“De ramp na de ramp krijgt nog veel te weinig aandacht”

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Daan Prevoo, burgemeester van Gemeente Valkenburg aan de Geul, spreekt vijf jaar na de overstromingen van 2021 nog altijd over de nafase. Niet omdat de crisis nog voortduurt, maar omdat de gevolgen voor inwoners, organisaties en de leefomgeving nog steeds voelbaar zijn. Volgens hem besteden veiligheidsregio’s, gemeenten en crisisprofessionals te weinig aandacht aan het voorbereiden op een nafase.

De nafase begint eerder dan we denken en duurt langer dan we beseffen

“Wat uitdagend is aan de nafase is dat niemand precies kan definiëren wanneer die begint, hoe lang deze duurt en wanneer deze eindigt. In mijn optiek zitten wij vijf jaar later nog steeds in de nafase. Voor sommige slachtoffers eindigt die zelfs nooit.”

Volgens Prevoo ligt de focus in crisisbeheersing vooral op de acute fase. “We hebben in Nederland veel georganiseerd voor de crisis zelf. Maar de ramp ná de ramp krijgt stelselmatig veel minder aandacht. Terwijl juist daar de langdurige gevolgen zichtbaar worden. Ik zag dat direct na de overstromingen gebeuren. Terwijl hulpdiensten vertrokken en veel organisaties terugkeerden naar hun reguliere werkzaamheden, begon voor duizenden inwoners juist de zwaarste periode.”

“Ik zag mensen hun complete leven op straat zetten. Fotoalbums, kinderfietsen, diploma’s, persoonlijke bezittingen. Alles wat een huis tot een thuis maakt. Mensen waren niet alleen spullen kwijt, maar ook een deel van hun geschiedenis.”

Neem als overheid de regie

Een van de belangrijkste lessen die Prevoo heeft geleerd, is dat de overheid in de nafase zichtbaar aanwezig moet blijven.“Mijn eerste principe zou zijn: de overheid blijft in de lead. Ook in de nafase. Ik ben niet alleen burgemeester, maar ook burgervader. Als je mensen in zo’n situatie achterlaat met de boodschap dat ze vooral zelfredzaam moeten zijn, dan doe je geen recht aan wat zij hebben meegemaakt. Ik snap waar het vandaan komt, maar niet iedereen is even zelfredzaam. Mensen zijn hun administratie kwijt, hun telefoon kwijt, hun verzekeringspapieren kwijt. Dan kun je niet verwachten dat ze meteen zelf oplossingen gaan organiseren. In Valkenburg werd daarom een speciaal nafaseteam ingericht dat zich ruim een jaar bezighield met herstel, ondersteuning en coördinatie.”

Psychosociale hulp is meer dan een gesprek met een hulpverlener

Volgens Prevoo wordt psychosociale ondersteuning vaak te beperkt geïnterpreteerd.“Natuurlijk moet je maatschappelijke werkers, therapeuten en welzijnsorganisaties inzetten. Maar psychosociale hulp is ook iemand helpen begrijpen hoe een verzekering werkt. Of uitleggen welke stappen iemand moet zetten om schade vergoed te krijgen.  Onzekerheid maakt mensen kwetsbaar. Slachtoffers weten vaak niet waar ze moeten beginnen. En precies op dat moment verschijnen de oplichters.”

De oplichters komen ook

Een onderwerp waar volgens Prevoo nauwelijks aandacht voor bestaat binnen crisisbeheersing, is de criminaliteit die na een ramp ontstaat.“De aasgieren cirkelen als eerste boven het rampgebied. Dat klinkt hard, maar zo heb ik het ervaren. Ik heb gezien hoe malafide aannemers, nep-adviseurs en zelfbenoemde experts misbruik maakten van de situatie. Mensen kregen te horen dat ze snel een vloer konden krijgen of direct geholpen konden worden als ze alvast betaalden. Vervolgens zagen ze die mensen nooit meer terug.”

“Ook zogenaamde schade-experts maakten misbruik van slachtoffers. Mensen kregen te horen dat ze namens de burgemeester waren gestuurd. Een handtekening zetten kostte hen honderden euro’s zonder dat ze het beseften. Crisisprofessionals moeten zich realiseren dat criminaliteit en uitbuiting een vast onderdeel van de nafase kunnen zijn. Daar moet je op voorbereid zijn.”

Informele hulp is onmisbaar én ingewikkeld

Een ander inzicht betreft de enorme hoeveelheid spontane hulp die op gang komt na een ramp.“We hadden honderden vrijwilligers uit het hele land. Mensen met bezems, scheppen, voedsel, voertuigen en materialen. Mensen die gewoon wilden helpen.”

Volgens Prevoo wordt de complexiteit die deze informele hulp brengt, vaak onderschat. “De vraag is niet óf die hulp komt, maar hoe je die organiseert zonder dat formele hulpverlening wordt belemmerd. Er meldden zich veteranen om te helpen, er waren boeren die met tractoren evacuaties ondersteunden en toeristen die hun vakantie onderbraken om puin te ruimen. Je kunt en wilt dan niet zeggen dat mensen niet mogen helpen. Maar je moet wel nadenken hoe je die energie op een goede manier benut. Tegelijkertijd zagen we ook dat spontane initiatieven soms ontspoorden. Sommige mensen begonnen geld in te zamelen of goederen te verzamelen zonder toezicht. Een deel daarvan kwam uiteindelijk niet terecht waar het bedoeld was.”

Waarom oefenen we dit niet?

Misschien wel de belangrijkste vraag die Prevoo stelt, is waarom de nafase nauwelijks wordt geoefend. “We oefenen dit niet. Who cares?” Zijn antwoord klinkt scherp, maar komt voort uit ervaring.“We oefenen evacuaties, crisisstructuren en opschalingen. Maar de periode daarna duurt vaak veel langer en heeft minstens zoveel impact. Daar zouden veiligheidsregio’s veel meer aandacht aan moeten besteden. Daarbij gaat het niet alleen om procedures, maar vooral om verantwoordelijkheden, dilemma’s en menselijk handelen.Wie neemt de regie? Hoe ondersteun je slachtoffers? Hoe ga je om met vrijwilligers? Hoe voorkom je uitbuiting? Hoe organiseer je herstel? Dat zijn allemaal vragen die pas na de crisis echt zichtbaar worden.”

De belangrijkste les

Vijf jaar na de overstromingen is de belangrijkste boodschap van Prevoo nog altijd dezelfde. “Een crisis eindigt niet wanneer de oorzaak weg is. Dan begint voor veel mensen pas de echte opgave. Als we klimaatrisico’s serieus nemen, moeten we niet alleen nadenken over de crisis zelf, maar ook over alles wat daarna komt. Juist daar ligt nog een enorme opgave voor veiligheidsregio’s, gemeenten en bestuurders.”

Update uit het netwerk

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Hoi allemaal,

Zoals in de vorige nieuwsbrief door Lana al aangekondigd werd, ben ik sinds kort covoorzitter van het netwerk. Ik werk voor de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, waar ik ben binnengekomen als beleidsmedewerker veilige leefomgeving maar waar ik mij sinds kort helemaal op het onderwerp klimaatveiligheid mag richten. Ik sluit al meerdere jaren aan bij het netwerk en vind het ontzettend leuk om hier nog meer mee bezig te zijn.

Netwerkdag klimaatveiligheid 9 juni.

Deze maand kwamen we weer samen voor een energieke en goed gevulde netwerkbijeenkomst klimaat- en waterveiligheid. In de sfeervolle omgeving van De Observant in Amersfoort kwamen we met een brede groep collega’s uit het hele land samen.

Wat mij iedere bijeenkomst weer opvalt, is de betrokkenheid binnen ons netwerk. Klimaatveiligheid raakt steeds meer beleidsterreinen en organisaties. Daarom is het zo waardevol om samen te komen, ervaringen te delen en elkaar te inspireren. Ook deze bijeenkomst liet zien hoeveel kennis en enthousiasme er aanwezig is.

De ochtend stond in het teken van een aantal actuele en uiteenlopende thema’s.

En last but not least: en aantal studenten van de Thorbecke Academie NHL Stenden Hogeschool namen ons mee in de organisatie van hun Hackathon Klimaatveiligheid.

We begonnen met een presentatie over hittekracht door het KNMI. Hitte vormt een steeds grotere uitdaging voor onze samenleving en vraagt om een andere manier van kijken naar risico’s, kwetsbaarheid en voorbereiding, ook voor de hulpdiensten zelf. Onze operationele collega’s kunnen hierdoor ook ernstig geraakt worden.

Het Landelijk Team Natuurbrandanalisten nam ons mee in de recente natuurbranden in Nederland. Een tot nu toe ongekende schaal. Aan de hand van actuele voorbeelden werd duidelijk hoe de risico’s veranderen en hoe weersomstandigheden eraan bij dragen. Een goed voorbeeld van hetgeen wat wij meegeven vanuit het klimaatveiligheid netwerk: De ons bekende risico’s zijn aan het veranderen met het veranderende klimaat en daarmee verandert ook de context waarin wij als hulpdiensten ons werk uit moeten voeren.

Ook kregen we inkijk in het Dashboard Dijkdoorbraak en Overstromingen van de VRGZ. Dit dashboard helpt om meer inzicht te creëren en bij te dragen aan de voorbereiding bij overstromingsscenario’s.

We hebben het gehad over het nieuwe onderzoek over de Wildland Urban Interface in Nederland, kennen jullie dit al? Zo niet, deze is terug te kijken via deze link

In de middag zijn we praktisch aan de slag gegaan met een werksessie rondom klimaatveiligheid meenemen in een omgevingsprogramma. Aan drie tafels zijn we ingegaan op de omgevingswetinstrumenten en hoe deze in elkaar doorlopen, op wat je zou adviseren aan gemeenten om op te nemen in hun omgevingsprogramma over klimaatveiligheid en op voorbeelden van gemeenten die al bezig zijn met programma’s. De discussies lieten zien dat er nog veel te ontdekken valt, maar vooral ook dat er binnen het netwerk veel kennis en ervaring aanwezig is om hierin gezamenlijk stappen te zetten. Een punt dat hier naar voren kwam is het belang van de rolverdeling bij de omgevingswetinstrumenten tussen de verschillende partners en dat gemeenten goed zicht moeten hebben over de onderwerpen waarover de veiligheidsregio kan adviseren, zo ook klimaatveiligheid.

Als laatste zijn we meegenomen in de wereld van de Politie op het onderwerp klimaatveiligheid en de mogelijke gevolgen voor de openbare orde en veiligheid. Een waardevolle afsluiting die nogmaals liet zien dat klimaatveiligheid vraagt om een brede, multidisciplinaire aanpak.

Persoonlijk kijk ik met veel plezier terug op deze bijeenkomst. De openheid waarmee kennis wordt gedeeld en de bereidheid om elkaar verder te helpen is precies waarom dit netwerk zo goed werkt. We zijn niet alleen bezig met het verkennen van het thema, maar werken ook actief aan de toepassing ervan in de regio’s. Daarmee groeit klimaatveiligheid stap voor stap uit tot een vanzelfsprekend onderdeel van ons werk.

Dank aan alle sprekers voor jullie bijdrage. En natuurlijk ook aan iedereen die actief meedacht, vragen stelde en ervaringen deelde.

Mede namens de kerngroep en Lana,

Tot snel,

Nanette Verburg

P.S. Heb je vragen of ideeën voor het netwerk? Neem dan contact op met je coalitievertegenwoordiger in de kerngroep. Heb je hun contactgegevens niet, laat het ons weten. Je kunt ons bereiken via: lana.garrels@veiligheidsregioaa.nl & nanette.verburg@vr-rr.nl

Blog: Vooruitkijken in een tijd die sneller verandert dan onze ogen kunnen bijhouden

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Uit: burgemeestersblad editie mei 2026
Tekst: Annemieke Nijhof, Algemeen directeur Deltares

Annemieke is sinds 2020 algemeen directeur van Deltares. En werkt al bijna dertig jaar aan verschillende aspecten van een duurzame leefomgeving.

Elektriciteitsmast in een weiland.

De afgelopen jaren hebben ons opnieuw wakker geschud. We kregen uitzonderlijke neerslag en overstromingen, langdurige droogte waardoor sluizen niet meer open konden, verzakkingen door lage grondwaterstanden, scheepvaart die stilviel en natuurbranden met grote ecologische schade als gevolg. Daarnaast zien we steeds vaker dat één incident niet op zichzelf staat. Uitval van elektriciteit kan leiden tot uitval van telecommunicatie, met gevolgen voor de inzet van hulpdiensten. Onze systemen zijn sterker verweven dan waarmee we lang rekening hielden.

In het recente Deltares-rapport over klimaatdreigingen en cascade-effecten maakten we dat opnieuw zichtbaar. We tonen hoe de effecten van langdurige droogte, hittegolven en natuurbranden elkaar kunnen versterken, en hoe een lokaal probleem kan uitgroeien tot regionale of zelfs landelijke impact wanneer vitale infrastructuren geraakt worden. Klimaatdreigingen komen steeds vaker samen voor. Ze stapelen, versterken elkaar en leggen waarheden bloot die lang impliciet zijn gebleven.

Dat vraagt niet om somberheid, maar om realisme. We kunnen extreme klimaat- of natuurgebeurtenissen niet uitsluiten. Wat we wél kunnen, is hiermee rekening houden, de gevolgen beperken en onze systemen zo organiseren dat we sneller herstellen wanneer er iets misgaat.

Langs drie lijnen zie ik urgente opgaven, én kansen om samen sterker te worden.

1. Klimaatadaptatie integreren met crisisrespons

We hebben lang gedacht in stappen: eerst voorkomen, dan voorbereiden, dan reageren. Maar het klimaat volgt onze volgorde niet. Droogte loopt door in hitte. Droogte vergroot de kans op natuurbrand. Natuurbrand en hitte kunnen leiden tot lokale uitval van stroom, en daarmee na verloop ook van telecommunicatie.

Toen we dit scenario doorleefden met partners, zagen we dat dit leidde tot druk op de zorg, bereikbaarheid, drinkwater en energievoorziening. Allemaal tegelijk.

Het vraagt van ons dat we klimaatadaptatie en crisisbeheersing niet langer als twee werelden beschouwen. Bij keuzes voor grote aanpassingen aan onze infrastructuur, zoals dijkversterkingen, waterberging, koelte, infrastructuur en ruimtelijke inrichting, moeten we ook rekening houden met de effecten tijdens crises. Daarmee vergroten we niet alleen onze bescherming, maar ook onze flexibiliteit wanneer een situatie omslaat. Adaptatie en respons zijn geen aparte hoofdstukken.

2. Meerlaagsveiligheid: ruimtelijke keuzes zíjn veiligheidskeuzes

Nederland is groot geworden door te leren na impactvolle gebeurtenissen, met innovatieve oplossingen: de Afsluitdijk, Deltawerken en Ruimte voor de Rivier. Maar de vraag die nu voorligt, is of we opnieuw willen wachten tot we gedwongen worden tot ingrijpen.

We hebben in Nederland beperkte ruimte voor aanpassingen en er zijn grenzen aan wat ons water- en bodemsysteem aan kan. In natte perioden raken buffergebieden vol. Bij langdurige wind uit één richting kunnen waterstanden verder stijgen dan waar onze infrastructuur op is berekend. Onze natuurgebieden worden gevoeliger voor brand. We zien dat hulpdiensten steeds vaker met personeelsschaarste en gelijktijdige incidenten te maken krijgen.

Daarbij komt dat veel Nederlanders veiligheid als vanzelfsprekend ervaren. Maar het past bij deze tijd om met elkaar te erkennen dat absolute veiligheid niet bestaat. Wat we kunnen doen, is ruimte creëren om te handelen, risico’s verkleinen en gevolgen beperken. Met aandacht voor sociaal kwetsbare groepen.

Denken in oplossingen in meerlaagsveiligheid is nog belangrijker geworden. Het dwingt ons na te denken over preventie, ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing tegelijk. Het maakt zichtbaar dat keuzes over woningbouw, infrastructuur, energievoorziening en economische ontwikkeling óók veiligheidskeuzes zijn.

3. Voorbereid op het onbekende: werken met what if-scenario’s

Veel van wat we nu meemaken, viel twintig jaar geleden buiten ons denkvermogen. Extreem weer, compound events en snelle cascade-effecten passen niet in oude statistieken. Daarom pleit ik voor een bestuurscultuur waarin we het onbekende niet schuwen.

What if-scenario’s, doorlevingen en stresstesten helpen om te onderzoeken wanneer en waar het systeem knelt bij situaties waarover we liever niet nadenken. Zo krijgen we inzicht in gevolgen voor onze maatschappij, en wordt zichtbaar waar schaarste aan mensen en materieel bepalend kan zijn.

Ondergelopen polder overstroming Limburg 2021

Wat betekent dat voor veiligheidsregio’s?

Voor veiligheidsregio’s betekent dit dat klimaatdreigingen steeds minder als losse gebeurtenissen kunnen worden benaderd. Hitte, droogte, natuurbrand, wateroverlast en druk op vitale infrastructuur kunnen gelijktijdig optreden.

Het is daarom belangrijk om klimaatdreigingen niet langer als losse gebeurtenissen te behandelen, maar als verschijnselen die met elkaar samenhangen. Dat begint met het gesprek: met gemeenten, waterschappen, netbeheerders, zorginstellingen en uitvoerders die dagelijks met de gevolgen van extreme omstandigheden te maken hebben.

Daarnaast vraagt deze tijd dat ruimtelijke keuzes en veiligheidsvragen veel sterker met elkaar worden verbonden. Waar we woningen bouwen, de openbare ruimte inrichten en energievoorzieningen plaatsen: al die besluiten hebben gevolgen voor hoe goed we als samenleving kunnen omgaan met extremen.

Tot slot wil ik benadrukken hoe waardevol regelmatig oefenen is, niet alleen met gebruikelijke partners maar ook met partijen die vaak pas in beeld komen als er al druk op het systeem staat: netbeheerders, drinkwaterbedrijven, zorginstellingen en infrastructuurbeheerders.

Door samen een scenario te doorleven, ontstaat inzicht in afhankelijkheden die in rustige tijden onzichtbaar blijven. Niet om te beloven dat alles veilig is, maar om te laten zien dat we er alles aan doen om voorbereid te zijn.

#inthespotlight: Een extreemweerscenario levert andere inzichten op dan een klassieke systeemtest

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Een systeemtest met een extreemweerscenario levert andere inzichten op dan een traditionele flitsramp. Ruby Hillegers pleit ervoor om juist deze scenario’s te oefenen, omdat ze beter aansluiten bij de klimaatgerelateerde risico’s van de toekomst.

Onderschrift: Extreemweer foto gebruikt voor systeemtest (gemaakt met AI)

Ruby Hillegers, adviseur Crisisbeheersing bij Veiligheidsregio Hollands Midden, organiseerde dit jaar een systeemtest rond een extreemweerscenario. Door niet te kiezen voor een traditionele ‘flitsramp’, maar voor een weersituatie die zich over meerdere dagen opbouwt, ontstonden nieuwe inzichten over voorbereiding, samenwerking en de rol van risicomonitoring.

Een systeemtest met een andere dynamiek

“Binnen mijn functie houd ik mij bezig met opleiden, trainen en oefenen van onze crisisfunctionarissen. Daarnaast coördineer ik de multi-evaluaties na inzetten. Vorig jaar kreeg ik de opdracht om de systeemtest te organiseren. We proberen daarbij altijd een verrassend scenario te kiezen en dit jaar wilden we iets anders doen dan we gewend zijn.”

De keuze viel op een extreemweerscenario met zware regenval en wateroverlast. “Normaal gesproken zijn systeemtesten vaak gebaseerd op een flitsramp. Er gebeurt iets en de crisisstructuur moet direct opschalen. Bij extreem weer werkt dat anders. Dat zie je aankomen. Je krijgt weerswaarschuwingen, je hebt tijd om informatie te verzamelen en maatregelen voor te bereiden. Juist die fase wilden we meenemen.”

Ruby Hillegers.

Eerder starten met de oefening

Om dat realistisch te maken, begon de oefening niet op de dag van de opschaling zelf, maar al enkele dagen eerder. Via gesimuleerde KNMI-waarschuwingen en nieuwsberichten werd stap voor stap een dreigende weersituatie opgebouwd. “Het idee was om te kijken wat mensen met die informatie doen. Welke acties zet je in gang? Wie informeer je? Welke voorbereidingen tref je? Dat zijn vragen die je bij een extreemweerscenario veel eerder krijgt dan bij een flitsramp.”

De rol van het Veiligheidsinformatie Knooppunt

Een belangrijk onderdeel van de test was de betrokkenheid van het Veiligheidsinformatie Knooppunt (VIK). Dat gebeurde voor het eerst.“Het VIK houdt zich bezig met risicomonitoring aan de voorkant. Elke veiligheidsregio heeft inmiddels zo’n functie. Omdat extreem weer zich vaak al dagen van tevoren aankondigt, vonden we het logisch om juist dat proces onderdeel te maken van de systeemtest.”

Nieuwe inzichten

Volgens Hillegers leverde dat direct nieuwe inzichten op. “Normaal gesproken oefenen we vooral vanaf het moment dat de pieper gaat. Maar bij dit scenario zagen we dat er al veel gebeurt voordat er formeel wordt opgeschaald. Mensen gaan informatie verzamelen, leggen contact met elkaar en beginnen alvast na te denken over mogelijke maatregelen. Dat is eigenlijk een fase die steeds belangrijker wordt.”

Een ander soort crisis

Wat Hillegers vooral opviel, was dat een extreemweerscenario fundamenteel andere vragen oproept dan een traditioneel incident.“Bij een klassiek incident heb je vaak één duidelijk brongebied. Het is vrij helder waar het probleem zit. Bij extreem weer heb je een veel groter bron- én effectgebied. Er gebeuren op verschillende plekken tegelijkertijd allerlei dingen. Daardoor wordt het ook minder duidelijk welk team waarvoor verantwoordelijk is.”

Juist dat leverde waardevolle inzichten op

“Je merkt dat de grenzen tussen teams vervagen. Het ene team verwacht dat het andere team iets oppakt, terwijl dat andersom ook gebeurt. Daardoor ontstaat veel meer discussie over rollen, verantwoordelijkheden en afstemming. Dat zijn gesprekken die je moet voeren, want dit soort situaties gaan we waarschijnlijk vaker zien.”

Oefenen met wat eraan komt

Volgens Hillegers sluit een extreemweerscenario beter aan bij de ontwikkelingen waar veiligheidsregio’s mee te maken krijgen.“De risico’s die we steeds vaker zien, hebben vaak een langere aanlooptijd. Daardoor verandert ook de rol van crisisfunctionarissen. Als informatiemanager of operationeel leider moet je misschien al veel eerder betrokken zijn. Niet pas wanneer er wordt opgeschaald, maar al in de periode daarvoor.”

Dat vraagt volgens haar om een andere manier van denken. “Vroeger betekende een pieper: nu ga ik aan de slag. Maar bij dit soort risico’s begint het werk eigenlijk al eerder. Dat vraagt iets van de crisisorganisatie, maar ook van de mensen die daarin werken.”

Tips voor andere veiligheidsregio’s

Voor veiligheidsregio’s die overwegen om een systeemtest rond extreem weer te organiseren, heeft Hillegers een aantal duidelijke aanbevelingen.“Maak de aanloop realistisch en laat die meerdere dagen duren. Dat is hoe extreem weer zich in werkelijkheid ontwikkelt. Gebruik echte of realistisch nagebootste waarschuwingen en kijk hoe die informatie door de organisatie beweegt. Wie doet er iets mee? Wie niet?”

Ook adviseert zij om partners vroegtijdig te betrekken. “Wij hebben bijvoorbeeld het waterschap meegenomen in de voorbereiding. Achteraf denk ik dat het ook interessant was geweest om partijen zoals het KNMI nog nadrukkelijker te betrekken, bijvoorbeeld in het tegenspel. Dat maakt het scenario nog realistischer.”

Tegelijkertijd waarschuwt ze ervoor om niet te veel veranderingen tegelijk door te voeren. “We hebben dit jaar best veel dingen aangepast ten opzichte van eerdere systeemtesten. Een langere aankondigingsperiode, een avondscenario, een uitgebreide aanloop en de betrokkenheid van het VIK. Achteraf denk ik dat je sommige veranderingen misschien beter stapsgewijs kunt invoeren. Anders voelt het voor deelnemers bijna alsof ze een compleet andere oefenvorm krijgen.”

Ogen geopend

Hoewel de definitieve evaluatie nog niet is vastgesteld, is één conclusie voor Hillegers al duidelijk.“Het scenario heeft ons op een andere manier naar onze crisisorganisatie laten kijken. We hebben inzichten opgedaan die we met een traditioneel scenario waarschijnlijk niet hadden gekregen. Het heeft op verschillende manieren de ogen geopend.”

Juist daarom ziet zij veel waarde in het oefenen met klimaat- en extreemweerscenario’s. “Als veiligheidsregio’s zich willen voorbereiden op de risico’s van de toekomst, dan moet je die risico’s ook oefenen. Extreem weer vraagt om een andere manier van denken, voorbereiden en samenwerken. En precies daarom levert zo’n systeemtest zoveel op.”

Experts uit Nederland en Duitsland delen lessen over de maatschappelijke impact van grootschalige, langdurige stroomuitval

11 juni 2026

Tijdens de masterclass ‘Langdurige stroomuitval… en dan? stonden de mogelijke gevolgen van een grootschalige, langdurige stroomuitval centraal. Onderzoekers, crisisprofessionals en bestuurders kregen inzicht in de lessen uit recente voorbeelden van stroomuitval in Europa. En in de uitdagingen waarvoor Nederland zich gesteld ziet.

Foto: NIPV.

Tijdens de masterclass presenteerde onderzoeker Marte Luesink de resultaten van een recent onderzoek van het NIPV en Veiligheidsregio Kennemerland naar de mogelijke gevolgen van grootschalige, langdurige stroomuitval in Nederland en hoe (crisis)organisaties zich hierop voorbereiden.

Ervaringen uit Berlijn

Een bijzonder onderdeel van de masterclass waren de bijdragen van burgemeester Marianne Schuurmans van de gemeente Haarlemmermeer en van hoofdcommissaris Ben Müller en eerste hoofdinspecteur Paul Fröhlich van de Berlijnse politie.

Burgemeester Schuurmans vertelde over het belang van lokale weerbaarheid en sociale netwerken, onder andere tijdens een stroomuitval: “In Haarlemmermeer heb ik het afgelopen jaar bijeenkomsten bezocht in dorpshuizen en wijkgebouwen waarin ik het gesprek ben aangegaan met bewoners. Centraal daarbij stond de vraag wat de bewoners zelf konden organiseren als de stroom 72 uur uitvalt. Daarbij heb ik ook uitdrukkelijk aangegeven dat zij dan even niet op de gemeente en hulpdiensten konden leunen. Je komt dan tot verrassende inzichten en oplossingen. Binnenkort zitten wij ook met ondernemers. Ook zij moeten zich voorbereiden en hebben een belangrijke taak in de keten.”

De praktijkervaringen uit Berlijn gaven waardevolle inzichten in de ervaringen van zowel hulpdiensten als inwoners tijdens een langdurige stroomuitval. De lange duur van de stroomuitval (4,5 dagen) zorgde voor een stapeling van problemen. De informatiehonger van inwoners bleef gedurende deze dagen groot.

De ervaringen en lessen uit Berlijn zijn waardevol voor de Nederlandse crisisbeheersing. Ze geven inzicht in wat een langdurige stroomuitval teweegbrengt in de samenleving en wat dit vraagt van hulpdiensten als de politie.

Integrale aanpak vereist

Een belangrijke boodschap tijdens de masterclass was dat voorbereiding op langdurige stroomuitval om een integrale aanpak vraagt. Crisisorganisaties worden zelf ook geraakt tijdens een stroomuitval. Redundantie in middelen en systemen is daarom van belangrijk om bedrijfscontinuïteit te borgen.

Daarnaast is het belangrijk om de respons te laten aansluiten op datgeen wat mensen daadwerkelijk doen en nodig hebben tijdens een crisis. Uit onderzoek en uit de recente gebeurtenissen in Berlijn blijkt dat sociale netwerken van grote waarde zijn tijdens een stroomuitval. De meeste mensen zijn zelfredzaam en hulpvaardig. Aandacht vanuit hulpdiensten en crisisorganisaties moet vooral worden besteed aan mensen in een kwetsbare positie. Dat vraagt om een brede benadering van crisisvoorbereiding, waarbij ook gemeenten, maatschappelijke organisaties en lokale netwerken een belangrijke rol spelen.

Belangrijkste lessen

De onderzoekers benadrukken dat voorbereiding op een grootschalige, langdurige stroomuitval een integrale aanpak vraagt van (crisis)organisaties. Het gaat om:

  • investeren in het improvisatievermogen en de flexibiliteit van organisaties (we kunnen niet alle cascade-effecten overzien).
  • redundantie organiseren, zoals technische fall-backsystemen.
  • risico- en crisiscommunicatie aansluiten op datgeen wat mensen daadwerkelijk doen en nodig hebben.
  • inzicht hebben in afhankelijkheden van partners en voorzieningen en het maken van goede afspraken daarover.
  • investeren in sterke lokale netwerken en gemeenschappen die elkaar kunnen helpen wanneer dat nodig is.

Lees de factsheet

Tijdens de masterclass werd een factsheet uitgedeeld met de belangrijkste onderzoeksbevindingen en lessen voor de praktijk. Daarmee biedt het NIPV samen met Veiligheidsregio Kennemerland handvatten voor organisaties die hun voorbereiding op langdurige stroomuitval verder willen versterken.

Complexere energiesystemen vragen andere aanpak voor hulpdiensten

9 juni 2026

Nieuwe energie-innovaties combineren opslag, conversie en transport steeds vaker in één systeem dat gevoeliger is voor storingen, omdat complexiteit en onderlinge afhankelijkheden toenemen. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het NIPV naar zes innovatieve technologieën in de energietransitie.

Foto: Shutterstock.

Onderzoek naar zes innovatieve technologieën

Het NIPV onderzocht zes innovaties met potentieel grote invloed op het toekomstige energiesysteem. Het betreft systemen waarbij elektriciteit of waterstofdrager wordt omgezet in waterstof, energie wordt opgeslagen in vloeibare of chemische vorm en elektriciteit efficiënt wordt opgeslagen, getransporteerd of overgedragen.

De battolyser

Een battolyser combineert de functies van een batterij en een electrolyser, waardoor zowel elektriciteit kan worden opgeslagen als waterstof geproduceerd. Het risico op een thermal runaway is daarbij uitgesloten.
De belangrijkste risico’s hangen samen met de productie en opslag van waterstof, omdat incidenten ook effect kunnen hebben buiten de installatie. Deze risico’s kunnen worden beperkt met monitoring, gasdetectie, ventilatie en goede noodprocedures, waarbij incidentbestrijding gericht is op snelle detectie en gecontroleerde uitschakeling van de battolyser.

Liquid Air Energy Storage (LAES)

Bij LAES wordt energie opgeslagen door lucht vloeibaar te maken en later weer te expanderen om energie vrij te geven.
De belangrijkste risico’s ontstaan door de extreem lage temperatuur van vloeibare lucht en hebben betrekking op drukopbouw, afwijkende zuurstofconcentraties en materiaalverbrossing. Deze risico’s kunnen worden beheerst met maatregelen zoals drukontlasting, ventilatie, thermische isolatie en zuurstofmonitoring.
De effecten voor de omgeving blijven meestal beperkt tot de directe nabijheid van de installatie, terwijl incidentbestrijding zich richt op het beheersen van cryogene uitstroom (het vrijkomen of lekken van extreem koude vloeistoffen of gassen) en veilig optreden bij afwijkende zuurstofconcentraties.

Supergeleidende kabels

Supergeleidende kabels kunnen bij zeer lage temperaturen grote hoeveelheden elektriciteit vrijwel zonder energieverlies transporteren. Wanneer het cryogene koelsysteem uitvalt, kunnen de supergeleidende eigenschappen verloren gaan en kan oververhitting in de kabel ontstaan.
De impact op de omgeving is beperkt, omdat de kabels nauwelijks elektromagnetische straling veroorzaken. Bij incidenten ligt de nadruk op het gecontroleerd uitschakelen en isoleren van zowel de elektrische als de cryogene onderdelen van het systeem.

Draadloos opladen

Bij draadloos opladen van elektrische voertuigen wordt energie overgedragen door een wisselend magnetisch veld dat stroom opwekt in een spoel (inductief laden). De belangrijkste risico’s zijn elektromagnetische velden en lokale warmteontwikkeling in en rond het systeem, vooral in de directe omgeving.
Deze risico’s kunnen worden beperkt door afscherming van magnetische velden, het automatisch stoppen van laden bij ongewenste objecten en goede systeemcompatibiliteit. Bij incidenten is het van belang dat het systeem snel kan worden uitgeschakeld en duidelijk herkenbaar is voor hulpverleners.

Thermochemische opslag

Bij thermochemische opslag wordt warmte opgeslagen of vrijgegeven via omkeerbare chemische reacties of processen. Afhankelijk van de toepassing worden verschillende vaste stoffen gebruikt, die bij lekkage soms beperkte hoeveelheden toxische of brandbare gassen kunnen vormen.
De risico’s zijn goed beheersbaar wanneer gesloten systemen en gecontroleerde omgevingen worden toegepast. De gevolgen voor de omgeving blijven doorgaans beperkt, al moet worden voorkomen dat vaste stoffen zich verspreiden of in contact komen met water.

Het kraken van ammoniak

Bij het kraken van ammoniak wordt ammoniak bij hoge temperatuur omgezet in waterstof en stikstof. De belangrijkste risico’s zijn het vrijkomen van toxische ammoniak, brandbaar waterstofgas, hoge temperaturen en materiaaldegradatie.
Deze risico’s kunnen worden beperkt met geschikte materialen, monitoring van druk en temperatuur, gasdetectie en systemen voor gecontroleerde uitschakeling. Bij incidenten ligt de nadruk op het beperken van blootstelling aan ammoniak en het voorkomen van ontsteking van waterstof door afstand te houden en de omgeving veilig te stellen.

Analyse en duiding

Wat bij deze innovaties opvalt, is dat functies die traditioneel gescheiden waren, zoals opslag, omzetting en transport van energie, steeds vaker binnen één systeem en dicht bij elkaar worden gecombineerd. Dat maakt ze flexibeler in de vraag en aanbod van energie, maar ook complexer en gevoeliger voor storingen. De invloed van de innovaties op het gebied van risicobeheersing, omgevingsveiligheid en incidentbestrijding duiden we als volgt:

Risicobeheersing

De onderzochte innovaties introduceren geen nieuwe risico’s, maar de systemen worden wel complexer en onderling meer afhankelijk. Storingen kunnen zich daardoor sneller door het systeem verspreiden en grotere gevolgen hebben.
Dit vraagt in toenemende mate om monitoring, detectie en de mogelijkheid om systemen tijdig en gecontroleerd te stabiliseren of uit te schakelen.

Omgevingsveiligheid

De gevolgen voor de omgeving verschillen per innovatie. In veel gevallen zijn effecten lokaal en beheersbaar, maar bij systemen waarin bijvoorbeeld waterstof of ammoniak een rol speelt, kunnen incidenten ook verder reiken dan de directe installatie.

Incidentbestrijding

Voor hulpdiensten betekent dit dat veilig optreden bij incidenten vaak pas mogelijk is nadat systemen gecontroleerd zijn gestabiliseerd of uitgeschakeld door een bedrijfsdeskundige. Incidentbestrijding wordt daarmee afhankelijker van samenwerking met beheerders en technische experts.

Lees het rapport

“Gebouwen tussen de 20 en 70 meter hoog verdienen meer aandacht”

8 juni 2026

De afgelopen jaren zijn er in Nederland steeds meer hoge gebouwen gebouwd, en ze worden ook steeds hoger. Tegelijkertijd zijn branden veranderd: ze ontwikkelen zich sneller, produceren meer rook en maken het moeilijker voor mensen om veilig te vluchten. Ook de inzet van de brandweer wordt hierdoor lastiger. Het NIPV heeft onderzocht welke aanpassingen in de regelgeving nodig zijn om de brandveiligheid van hoge gebouwen te verbeteren. “Het meest kwetsbaar zijn gebouwen tussen de 20 en 70 meter hoog, terwijl deze categorie veel voorkomt en vaak als ‘reguliere bouw’ wordt beschouwd. Deze gebouwen verdienen meer aandacht”, zegt lector Brandveiligheidskunde Lieuwe de Witte.

Hoogbouw in Rotterdam
Foto: Megin Zondervan.

Marge tussen benodigde veilige tijd en beschikbare veilige tijd

“Dit onderzoek biedt voor het eerst een kwantitatief en samenhangend beeld van de mogelijkheden en beperkingen van de brandweerinzet in hoge gebouwen. En van de mate waarin brandveiligheidsvoorzieningen een veilige brandweerinzet mogelijk maken. De nieuwe risicomethode die we hiervoor hebben gebruikt heeft eerdere inzichten bevestigd en nieuwe inzichten opgeleverd”, aldus De Witte. Voor het onderzoek zijn de benodigde veilige tijd en de beschikbare veilige tijd voor de brandweerinzet in kaart gebracht en met elkaar vergeleken. Om zo de marge voor een veilige brandweerinzet te bepalen.

Aanvullende of verbeterde brandveiligheidsvoorzieningen

“Uit het onderzoek komt naar voren wat velen al vermoedden: er zijn grenzen aan het repressief optreden van de brandweer in hoge gebouwen”, vertelt lector Brandweerkunde Ricardo Weewer. “De brandveiligheid moet daarom primair worden gerealiseerd via aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen in het gebouw of door voorzieningen met een hogere betrouwbaarheid. Denk aan een automatische brandbestrijdingsinstallatie, hogere eisen aan brandscheidingen en dubbel uitgevoerde kritische voorzieningen zoals brandweerliften en blusleidingen.”

Aanpassingen in de regelgeving

De Witte: “Er zijn twee groepen hoge gebouwen waarbij aanpassing van de regelgeving nodig is. Dat zijn gebouwen hoger dan 20 meter en lager dan 70 meter en gebouwen hoger dan 200 meter. Om de brandveiligheid van deze gebouwen minimaal op hetzelfde niveau te krijgen als dat van een lager gebouw stellen wij een aantal oplossingsrichtingen voor.”


Mogelijke oplossingsrichtingen zijn:

  • Het verhogen van de brandwerendheid van brandscheidingen in gebouwen hoger dan 20 meter en lager dan 70 meter. Daarbij wordt een meer getrapte aanpak voorgesteld dan nu het geval is.
  • Het voorschrijven van een automatische brandbestrijdingsinstallatie (bijvoorbeeld sprinklerinstallatie) in gebouwen hoger dan 20 meter en lager dan 70 meter.
  • Deze aanpassingen kunnen worden gecombineerd. Als een automatische brandbestrijdingsinstallatie wordt voorgeschreven, kunnen zowel brandscheidingen als draagconstructies met minder brandwerendheid worden uitgevoerd.
  • Het verhogen van de brandwerendheid van brandscheidingen in gebouwen hoger dan 70 meter van 30 minuten naar 60 minuten.
  • Het verhogen van de betrouwbaarheid van de automatische brandbestrijdingsinstallatie in gebouwen hoger dan 200 meter.

Vervolg op eerder onderzoek

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Taskforce Veilige Hoogbouw van de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV). Het is het vervolg op een verkennend onderzoek dat het NIPV eerder heeft gedaan. Uit dat onderzoek bleek dat branden in hoge gebouwen niet adequaat kunnen worden bestreden met de huidige tactische en operationele doctrine brandbestrijding. En dat de huidige bouwregels ontoereikend zijn.

Lees het rapport en de samenvatting

Het onderzoek bestond uit 3 fasen. Van elke fase is een apart onderzoeksrapport verschenen.

Aankondiging Release LCMS 2026 Q3 


3 juni 2026

De release LCMS 2026 Q3 komt eraan. In dit bericht informeren we je over de planning & impact, en inhoud van deze release. 

Planning & impact 


Acceptatieomgeving: uitrol op dinsdag 2 juni 

  • Op dinsdag 2 juni wordt de release uitgerold op de acceptatieomgeving. 


Oefenomgeving: uitrol op dinsdag 30 juni 

Op dinsdag 30 juni tussen 9:00-16:00 uur wordt de Oefenomgeving bijgewerkt. Dit betekent het volgende: 

  • Er is sprake van downtime: zowel de Oefen als de Operationele omgeving is niet beschikbaar tussen 9:00-12:00.  
  • Is er sprake van een incident of calamiteit? Stem met de beheerder van jouw organisatie af over hoe te handelen. 
  • Vanaf 12:00 uur kan de Operationele omgeving weer gebruikt worden. Zet in het geval van een oefening, duidelijk ‘Oefening’ in de naam van een activiteit. 


Operationele omgeving 

Op dinsdag 7 juli tussen 09:00-16:00 uur wordt de release uitgerold op de Operationele omgeving. Dit betekent het volgende: 

  • Maak tijdens de update gebruik van de Oefenomgeving, ook bij een daadwerkelijk incident. Zet daarbij in de titel van de activiteit dat het een ‘operationele activiteit’ betreft. 
  • Vanaf 16.00 uur is de Operationele omgeving weer te gebruiken. 


Liveblog 

Tijdens de releases kun je de voortgang volgen via een liveblog op lcms.nl. 


Inhoud release 

De release 2026 Q3 bevat een aantal technische- en functionele verbeteringen, aangevuld met bugfixes. De belangrijkste wijzigingen zijn: 

  • Inloggen met ‘Gebruikersnaam en Wachtwoord’ is niet langer mogelijk.  
  • De optionele rechten zijn technisch uitgefaseerd. Hiermee is het rechtenmodel voor iedereen vastgezet. Het is niet meer mogelijk om per organisatie  wijzigingen aan te brengen. 
  • Binnen GMS wordt de gehele eenheidsregel gemarkeerd, zodat wijzigingen duidelijker kunnen worden herkend. Dit betreft de koppeling tussen de Meldkamer en het LCMS, specifiek voor de veiligheidsregio’s. 
  • Het LCMS heeft een update naar een moderner framework gekregen. Dit nieuwe fundament biedt een toekomstbestendige basis met betere prestaties, een hogere stabiliteit en meer flexibiliteit voor verdere doorontwikkeling. 
     

Vragen? 

Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan contact op met de beheerder van jouw organisatie. 

Blijf op de hoogte van het programma Onderwijs Onderweg

2 juni 2026

De vierde editie van het Swipezine van het programma Onderwijs Onderweg staat online. In deze nieuwe editie nemen we je mee in de laatste ontwikkelingen, opbrengsten en praktijkverhalen uit het programma.

Onderwijs onderweg
Onderwijs onderweg.

Onderwijs Onderweg is één van de grote veranderopgaven (Grote Werk 2) van de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio’s (RCDV) en het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV). Het programma richt zich op het verbeteren van het onderwijsstelsel voor brandweer en crisisbeheersing. De ambitie is om samen toe te werken naar een goed werkend onderwijsstelsel met praktijkgericht, flexibel en actueel onderwijs voor alle mensen binnen de brandweer en crisisbeheersing in de veiligheidsregio’s.

Met het Swipezine worden collega’s, partners en andere betrokkenen meegenomen in de voortgang van het programma. Niet alleen door te laten zien waar aan wordt gewerkt, maar juist ook door ervaringen, inzichten en perspectieven uit de praktijk te delen. In deze vierde editie lees je onder andere over de opbrengsten tot nu toe, de vertaling van onderwijsvisie naar de praktijk, het project mentale weerbaarheid en veel meer.

Blijf op de hoogte

Wil je de ontwikkelingen rondom Onderwijs Onderweg blijven volgen? Kijk dan ook op het platform van het programma. Daar vind je naast het online magazine ook achtergrondinformatie, updates en meer over de verschillende projecten en thema’s binnen het programma. Volg daarnaast ook de updates via LinkedIn.

Meer informatie

Het programma Onderwijs Onderweg staat ook bekend als Grote Werk 2 en werkt aan een goed werkend onderwijsstelsel met praktijkgericht, flexibel en actueel onderwijs voor alle brandweer- en crisisprofessionals van de veiligheidsregio’s. Meer informatie over wat er bereikt is in de afgelopen periode is te lezen in het online magazine. Op het platform Onderwijs Onderweg is meer te vinden over het programma en de vervolgstappen. 

De autosave bekijken

ISCRAM 2026: kennisuitwisseling tussen wetenschap én praktijk

1 juni 2026

Deze week komen op de Universiteit van Leiden, locatie Den Haag, wetenschappers van over de hele wereld samen om traditiegetrouw kennis op het snijvlak van informatiesystemen en crisisbeheersing uit te wisselen. Hier vindt namelijk de jaarlijkse internationale ISCRAM-conferentie plaats.

Martijn van Wijlen. Foto: ISCRAM 2026.

ISCRAM 2026

ISCRAM staat voor Information Systems for Crisis Response and Management. Een unicum voor deze editie is dat niet alleen wetenschappers, maar ook professionals uit het veld hun paper presenteren. Dit doen zij via de zogeheten practitioners-track. Hiermee wordt de link tussen de wetenschap en de praktijk gelegd, een beweging die het thema van dit jaar illustreert: ‘Building stronger futures’.

Informatievoorziening rondom crisisbeheersing

Beroepsprofessionals uit binnen- en buitenland delen hun ervaringen en inzichten. Ook professionals vanuit het NIPV leveren met hun papers een bijdrage aan de kennisuitwisseling over informatievoorziening rondom crisisbeheersing. Deze collega’s hebben veel operationele ervaring vanuit hun rollen binnen diverse veiligheidsregio’s en in de samenwerking met het Knooppunt Coördinatie Regio’s-Rijk (KCR2).

Piet Aantjes. Foto: ISCRAM 2026.

Zo vertelt Piet Aantjes over de kracht van informatie(systemen). Dit doet hij aan de hand van de inzet daarvan tijdens de grote heidebrand die op 3 april 2025 plaatsvond in Ede. Het internationale publiek van de conferentie maakt daarbij kennis met een aantal van de informatiesystemen die we in de Nederlandse crisisbeheersing en brandweerzorg gebruiken: het Landelijk Crisis Management Systeem (LCMS), het Veiligheidsbeeld, de Virtuele Assistent, en datasets met kaartlagen.

Martijn van Wijlen blikt terug op de informatie-uitwisseling tussen crisispartners rondom Oud & Nieuw 2025; het drukste evenement en tegelijkertijd incident. Daarnaast legt Jochem van Heek het dilemma tussen het menselijke beoordelingsvermogen en de mogelijkheden van automatisering en de grote hoeveelheid data voor.

Jochem van Heek. Foto: ISCRAM 2026.

Inzendingen ISCRAM 2026

Benieuwd naar de inhoud van deze en andere papers? Bekijk alle papers van de practitioners-track op de website van ISCRAM. Het totaaloverzicht van alle inzendingen, ook de wetenschappelijke papers en workshops, vind je ook op deze website.

Organisatie ISCRAM 2026

De organisatie van ISCRAM is in handen van de Universiteit leiden en het NIPV. Ook in deze samenwerking komen wetenschap, toegepaste kennis, en expertise op het gebied van crisisbeheersing bij elkaar – Building stronger futures together!