Nieuw protocol voor laagdrempeliger industrieel incidentonderzoek

Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, juli 2026

Een nieuw onderzoeksprotocol helpt veiligheidsregio’s om industriële incidenten op een proportionele en toegankelijke manier te onderzoeken. Het binnen de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond ontwikkelde protocol is besproken en gedeeld binnen de Werkgroep Incidentonderzoek van het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV) en er komt een ‘best practice’ beschikbaar via de website van het LEC IV. Het protocol richt zich op ‘kleine’ incidentonderzoeken, die de veiligheidsregio’s in gemiddeld twee tot drie werkdagen en met een beperkte onderzoekscapaciteit kunnen uitvoeren.

Michiel Westerbeke van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
Michiel Westerbeke. Foto: Anne Reitsma Fotografie.

Michiel Westerbeke, lid van de werkgroep namens Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) en schrijver van het protocol, verwacht dat met het nieuwe protocol ook regio’s die minder breed in hun onderzoekers zitten in staat zijn om bij meer industriële incidenten een incidentonderzoek uit te voeren. Per saldo levert dit meer data over incidenten op, waarvan het IV-domein kan leren.

Samen leren

“Het belangrijkste verschil tussen een groot en een klein incidentonderzoek is het tijdsbeslag”, legt Westerbeke uit. “Een ‘groot’ onderzoek richt zich op grote en complexe incidenten, die zich kenmerken door grote impact en omgevingseffecten en politiek-bestuurlijke gevolgen. Zulke onderzoeken zijn zeer arbeidsintensief en tijdrovend; ze kunnen weken tot maanden in beslag nemen en vragen dus veel personele capaciteit van de betreffende veiligheidsregio. Omdat ook van kleinere incidenten, die veel vaker voorkomen, kan worden geleerd, was er binnen de werkgroep grote behoefte aan een instrument voor een gerichtere en laagdrempeliger vorm van incidentonderzoek.”

Westerbeke vervolgt: “Bij een klein incidentonderzoek ligt de nadruk op snel en adequaat leren van een incident, samen met het bedrijf. Zowel door verbeterpunten te signaleren als door goede voorbeelden te benoemen. Ook kleinere incidenten kunnen waardevolle inzichten opleveren in technische, organisatorische of communicatieve aspecten die anders onopgemerkt blijven. Een bijkomend doel van het uitvoeren van incidentonderzoek is het vaststellen welke lines of defence (LOD’s) effectief hebben gefunctioneerd en het incident hebben begrensd of gestopt, zodat de werking en effectiviteit van maatregelen kunnen worden beoordeeld. De verkregen inzichten kunnen worden benut bij advisering en vergunningverlening. Daar waar LOD’s niet hebben gefunctioneerd kan worden gekeken naar corrigerende maatregelen. “
De veiligheidsregio kan hierbij verschillende rollen aannemen: vanuit gezamenlijk leren met het bedrijf, als adviseur van het bevoegd gezag en formeel als toezichthouder bij industriële bedrijven. De scope blijft gericht op het functioneren en de werking van organisatorische en technische lines of defence in de incidentbestrijding en de samenwerking met overheidshulpdiensten. “Zo kunnen we uit een groter aantal incidenten lessen trekken en met elkaar delen, wat uiteindelijk het doel is van incidentonderzoek.”

Ammoniaklekkages

Het genoemde protocol is in 2025 ontwikkeld en tussen augustus 2025 en eind mei dit jaar heeft de VRR in totaal 11 incidenten in de categorie ‘klein’ onderzocht. Dat heeft al aardig wat casuïstiek opgeleverd waarvan kan worden geleerd. Westerbeke noemt onder andere enkele incidenten met lekkages van vloeibare ammoniak aan flenzen, afsluiters en losslangen bij verladingsinstallaties. “Dit is een actueel onderwerp, omdat ammoniak in beeld is als waterstofdrager binnen de energietransitie. De mogelijke gevolgen van een lekkage kunnen groot zijn, waardoor het belangrijk is om incidenten zorgvuldig te onderzoeken en de geleerde lessen te delen.”

Verder vertelt Westerbeke: “Uit de praktijk is gebleken dat de alarmering van omliggende bedrijven door het bedrijf waar een ammoniakincident plaatsvindt niet altijd snel genoeg verloopt. De lessen uit onze onderzoeken hebben geleid tot betere afspraken over de alarmering van buurtbedrijven en de samenwerking tussen bedrijven onderling. Daarnaast kunnen we met de resultaten uit de onderzoeken al voorzichtige conclusies trekken op de effectiviteit van effectbeperkende maatregelen. Deze data kan worden gebruikt voor het onderbouwen van onze adviezen op aanvragen van omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten aan omgevingsdiensten.”

Lessen delen

De Werkgroep Incidentonderzoek is in 2020 gestart. Nu er meer incidentonderzoeken uitgevoerd worden, komt volgens Westerbeke binnen de werkgroep regelmatig de behoefte aan een slimmere manier van delen van lessen uit die onderzoeken op tafel. “Een gestandaardiseerde landelijke methodiek om onderzoeksgegevens te delen is er tot op heden nog niet, want elke regio heeft zijn eigen methodiek en format om resultaten vast te leggen. Binnen de werkgroep delen we resultaten en lessen wel, maar dat gaat nu vooral nog met documenten via de mail. We willen voorkomen dat de lessen beperkt blijven tot de werkgroepleden. Daarom ontwikkelen we dit jaar het format voor een factsheet, waarmee belangrijke lessen en conclusies uit incidentonderzoeken gemakkelijker en breder verspreid kunnen worden binnen het Netwerk Industriële Veiligheid.”

Westerbeke stelt vast dat de afgelopen jaren in veel veiligheidsregio’s flinke stappen zijn gezet in het opzetten en de uitvoering van industrieel incidentonderzoek. Zo loopt er binnen de afdeling Industriële Veiligheid van de VRR een pilot met een dagdienstpiket, waarmee het mogelijk is om snel met een incidentonderzoek te starten. “Deze inrichtingsvorm is wellicht niet in elke veiligheidsregio haalbaar of noodzakelijk. Het nieuwe protocol kan er zeker aan bijdragen om ook bij een kleinere personele bezetting uitvoering te geven aan incidentonderzoeken.“


Project voor GHOR-advies bij vergunningaanvraag voor milieubelastende activiteit (MBA)

Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, juli 2026

Recent is het project ‘GHOR-advies’ gestart. Het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV) verzorgt de projectleiding van het opstellen van een werkwijze voor GHOR-advies bij vergunningaanvragen voor milieubelastende activiteiten (MBA). De projectgroep bestaat uit deelnemers vanuit GHOR Nederland (themagroep Omgevingsveiligheid) en Brandweer Nederland (sector Milieu & Industrie en het netwerk Omgevingsveiligheid). Het project wordt gesubsidieerd vanuit het Ontwikkelbudget Omgevingsveiligheid 2025-2028.

Ambulance
Foto: NIPV.

Nieuwe, aanvullende beoordelingsregel

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt een nieuwe, aanvullende beoordelingsregel: bij vergunningaanvragen voor MBA’s moet het bevoegd gezag beoordelen of de geneeskundige hulpverlening aan personen voldoende is geborgd. Dit betreft milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen die leiden tot externe veiligheidsrisico’s uit bijlage III van artikel 4.33 van het Omgevingsbesluit.

Handreiking voor GHOR-advies

Het project ‘GHOR-advies’ heeft tot doel om een handreiking op te stellen voor het GHOR-advies bij vergunningverlening MBA. Zowel proces als inhoud van deze werkwijze wordt uitgewerkt. Dit onderwerp vraagt een samenspel tussen Risicobeheersing en GHOR in de veiligheidsregio. Met als doel dat dit nieuwe aspect geïntegreerd wordt in het advies van de veiligheidsregio aan het bevoegd gezag. Omdat ervaring en methodieken nog niet beschikbaar zijn, worden ook inhoudelijke kaders, formats en standaard ontwikkeld.

Werksessies in najaar

De projectgroep bestaat, naast het LEC IV, uit vertegenwoordiging van een aantal landelijke netwerken. Dit zijn vanuit GHOR Nederland de themagroep Omgevingsveiligheid en vanuit Brandweer Nederland de netwerken Omgevingsveiligheid en de sector Milieu & Industrie. De projectgroep geeft sturing aan de uitvoering van het project en het ontwikkelen van de activiteiten. Via de netwerken worden inhoudelijke informatie en input opgehaald in het land. Hiervoor zal ook een aantal werksessies worden georganiseerd in het najaar van 2026.

Looptijd tot 2028

Het project heeft een looptijd tot 2028 en de ontwikkelde producten zullen via het LEC IV en de betrokken netwerken landelijk gedeeld worden.


Traineeship Omgevingsveiligheid afgesloten, veel animo voor tweede ronde

Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, juli 2026

Op 5 juni jl. is het eerste traineeship Omgevingsveiligheid met een officieel en feestelijk tintje afgesloten. De twaalf trainees, die inmiddels allemaal een baan hebben gevonden bij een veiligheidsregio, kwamen samen met hun begeleiders en andere bij het programma betrokkenen bijeen in het Utrechtse stadskasteel Oudaen. Ondertussen is de werving voor het tweede traineeship dat dit najaar start in volle gang. Met zo’n 360 sollicitatiebrieven in 3 maanden tijd, mag beslist worden gesproken van een overweldigende belangstelling voor een job bij de veiligheidsregio onder afgestudeerde schoolverlaters.

De deelnemers aan het eerste traineeship Omgevingsveiligheid.

Missie geslaagd

Tijdens de afsluitende bijeenkomst in Utrecht ontvingen alle trainees hun certificaat. Twee deelnemers hebben ook al de theoretische NIPV-leergang Specialist ruimtelijke veiligheid afgerond. De overige tien krijgen hun diploma in de komende maanden, na afronding van hun scriptie. Tijdens de middag werd teruggeblikt op het programma, werden ervaringen gedeeld en waren er dankwoorden van de trainees en hun mentoren. De conclusie in een notendop: missie geslaagd! Voor de trainees én de veiligheidsregio’s die via deze weg nieuwe risicobeheersingsspecialisten aan zich hebben kunnen binden voor de taakvelden industriële veiligheid (IV) en omgevingsveiligheid (OV).

Van idee tot traineeship

“En precies dat was de bedoeling van het traineeship”, vat programmamanager Ron Bouwman van het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV) samen. “Het plan om via een traineeship met een gericht kort scholingsprogramma van twee jaar jonge mensen op te leiden tot specialist, werd rond 2022 bedacht in Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. De gedachte was dat de veiligheidsregio’s zo versneld aan nieuwe vakmensen voor industriële- en omgevingsveiligheid konden worden geholpen. Specialismen met veel vacatures die niet eenvoudig vervulbaar bleken. Het idee kreeg direct de interesse van veel andere veiligheidsregio’s en vervolgens is, samen met het LEC IV en het NIPV, besloten een landelijk traineeprogramma op te zetten. Het nu afgeronde traineeship heeft aangetoond dat de regio’s en het NIPV dit samen zeer goed kunnen dragen. Ieder vanuit zijn eigen kennis en expertise. Nu de eerste twaalf deelnemers na hun traineeship allemaal een baan hebben gevonden, mogen we concluderen dat deze aanpak zijn vruchten heeft afgeworpen.”

Alumninetwerk

Het tweejarig traineeship heeft volgens Bouwman niet alleen nieuwe vakmensen opgeleverd voor veiligheidsregio’s met vacatures; het programma heeft ook bijgedragen aan versterking van het landelijk specialistennetwerk IV/OV. “Wat ik mooi vind, is dat na de feestelijke afronding de twaalf nieuwe collega’s allemaal contact houden met elkaar en met hun groep mentoren en begeleiders. Na het gezamenlijk doorgemaakte proces is het een hechte sociale groep geworden die via een ‘alumnistructuur’, zoals je die ook na universitaire opleidingen ziet, bijeen blijft. De nieuwe jonge collega’s willen via periodieke bijeenkomsten kennis en ervaringen blijven delen en kunnen elkaar zo ook gemakkelijker benaderen als zij feedback van anderen willen bij complexe veiligheidsvraagstukken. Zo krijgt het netwerk van IV- en OV-specialisten echt een ‘community karakter’.”

Grote stimulans

Bouwman constateert dat de positieve ervaringen van het eerste traineeship kennelijk een grote stimulans vormen voor schoolverlaters met interesse in een baan in het veiligheidsdomein. Want voor het tweede traineeship, waarvoor de werving in maart is begonnen, blijkt de animo bijzonder groot. Zo kreeg Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond al in de eerste week na de start van de inschrijving 35 enthousiaste sollicitatiebrieven binnen voor de 2 functies waarvoor een traineevacature is. In totaal zijn in de 3 maanden na de start van de aanmeldtermijn al zo’n 360 brieven binnengekomen bij de veiligheidsregio’s. Met dergelijke resultaten kunnen de initiatiefnemers van het tweede traineeship wellicht concluderen dat een baan als risicobeheersingsspecialist bij de veiligheidsregio’s weer ‘sexy’ is.

In totaal hebben 16 veiligheidsregio’s 21 plaatsen opengesteld voor het tweejarige traineeprogramma. Sommige regio’s hebben dus meerdere plaatsen beschikbaar. Naast industriële veiligheid en omgevingsveiligheid kunnen trainees in deze tweede ronde nu ook kiezen voor brandveiligheid als specialisme: eveneens een vakgebied met forse behoefte aan nieuw instromende vakmensen, vanwege de steeds grotere verwevenheid van ruimtelijke veiligheidsvraagstukken met opgaven als woningbouw, aanleg van infrastructuur en de energie- en grondstoffentransitie.

Bouwman: “Het stemt echt heel hoopvol dat er zoveel interesse is voor deze belangrijke vakgebieden voor de veiligheid van Nederland. We hebben nu zelfs bij 2 veiligheidsregio’s een traineeplaats op de wachtlijst staan, omdat de opleidingsgroep maximaal 20 studenten telt. Bij die omvang blijft de ‘klassikale’ theorieopleiding goed beheersbaar, vooral wat betreft het persoonlijk ontwikkelingstraject van de trainees. 2 groepen van elk 10 trainees zijn de maximale omvang om mensen goed persoonlijk te kunnen begeleiden. Overigens behouden we de succesvolle elementen van het eerste traineeship, zoals de werkbijeenkomsten en expertsessies, waarvoor de afgezwaaide trainees heel veel waardering hadden. Verder wordt het algemene theoriedeel wat uitgebreider, zodat de trainees, voordat ze kiezen voor een van de drie taakvelden, allemaal een ruimere gezamenlijke basisvorming krijgen.”


Actualisatie bestuurlijke netwerkkaarten Geneeskundige hulpverlening algemeen en Infectieziekte 

3 juli 2026

De bestuurlijke netwerkkaarten Geneeskundige hulpverlening algemeen en Infectieziekte zijn geactualiseerd. Sinds begin dit jaar fungeren de inspecteurs van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd niet meer als rijksheer. Beide netwerkkaarten en het onderliggende bevoegdhedenschema zijn overeenkomstig aangepast.

De bestuurlijke netwerkkaarten crisisbeheersing zijn een essentieel naslagwerk voor bestuurders en hun adviseurs tijdens crisissituaties. Ze bieden een overzicht van de verantwoordelijkheden en verplichtingen van bestuurders in uiteenlopende sectoren binnen de crisisbeheersing – van rampenbestrijding tot dierziektebestrijding en van vreemdelingenbeleid tot milieubescherming.

Bekijk de netwerkkaarten en het bevoegdhedenschema

Whole of society: de herkomst en betekenis van het begrip

1 juli 2026

Door de toenemende aandacht voor maatschappelijke weerbaarheid en een maatschappijbrede aanpak van crises wordt het begrip whole of society steeds vaker gebruikt in beleid, onderzoek en publieke discussies. Tegelijkertijd blijkt dat niet altijd duidelijk is wat precies met het begrip wordt bedoeld en hoe de betekenis ervan zich heeft ontwikkeld.  

Foto: Shutterstock.

Daarom heeft het NIPV onderzocht waar de term vandaan komt en welke invulling eraan wordt gegeven in wetenschappelijke literatuur en beleidsdocumenten. Het onderzoek biedt inzicht in de oorsprong, ontwikkeling en betekenis van het begrip en draagt daarmee bij aan een beter begrip van de rol die overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers kunnen spelen bij de voorbereiding op, aanpak van en het herstel na crises. 

Oorsprong van het begrip 

De term whole of society werd voor het eerst gebruikt door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in 2009. In een handleiding voor overheden en bedrijven over de voorbereiding op en respons bij pandemieën werd het begrip geïntroduceerd als een manier om verschillende maatschappelijke partijen gezamenlijk te betrekken bij crisisaanpak. 

Sindsdien is de term in tal van internationale beleidsdocumenten terug te vinden, vaak in combinatie met het begrip whole of government. Waar whole of government verwijst naar effectieve samenwerking tussen verschillende overheidsorganisaties, gaat whole of society een stap verder.

Samenwerking tussen overheid, organisaties en burgers 

De kern van een whole-of-society-aanpak is de samenwerking tussen overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers. Deze samenwerking is niet alleen van belang tijdens een crisis, maar ook in de voorbereiding daarop en in de periode van herstel. 

Uit het onderzoek blijkt dat een dergelijke aanpak niet van de ene op de andere dag kan ontstaan. Effectieve samenwerking tijdens crises vraagt om relaties, vertrouwen en afspraken die al in normale omstandigheden worden opgebouwd. De basis voor een maatschappijbrede aanpak moet daarom worden gelegd voordat een crisis zich aandient. 

Van crisispartners naar de hele samenleving 

In de loop der jaren heeft het begrip whole of society een bredere invulling gekregen. Waar aanvankelijk vooral werd gedacht aan samenwerking tussen overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties, worden in recente beleidsdocumenten ook andere partijen nadrukkelijk genoemd. Zo spelen, naast NGO’s, ook onderzoeksinstellingen een belangrijke rol bij het leveren van kennis en expertise. Daarnaast worden gevestigde media gezien als een essentiële schakel in het verspreiden van betrouwbare informatie aan zowel overheden als burgers.  

Lees het onderzoek en de factsheet

30 juni 2026

Op dinsdag 7 juli wordt de release LCMS 2026 Q3 – 30.5 uitgerold op de Operationele omgeving van het LCMS. In het liveblog onderaan dit bericht houden we je tijdens de uitrol op de hoogte van de voortgang. 

Planning release 

Er is geen sprake van downtime. Houd wel rekening met het volgende: 

Inhoud release 

In dit bericht vind je meer informatie over de inhoud van de release. 

Vragen? 

Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan contact op met de beheerder van jouw organisatie. 

Release Operationele omgeving 7 juli
Gestart: 30 juni 2026, 16:25 Aangepast: 7 juli 2026, 13:31

Release LCMS 2026 Q3 – Operationele omgeving

Via dit liveblog volg je de voortgang van de release LCMS 2026 Q3 – 30.5 op de Operationele omgeving.

Nieuwe update

Dit liveblog is gesloten.

Release afgerond

De uitrol op de Operationele omgeving is succesvol afgerond. Dit betekent dat ook de Operationele omgeving weer beschikbaar is.

Vanwege de wijzigingen adviseren wij je de cache en cookies te wissen.

Heb je vragen over deze release? Neem dan contact op met de beheerder van jouw eigen organisatie. De organisatiebeheerder heeft de contactgegevens van het NIPV en kan contact met ons opnemen.

Vanwege de release is de Operationele omgeving momenteel (tussen 09:00-16:00 uur) niet beschikbaar.

Uitrol gestart

We zijn gestart met de uitrol van de Release LCMS 2026 Q3 – 30.5 op de Operationele omgeving.

Ontwikkeling landelijke richtlijn nazorg en herstel: de eerste stappen zijn gezet

30 juni 2026

Hoe zorg je ervoor dat getroffen inwoners, organisaties en overheden na een ramp of crisis de juiste ondersteuning krijgen? Om gemeenten, veiligheidsregio’s en hun partners hierbij beter te ondersteunen, werken het NIPV, ARQ en het RIVM aan een landelijke richtlijn voor nazorg en herstel.

Foto: ANP.

Sinds maart 2026 onderzoeken de kennisinstituten, gesubsidieerd door het European Union Civil Protection Mechanism (UCPM), hoe crisisautoriteiten de nafase van een crisis of ramp samenhangend en effectief kunnen vormgeven. De eerste resultaten van het project zijn inmiddels beschikbaar.

Internationale kennis als basis

Een belangrijke eerste stap voor het NIPV en ARQ was het in kaart brengen van internationaal beschikbare raamwerken voor nazorg en herstel. Uit een literatuuronderzoek zijn 9 relevante raamwerken geselecteerd en geanalyseerd. Deze raamwerken richten zich enerzijds op de brede organisatie van nazorg en herstel en anderzijds op specifieke thema’s binnen de nafase.

De analyse laat zien dat veel van de beschikbare bouwstenen ook bruikbaar zijn voor crisisautoriteiten in Nederland. Denk aan faseringen, thema’s en uitdagingen die wereldwijd terugkomen in herstelprocessen. Tegelijkertijd blijkt dat de behoeften van getroffen inwoners in de meeste raamwerken nog beperkt zijn uitgewerkt.

Inzicht in herstelbehoeften van getroffenen

Daarnaast onderzoekt het NIPV samen met het RIVM welke gegevens nodig zijn om de nafase beter datagedreven te ondersteunen. Uit deskresearch komt naar voren dat factoren zoals mentale en fysieke gezondheid, financiële omstandigheden, geleden schade en de persoonlijke situatie vóór een crisis een belangrijke rol spelen bij herstel.

Er zijn bovendien sterke verschillen tussen hersteltrajecten van getroffenen. Waar sommige mensen relatief snel herstellen, hebben anderen meer tijd nodig of houden zij langdurige klachten. In de komende maanden worden deze inzichten verwerkt in een statistisch model. Ook wordt onderzocht welke databronnen beschikbaar zijn om dit model te voeden.

Met behulp van deze inzichten kunnen crisisorganisaties al tijdens of kort na een crisis beter inschatten welke ondersteuning nodig is, welke groepen daaraan behoefte hebben en hoe beschikbare capaciteit effectief kan worden ingezet.

Vervolg van het project

De komende periode richt het project zich op het verzamelen van ervaringen uit landelijke en bovenregionale casuïstiek. Ook worden stakeholders geraadpleegd over hun behoeften en verwachtingen over de richtlijn, onder meer via de zogeheten Delphi-methode.

Daarnaast ontwikkelt het NIPV samen met stakeholders verschillende scenario’s die bijdragen aan de verdere uitwerking van de richtlijn. Deze scenario’s vormen later ook de basis voor trainingsmodules en oefeningen voor de toekomstige gebruikers.

Wilt u meedoen aan het Delphi-onderzoek en/of de ontwikkeling van scenario’s, dan kunt u zich via dit formulier aanmelden.

Lees het rapport

Samenwerken aan meerlaagsveiligheid als wenkend perspectief voor klimaatveiligheid

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Dit is een samenvatting van het artikel in Water Governance.

Nederland krijgt steeds vaker te maken met extreem weer. Hitte, langdurige droogte, hevige regenval en overstromingen komen niet alleen vaker voor, maar worden ook steeds extremer. De vraag is daarom niet óf deze gebeurtenissen zich opnieuw voordoen, maar hoe goed we erop zijn voorbereid.

Meerlaagsveiligheidsmodel.

In een nieuw artikel in Water Governance laten Joanne Vinke-de Kruijf, adjunct hoogleraar Climate-Resilient Infrastructure Systems aan de Universiteit Twente, en Charlotte van Ruijven, programmamanager Klimaatveiligheid bij het NIPV zien dat de voorbereiding op klimaatrisico’s niet alleen draait om crisisbeheersing. Volgens hen ligt de sleutel in betere samenwerking tussen veiligheidsregio’s, gemeenten, provincies en waterschappen. Het meerlaagsveiligheidsmodel biedt daarvoor een kansrijk perspectief.

Veiligheidsregio’s kunnen het niet alleen

Veiligheidsregio’s spelen een centrale rol bij crisisbeheersing, maar hebben vooral een adviserende positie als het gaat om het voorkomen van klimaatrisico’s. De daadwerkelijke uitvoeringskracht ligt grotendeels bij gemeenten, provincies, waterschappen en andere terreinbeheerders. Tegelijkertijd beschikken veiligheidsregio’s over unieke kennis van risico’s, scenario’s en maatschappelijke impact. Die kennis wordt volgens de auteurs nog onvoldoende benut bij ruimtelijke inrichting en klimaatadaptatie.

Van waterveiligheid naar klimaatveiligheid

Het artikel laat zien dat het meerlaagsveiligheidsmodel, oorspronkelijk ontwikkeld voor waterveiligheid, ook uitstekend toepasbaar is op andere klimaatrisico’s zoals hitte, droogte en natuurbranden.

Het model onderscheidt vijf lagen:

  • Bewustwording van klimaatrisico’s
  • Preventie: risico’s zoveel mogelijk voorkomen
  • Gevolgbeperking door een klimaatrobuuste leefomgeving
  • Crisisbeheersing wanneer incidenten zich voordoen
  • Herstel, waarbij niet alleen wordt teruggebouwd, maar ook wordt geleerd voor de toekomst.

Juist de samenhang tussen deze lagen maakt het model waardevol. Keuzes die vandaag worden gemaakt bij ruimtelijke ontwikkeling hebben immers direct invloed op de inzet van hulpdiensten tijdens toekomstige crises én op het herstel daarna.

Klimaatadaptatie kan ook nieuwe risico’s creëren

Een opvallende boodschap uit het artikel is dat klimaatadaptatiemaatregelen niet automatisch leiden tot meer veiligheid. Vergroening van gebouwen kan bijvoorbeeld bijdragen aan verkoeling, maar tijdens droge perioden ook het risico op brand vergroten. Wadi’s die regenwater opvangen kunnen de bereikbaarheid van hulpdiensten beperken wanneer brandweervoertuigen een wijk niet meer goed kunnen bereiken.

Daarom pleiten de auteurs ervoor om veiligheidsregio’s vroegtijdig te betrekken bij ruimtelijke plannen en klimaatadaptatieprojecten. Zo kunnen mogelijke neveneffecten vooraf worden meegenomen.

Veerkracht begint met samenwerking

Volgens de auteurs draait klimaatveiligheid uiteindelijk om veerkracht. Dit is het vermogen van een samenleving om risico’s te weerstaan, gevolgen op te vangen, snel te herstellen én zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden.

Dat vraagt om intensieve samenwerking tussen organisaties die traditioneel vanuit verschillende verantwoordelijkheden werken. Gemeenten richten zich op ruimtelijke ontwikkeling, waterschappen op waterbeheer en veiligheidsregio’s op crisisbeheersing. Door deze perspectieven eerder bij elkaar te brengen ontstaat een completer beeld van risico’s en kunnen effectievere maatregelen worden genomen. Praktijkervaringen laten zien dat gezamenlijke workshops en gebiedsanalyses niet alleen leiden tot betere oplossingen, maar ook tot meer wederzijds begrip en risicobewustzijn.

Van adviseren naar gezamenlijk ontwerpen

De auteurs concluderen dat samenwerking verder moet gaan dan het uitwisselen van adviezen. Klimaatveiligheid vraagt om gezamenlijke processen waarin overheden en andere partijen samen risico’s, kwetsbaarheden en mogelijke oplossingen verkennen.

Dat is geen eenvoudige opgave. Iedere organisatie werkt vanuit eigen wetgeving, belangen en werkwijzen. Toch is juist die samenwerking noodzakelijk om de uitvoeringskracht te vergroten. Ontwerpend onderzoek, gezamenlijke experimenten en vroegtijdige betrokkenheid bij gebiedsontwikkelingen kunnen daarbij helpen.

De boodschap is helder: klimaatveiligheid is niet de verantwoordelijkheid van één organisatie. Alleen door waterbeheer, ruimtelijke ordening en publieke veiligheid structureel met elkaar te verbinden, kan Nederland zich voorbereiden op de klimaatrisico’s van de toekomst.

Scriptie over gebruik van biobased coatings in houten gevels winnaar NIPV-VVBA-scriptieprijs 2026

25 juni 2026

Laura Dohmen van de TU Eindhoven heeft met haar masterscriptie over de toepassing van biobased coatings in houten gevels de NIPV-VVBA-scriptieprijs 2026 gewonnen. “De scriptie behandelt een actueel en relevant onderwerp dat goed aansluit bij de groeiende aandacht voor duurzaamheid in de bouw. Uit het onderzoek blijkt dat biobased coatings kunnen bijdragen aan de brandveiligheid van houten gevels, maar dat ze vooral in combinatie met andere maatregelen moeten worden toegepast. Juist deze genuanceerde conclusie maakt het onderzoek spraakmakend en relevant voor de praktijk”, aldus het juryrapport.

V.l.n.r. Benno Geerdink, Deerns (namens de VVBA), Esmée van Panhuis, Laura Dohmen, Merel van Benthem en Ricardo Weewer, NIPV.

Ontsteking vertragen en branduitbreiding beperken

In een helder opgezet en zorgvuldig uitgevoerd onderzoek laat Dohmen zien dat biobased coatings daadwerkelijk een bijdrage kunnen leveren, met name door het vertragen van ontsteking en het beperken van branduitbreiding. Daarbij geeft ze, op basis van kleinschalige experimenten, inzicht in het brandgedrag van behandeld hout, waarmee de studie zowel inhoudelijk als praktisch waardevolle resultaten oplevert. De bevindingen maken duidelijk dat biobased coatings nog niet op het niveau zijn om traditionele brandbeveiligingsmaatregelen te vervangen. Hun toepassing ligt vooral in combinatie met andere maatregelen, waarbij terughoudendheid nu nog op zijn plaats is.

Nieuw: publieksprijs

De scriptieprijs van het NIPV en de Vereniging van Brandveiligheidsadviseurs (VVBA) is op 25 juni voor de veertiende keer uitgereikt tijdens het Internationaal Congres Fire Safety & Science. Dit jaar werd er voor de eerste keer ook een publieksprijs uitgereikt. De scriptie van Laura Dohmen kreeg ook de meeste stemmen van de congresdeelnemers.

Innovatieve en spraakmakende master- of bachelorthesis

De NIPV-VVBA-scriptieprijs is ingesteld voor de meest innovatieve, spraakmakende, relevante of fundamentele master- of bachelorthesis over brandveiligheid. Aan de prijs is een bedrag verbonden van € 1.200, te besteden aan een Fire Safety Engineering (FSE) gerelateerd onderwerp, zoals een cursus, studiereis of studieboeken.

Lees de winnende scripties

Download de winnende scripties en de scripties van de andere genomineerden op de website van de Stichting Fellow FSE.

Lessen voor toekomstige natuurbranden in Nederland

25 juni 2026 (bijgewerkt op 9 juli 2026)

Op 3 april 2025 ontstond in de middag een natuurbrand op de Edese heide. Het vuur breidde zich mede door de weersomstandigheden snel uit. De brandweer schaalde al gauw op naar ‘zeer grote brand’. Een aantal kennisinstituten onderzocht of er lessen uit deze brand zijn te trekken voor toekomstige natuurbranden. Een belangrijke les: natuurbranden in Nederland vragen om een brede, integrale kennisontwikkeling met ruimte voor het leren van ervaringen en het omgaan met onzekerheden.

Brand op Edese heide, april 2025
Brand op Edese heide in april 2025. Foto: Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden.

Aanleiding voor het onderzoek

In Nederland komen steeds vaker en langer periodes van droogte voor. Hierdoor nemen het aantal en de intensiteit van natuurbranden toe. En wordt de impact op onze dichtbevolkte samenleving steeds groter. Het is belangrijk om te leren van huidige branden om de ongewenste gevolgen van toekomstige natuurbranden te beperken. Daarom heeft het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aan een aantal kennisinstituten gevraagd om de brand op de Edese heide te onderzoeken. Het onderzoek is uitgevoerd door Deltares, KNMI, NIPV, Wageningen Universiteit, de provincies Gelderland en Noord-Brabant en Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden.

Onderzoeksaanpak

Het onderzoek bestond uit vier deelprojecten, waarbij experts van de betrokken partijen de natuurbrand steeds vanuit een ander perspectief belichtten: het brandverloop, de brandweerinzet, de impact op de maatschappij en de impact op de natuur. Vervolgens zijn de conclusies en lessen uit de verschillende perspectieven gebundeld, verdiept en vertaald naar een aantal overkoepelende leerpunten.

5 overkoepelende leerpunten

De belangrijkste overkoepelende leerpunten zijn:

  1. De brand op de Edese heide is exemplarisch voor een natuurbrand
    Een overzicht van lessen uit natuurbranden in Nederland en de opvolging hiervan zijn gewenst.
  2. Een natuurbrand kent een aantal onzekerheden
    Er moet bij natuurbranden meer rekening worden gehouden met onzekerheden, en met risicoacceptatie.
  3. Natuurbranden verdienen een bredere blik
    Het is wenselijk om, naast het brandweerperspectief, aandacht te besteden aan de maatschappelijke impact van natuurbranden. En om de negatieve framing te nuanceren door ook oog te hebben voor kansen voor natuurbeheer.
  4. Er is behoefte aan aanvullende kennis over natuurbranden
    Een centrale kennisdatabase en gezamenlijk geformuleerde onderzoeksvragen helpen om gerichter aan kennisontwikkeling te werken.
  5. Het bundelen van expertises levert meerwaarde op
    Meerwaarde ontstaat vooral door het samenbrengen en verbinden van expertises. Juist de samenhang vormt een gezamenlijke basis voor praktijk, bestuur en wetenschap.

Lees het rapport