het algemeen beeld van 2025 komt overeen met dat van de eerdere onderzoeken uit 2017 en 2021.
Vragenlijst en groepsgesprekken
Het belevingsonderzoek bestond uit twee delen: een digitale vragenlijst en groepsgesprekken. Om de inzichten uit de vragenlijst te verdiepen zijn er 3 online groepsgesprekken (focusgroepen) georganiseerd. Hieraan hebben 22 repressieve brandweermensen deelgenomen.
Stuurgroep
Het NIPV heeft het onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Veiligheidsberaad, onder begeleiding van een breed samengestelde stuurgroep. In deze stuurgroep zaten vertegenwoordigers van de vakbonden (FNV/CNV), de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV), de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV), de bestuurlijke adviescommissie (BAC) Brandweer en het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Algemeen beeld belevingsonderzoek 2025
De resultaten laten het volgende zien:
- Ongeveer de helft van de brandweermensen vindt dat de brandweer zich in de goede richting ontwikkelt.
- Brandweermensen voelen waardering van familie, vrienden en kennissen voor hun (vrijwilligers)werk bij de brandweer.
- De meerderheid beveelt de brandweer aan als een fijne plek om te werken.
- Brandweermensen zijn tevreden over de werkzaamheden bij de brandweer, zij beoordelen die met een 7,6.
- De tevredenheid met de organisatie van de brandweer in de regio komt uit op een 6,8.
In een factsheet staan de belangrijkste resultaten per onderzocht thema.
