Een dankbare taak: NIPV ondersteunt inzet USAR.NL in Venezuela
7 juli 2026
Op vrijdag 26 juni 2026 vertrok USAR.NL met 65 teamleden, 8 speurhonden en 16 ton aan materieel naar Venezuela. Daar hielp het team met het zoeken en redden van slachtoffers van de zware aardbevingen. Op zondag 5 juli kwam het team weer aan in Nederland.

“Qua logistiek is het aan ons om het materieel en de spullen zo snel mogelijk uitrukklaar te maken. Vanwege de tijd die de controle bij de douane kost, moet alles op het vliegveld zijn ruim voor het team daar arriveert. Met het USAR-team bespreken we de logistieke uitvoering: van welk vliegveld vertrekt het team? Welke spullen moeten mee? Welk materieel is daarvoor nodig? Hoe zit het met de drukte op de wegen; is er politiebegeleiding nodig? Vervolgens brengen we de USAR-trailer en het voertuig voor extra materieel in gereedheid. Ook daarbij hadden we dit keer een extra uitdaging: de trailer was na een recente oefening in Moldavië nog niet in zijn originele, uitrukklare staat teruggebracht.
“Voor de USAR-teamleden regelen we ook het vervoer naar het vliegveld. En op vrijdagochtend is er nog een collega naar de Defensiekazerne in ’t Harde gereden om geografische kaarten van de inzetgebieden in Venezuela op te halen en deze naar het vliegveld te brengen.”

“Tijdens de inzet blijven we het USAR HQ faciliteren; als 24/7-aanspreekpunt zorgen we bijvoorbeeld voor de catering en voor werkende apparatuur en netwerken. De stafleden van USAR zijn daar namelijk nog steeds aan het werk. Zij houden zich onder meer bezig met de communicatie naar het thuisfront van de teamleden. En met het onderhouden van contact met relevante partijen, zoals de ambassade in Venezuela. Ook wordt een team voor de terugkeer van het USAR-team geformeerd, waarvan wij deel uitmaken.”
“Het ‘recupereren’, ofwel het in gereedheid brengen van de trailer voor de volgende uitruk, start al zodra het USAR-team nog ter plaatse is. Er is namelijk altijd sprake van materialen die achterblijven, bijvoorbeeld omdat ze worden geschonken aan humanitaire organisaties als het Rode Kruis. Deze overdracht wordt met ons besproken zodat we direct al nieuwe spullen kunnen bestellen. Op het moment dat het team terugkeert, zijn we dus al een heel eind op weg naar de volgende inzet.”

Meer weten over USAR.nl
Meer weten over USAR.NL? En over de afgelopen inzet in Venezuela? Kijk op www.usar.nl, of volg de Instagram-pagina van USAR.NL.
Bekijk ook
Update Ontwikkelfonds: herverdeling middelen voor Manschap 3.0
7 juli 2026
Nieuwe inzichten en ontwikkelingen vragen om aanpassing van prioriteiten. In dit geval heeft de vakraad Incidentbestrijding in afstemming met de vakraad Leren & Ontwikkelen van de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV) besloten om middelen en capaciteit vanuit het Ontwikkelfonds voor dit jaar anders in te zetten.

Vrijgekomen budget inzetten voor THV
De keuze is gemaakt om dit jaar een aantal projecten binnen het Ontwikkelfonds niet uit te voeren. Hierdoor komt budget vrij dat ingezet kan worden voor de verdere implementatie van Technische hulpverlening (THV) binnen het programma Manschap 3.0. Dit programma richt zich op de toekomstbestendige ontwikkeling van het brandweervak en vraagt op dit moment om extra inzet en middelen. Het is belangrijk om te benadrukken dat deze beslissing is genomen door de vakraden op basis van inhoudelijke afwegingen en prioriteiten binnen het werkveld.
Wat betekent dit concreet voor 2026?
Door het verleggen van capaciteit komt in 2026 een aantal geplande activiteiten te vervallen binnen het Ontwikkelfonds:
- Evaluatie leergang Coördinator Verkenningseenheden (CVE)
- Project gebouwbrandbestrijding in en rond duurzame gebouwen
- Onderhoud van e-modules vakbekwaam blijven
- Bijscholing voor instructeurs brandbestrijding (in verband met de herziening richting Manschap)
- Kennisdag Brandbestrijding
Vervolg
Het Ontwikkelfonds blijft een belangrijk instrument om te investeren in de ontwikkeling van het brandweeronderwijs. Tegelijkertijd vraagt de actuele situatie om flexibiliteit en het maken van keuzes. Zo wordt er nu ook hard gewerkt om zo spoedig mogelijk voor het zittende personeel de wijzigingen en impact vanuit THV ten aanzien van vakbekwaam blijven klaar te zetten voor de regio’s. Zodra er nieuwe ontwikkelingen zijn binnen het programma of rondom de herstart van projecten, wordt hierover gecommuniceerd.
Ondertussen wordt ook al gekeken naar de invulling voor 2027. Dit programma zal naar verwachting beperkter van omvang zijn en wordt momenteel in afstemming met de vakraden verder ontwikkeld.
Wat is het Ontwikkelfonds?
Via het Ontwikkelfonds financieren de veiligheidsregio’s de ontwikkeling van les- en leerstof voor de (v)mbo-functies bij de brandweer.
Eerste stap naar Europees expertisenetwerk Brandweer en Seveso
Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, juli 2026
De afgelopen maanden hebben het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV) en Seveso-specialisten van brandweerorganisaties uit andere EU-landen de eerste verkennende gesprekken gevoerd over de vorming van een Europees kennisnetwerk ‘Brandweer & Seveso’. Volgens het LEC IV is er bij collega-specialisten in verschillende lidstaten interesse getoond in zo’n netwerk.

Verkennende gesprekken
De afgelopen maanden hebben het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV) en Seveso-specialisten van brandweerorganisaties uit andere EU-landen de eerste verkennende gesprekken gevoerd over de vorming van een Europees kennisnetwerk ‘Brandweer en Seveso’. Volgens het LEC IV is er bij collega-specialisten in verschillende lidstaten interesse getoond in zo’n netwerk.
Expertisenetwerk op uitvoeringsniveau
Door verschil in organisatiestructuur van de Seveso-uitvoeringstaken verschillen ook de behoeften rond kennisdeling van land tot land, terwijl de taken uit de Seveso-regelgeving voor elk land gelijk zijn. Projectleider van het LEC IV Jan Meinster: “Een belangrijk verschil is dat de Seveso-uitvoeringstaken van de brandweer in Nederland decentraal zijn georganiseerd bij de veiligheidsregio’s. In veel andere landen is dit industrieel specialisme op nationale schaal georganiseerd, bijvoorbeeld bij het ministerie van Binnenlandse Zaken of een nationale brandweerdienst. Ons doel is een expertisenetwerk op uitvoeringsniveau op te zetten voor brandweerspecialisten met Seveso-advies- en toezichttaken.” De Seveso III richtlijn strekt zich uit van ruimtelijke veiligheid, regulering, procesveiligheid tot rampenbestrijding.
Beoogd doel van het netwerk is kennis en ervaringen te delen en te leren van elkaars aanpak. Gezamenlijke vraagstukken die in het netwerk kunnen worden besproken zijn bijvoorbeeld hoe kan worden omgegaan met risico- en crisiscommunicatie, het reguleren van veiligheid en het leren van incidenten. Maar ook praktische zaken, zoals grote batterijopslagen en ‘Natech-risico’s (klimaatveiligheid).
Webinars
Meinster: “Het idee is om rond dit soort thema’s en vraagstukken webinars te organiseren, waarin Europese collega’s in de uitvoering leren van elkaars best practices. We hebben de ideeën al besproken met collega’s uit o.a. Tsjechië, Estland, Polen, Roemenië, Spanje en Letland. Vooralsnog hebben organisaties uit 15 lidstaten hun warme interesse geuit om deel te nemen aan het netwerk. Vertegenwoordigers van de Europese Commissie (DG ENV) zijn tevens geïnteresseerd en zien mogelijkheden voor kruisbestuiving. Bij de uitvoering werken we samen met het programma Exchange of Experts and Knowledge van de Federation of EUropean fire officers, FEU. De FEU heeft tot doel ervaringen uit te wisselen om zo tot een grotere veiligheid te komen voor de Europese burgers.
IV-pensionado’s blikken terug op carrière: “Trots op wat we hebben bereikt”
Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, juli 2026
Drie specialisten industriële veiligheid, die gezamenlijk zo’n 60 jaar praktijk in risicobeheersing vertegenwoordigen, gaan de komende maanden van hun pensioen genieten. Dan de Bruijn en Mathin de Groot (Veiligheidsregio Zeeland) en Gerard Drenthen (Zuid-Limburg) delen een belangrijke gemeenschappelijke ervaring: trots kijken ze terug op de bijdrage die zij met hun passie en vakmanschap hebben mogen leveren aan de kwaliteit en professionaliteit van de IV-taken. En dus aan de veiligheid van de Nederlandse industrie.

Dan de Bruijn: van scheepvaart naar brandweer
Dan de Bruijn (64) kwam via een ‘natte omweg’ in het veiligheidsdomein terecht. Na de studie scheepswerktuigkunde aan de Zeevaartschool zat hij van 1983 tot 1988 op de ’grote vaart’. Omdat hij getrouwd was en hij en zijn vrouw graag kinderen wilden, werden reizen van zes tot negen maanden op zee een minder aanlokkelijk perspectief. “Toen in 1988 bij chemiebedrijf Hoechst ex-zeevarenden met werktuigbouwkundige ervaring werden gevraagd, ging ik definitief ‘aan land’. In 1990 ben ging ik naar Metalenfabriek Arkema in Vlissingen gegaan. Eerst als shiftmanager en later als productie engineer. In 2000 maakte ik de overstap naar milieu en veiligheid waar ik ook de bedrijfsbrandweer onder mijn hoede kreeg. In die periode werd de Brzo-regelgeving ingevoerd en werden de eerste Brzo-inspecties bij risicobedrijven gehouden. In mijn functie kreeg ik daar ook mee te maken en zo leerde ik de regionale brandweer kennen, waarmee ik een goede relatie opbouwde.”
In 2005 vond De Bruijn het tijd voor verandering en stapte hij over naar de Regionale Brandweer Zeeland. Daar ging hij aan de slag als Brzo-inspecteur en in 2008 ook als adviseur gevaarlijke stoffen. “Ik kijk op die tijd terug als echte pioniersjaren. Veel van de instrumenten waarmee we tegenwoordig ons inspectiewerk doen, hebben we in die tijd ontwikkeld; een gezamenlijke ontwikkeling van de eerste generatie IV-specialisten bij de veiligheidsregio’s, onder regie van wat toen nog het LEC BrandweerBRZO heette. Geweldig wat we in die jaren allemaal hebben opgebouwd en bereikt.”
Gevraagd naar mooie herinneringen aan zijn carrière, benoemt De Bruijn vooral de samenwerking en teamgeest in de specialistische disciplines waarvan hij deel mocht uitmaken. De Bruijn: “Bijzonder in Zeeland is daarbij ook het internationale perspectief van risicobeheersing, omdat de Zeeuwse haven- en industriegebieden rond de Westerschelde naadloos aansluiten op grote industrieclusters rond Gent in Vlaanderen. Ik heb ook veel contacten opgebouwd met havenautoriteiten en Rijkswaterstaat, niet alleen vanuit mijn IV-rol maar ook als AGS binnen MIRG, de Maritieme Incident Respons Group, vanaf het eerste uur. Dat team is op zijn beurt ook weer deel van een internationaal samenwerkingsverband met Engeland, Frankrijk en Scandinavië én werkt nauw samen met het MIRG-team van Rotterdam-Rijnmond.”
Die collegialiteit en internationale contacten zal De Bruijn missen als hij op 1 oktober afscheid neemt van de dienst. Maar wat blijft, is de herinnering aan een mooie tijd bij de brandweer, waarin hij zijn steentje heeft bijgedragen aan verbetering van de industriële veiligheid en specialistische brandweerrespons op zee. “Ik heb in de industrie echt veel dingen ten goede zien veranderen in mijn jaren als specialist IV. Een mooie ervaring is dat ik tijdens inspecties zag dat bedrijven meer vanuit een eigen drijfveer investeren in veiligheid aan de voorkant; niet omdat de regelgeving zegt dat ze dat moeten doen, maar omdat ze het zelf belangrijk vinden.”
Mathin de Groot: trots op kwaliteit
Behalve Dan de Bruijn neemt op 1 oktober ook Mathin de Groot afscheid van de Veiligheidsregio Zeeland, kort voordat hij 67 jaar wordt. Hij startte zijn brandweercarrière in 2009 in Terneuzen, nadat hij daarvoor 25 jaar werkzaam was in de industrie (Dow) en in de utiliteitsbouw, met als ondergrond de opleiding HTS B-Constructietechniek. De Groot: “Vanwege de toenemende werklast en het feit dat steeds meer projecten elders in het land waren, wilde ik ander werk dichter bij huis. De brandweer trok mij altijd al. Mijn vader zat bij de brandweer en zelf zat ik in mijn jeugd bij de jeugdbrandweer. In 2009 ging ik in Terneuzen aan de slag als specialist brandpreventie; er waren nieuwe mensen nodig voor brandveiligheidsinspecties. In 2014 stapte ik over naar de afdeling Industriële Veiligheid en stortte ik mij op het thema Brzo.”

De Groot heeft als motto: ‘meegewerkt aan en trots op het resultaat van de kwaliteitsverbetering binnen IV’. Samenwerking en participatie, tussen de veiligheidsregio’s onderling, maar ook tussen overheid en industrie, hebben dat resultaat mogelijk gemaakt. “Samen bereik je meer”, stelt De Groot. “Vooral binnen de Sector Milieu en Industrie hebben we veel mooie dingen bereikt, zoals de ontwikkeling van tal van PGS-documenten als basis voor de veiligheid van processen en installaties. Verder heb ik mogen meewerken aan het invoeren van uitgangspuntendocumenten (UPD, red.) voor brandbeveiligingsinstallaties in de industrie. Daar hebben we echt veel veiligheidswinst mee geboekt, want zo’n UPD geeft de kaders om vast te stellen of een bepaald type blus- of koelinstallatie daadwerkelijk het scenario aankan waarvoor het is ontworpen en gebouwd.”
De Groot heeft heel wat Seveso-inspecties uitgevoerd in Zeeland en de buurregio’s. Een gebied met grote clustering en diversiteit; niets is hetzelfde. En risico’s en scenario’s blijven veranderen, ziet hij, nu met de komst van steeds meer locaties voor ammoniakproductie en -opslag in het kader van de energietransitie. Hoe ziet hij de toekomst van de Seveso-inspecties? De Groot: “Zowel voor advisering als voor inspecties geldt dat het echt mensenwerk is. Maar ik zie wel trends dat dat gaat veranderen, door toenemend gebruik van kunstmatige intelligentie in combinatie met drones. Ik hoop van harte dat dat niet het beeld wordt van de inspecties van de toekomst: dat drones autonoom inspecties uitvoeren op chemieplants en dat inspectierapporten grotendeels met AI worden opgesteld. Want dan gaan naar mijn mening de zorgvuldigheid en het vakmanschap verloren. In de industriële veiligheid is het altijd maatwerk, op basis van samenwerking.”
Gerard Drenthen: groot netwerk professionals
In Zuid-Limburg heeft SIV’er Gerard Drenthen zijn laatste werkdag al achter de rug. Op 2 juli nam hij afscheid, na een werkzaam leven van 42 jaar. Dat begon na zijn HTS-studie chemische technologie in het gemeentelijk domein in Midden-Limburg, waar hij voor verschillende kleinere en grotere gemeenten werkte in de vergunningverlening en het milieutoezicht. In 1996 maakte hij een stap naar de toenmalige brandweerregio Midden-Limburg, die samen met buurregio Noord-Limburg vrijwilligers voor de functie leider meetplanorganisatie met chemische- en milieukennis vroeg. Uiteindelijk werden beide regio’s samengevoegd tot Limburg Noord.
Drenthen: “Ik wilde mij met mijn chemische kennis verder specialiseren in de brandweersector en die kans kreeg ik toen in Zuid-Limburg mensen werden gezocht voor het Brzo-toezicht bij de Brandweer Westelijke Mijnstreek, die later opging in de huidige Veiligheidsregio Zuid-Limburg. Toen moest ik de functie meetplanleider in Limburg-Noord laten vallen, want dat ging niet meer samen. Ik vond mijn plek in de industriële veiligheid en werd deel van een groot netwerk van de veiligheidsregio’s in Limburg. Brabant en Zeeland, die voor de uitvoering van onder andere de Seveso-taken samenwerkten als ‘Zuid-6’. Met collega’s in dit netwerk heb ik mogen meewerken aan meerdere mooie producten, die uiteindelijk ook landelijk onder regie van het LEC IV zijn uitgerold, zoals de documenten en methodieken die het fundament zijn voor de Seveso-inspecties. In ons samenwerkingsgebied begonnen we ook al heel vroeg met het uitvoeren van gezamenlijke Seveso-inspecties.”

Limburg kenmerkt zich door een grote verscheidenheid aan industrie: natuurlijk het grote chemiecluster Chemelot in Sittard-Geleen, maar ook grote logistieke bedrijven die onder de Seveso-regelgeving vallen. “We hadden genoeg uitdagingen om de veiligheid in die diverse industriële omgeving te borgen”, vervolgt Drenthen. “Soms was het best een worsteling. Mooi is dat overheid en bedrijven elkaar op een gegeven moment beter zijn gaan vinden in een gemeenschappelijk gevoeld veiligheidsbelang. Dat heb ik vooral ervaren in de steeds betere samenwerking tussen Chemelot en de veiligheidsregio, nadat er jaren geleden diverse grotere incidenten plaatsvonden. Nu trekken we sterker samen op, ook in de voorbereiding op de rampenbestrijding, de specialistische incidentbestrijding bij chemische ongevallen en in het gezamenlijk informeren van burgers bij calamiteiten. In die zin hebben we qua samenwerking en professionalisering forse stappen gezet. De collegialiteit en het samen met andere professionals als team werken aan de verbetering van de veiligheid, zal ik wel missen, maar na een werkzaam leven van 42 jaar is het wel mooi geweest.”
Nieuw protocol voor laagdrempeliger industrieel incidentonderzoek
Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, juli 2026
Een nieuw onderzoeksprotocol helpt veiligheidsregio’s om industriële incidenten op een proportionele en toegankelijke manier te onderzoeken. Het binnen de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond ontwikkelde protocol is besproken en gedeeld binnen de Werkgroep Incidentonderzoek van het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV) en er komt een ‘best practice’ beschikbaar via de website van het LEC IV. Het protocol richt zich op ‘kleine’ incidentonderzoeken, die de veiligheidsregio’s in gemiddeld twee tot drie werkdagen en met een beperkte onderzoekscapaciteit kunnen uitvoeren.

Michiel Westerbeke, lid van de werkgroep namens Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) en schrijver van het protocol, verwacht dat met het nieuwe protocol ook regio’s die minder breed in hun onderzoekers zitten in staat zijn om bij meer industriële incidenten een incidentonderzoek uit te voeren. Per saldo levert dit meer data over incidenten op, waarvan het IV-domein kan leren.
Samen leren
“Het belangrijkste verschil tussen een groot en een klein incidentonderzoek is het tijdsbeslag”, legt Westerbeke uit. “Een ‘groot’ onderzoek richt zich op grote en complexe incidenten, die zich kenmerken door grote impact en omgevingseffecten en politiek-bestuurlijke gevolgen. Zulke onderzoeken zijn zeer arbeidsintensief en tijdrovend; ze kunnen weken tot maanden in beslag nemen en vragen dus veel personele capaciteit van de betreffende veiligheidsregio. Omdat ook van kleinere incidenten, die veel vaker voorkomen, kan worden geleerd, was er binnen de werkgroep grote behoefte aan een instrument voor een gerichtere en laagdrempeliger vorm van incidentonderzoek.”
Westerbeke vervolgt: “Bij een klein incidentonderzoek ligt de nadruk op snel en adequaat leren van een incident, samen met het bedrijf. Zowel door verbeterpunten te signaleren als door goede voorbeelden te benoemen. Ook kleinere incidenten kunnen waardevolle inzichten opleveren in technische, organisatorische of communicatieve aspecten die anders onopgemerkt blijven. Een bijkomend doel van het uitvoeren van incidentonderzoek is het vaststellen welke lines of defence (LOD’s) effectief hebben gefunctioneerd en het incident hebben begrensd of gestopt, zodat de werking en effectiviteit van maatregelen kunnen worden beoordeeld. De verkregen inzichten kunnen worden benut bij advisering en vergunningverlening. Daar waar LOD’s niet hebben gefunctioneerd kan worden gekeken naar corrigerende maatregelen. “
De veiligheidsregio kan hierbij verschillende rollen aannemen: vanuit gezamenlijk leren met het bedrijf, als adviseur van het bevoegd gezag en formeel als toezichthouder bij industriële bedrijven. De scope blijft gericht op het functioneren en de werking van organisatorische en technische lines of defence in de incidentbestrijding en de samenwerking met overheidshulpdiensten. “Zo kunnen we uit een groter aantal incidenten lessen trekken en met elkaar delen, wat uiteindelijk het doel is van incidentonderzoek.”
Ammoniaklekkages
Het genoemde protocol is in 2025 ontwikkeld en tussen augustus 2025 en eind mei dit jaar heeft de VRR in totaal 11 incidenten in de categorie ‘klein’ onderzocht. Dat heeft al aardig wat casuïstiek opgeleverd waarvan kan worden geleerd. Westerbeke noemt onder andere enkele incidenten met lekkages van vloeibare ammoniak aan flenzen, afsluiters en losslangen bij verladingsinstallaties. “Dit is een actueel onderwerp, omdat ammoniak in beeld is als waterstofdrager binnen de energietransitie. De mogelijke gevolgen van een lekkage kunnen groot zijn, waardoor het belangrijk is om incidenten zorgvuldig te onderzoeken en de geleerde lessen te delen.”
Verder vertelt Westerbeke: “Uit de praktijk is gebleken dat de alarmering van omliggende bedrijven door het bedrijf waar een ammoniakincident plaatsvindt niet altijd snel genoeg verloopt. De lessen uit onze onderzoeken hebben geleid tot betere afspraken over de alarmering van buurtbedrijven en de samenwerking tussen bedrijven onderling. Daarnaast kunnen we met de resultaten uit de onderzoeken al voorzichtige conclusies trekken op de effectiviteit van effectbeperkende maatregelen. Deze data kan worden gebruikt voor het onderbouwen van onze adviezen op aanvragen van omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten aan omgevingsdiensten.”
Lessen delen
De Werkgroep Incidentonderzoek is in 2020 gestart. Nu er meer incidentonderzoeken uitgevoerd worden, komt volgens Westerbeke binnen de werkgroep regelmatig de behoefte aan een slimmere manier van delen van lessen uit die onderzoeken op tafel. “Een gestandaardiseerde landelijke methodiek om onderzoeksgegevens te delen is er tot op heden nog niet, want elke regio heeft zijn eigen methodiek en format om resultaten vast te leggen. Binnen de werkgroep delen we resultaten en lessen wel, maar dat gaat nu vooral nog met documenten via de mail. We willen voorkomen dat de lessen beperkt blijven tot de werkgroepleden. Daarom ontwikkelen we dit jaar het format voor een factsheet, waarmee belangrijke lessen en conclusies uit incidentonderzoeken gemakkelijker en breder verspreid kunnen worden binnen het Netwerk Industriële Veiligheid.”
Westerbeke stelt vast dat de afgelopen jaren in veel veiligheidsregio’s flinke stappen zijn gezet in het opzetten en de uitvoering van industrieel incidentonderzoek. Zo loopt er binnen de afdeling Industriële Veiligheid van de VRR een pilot met een dagdienstpiket, waarmee het mogelijk is om snel met een incidentonderzoek te starten. “Deze inrichtingsvorm is wellicht niet in elke veiligheidsregio haalbaar of noodzakelijk. Het nieuwe protocol kan er zeker aan bijdragen om ook bij een kleinere personele bezetting uitvoering te geven aan incidentonderzoeken.“
Project voor GHOR-advies bij vergunningaanvraag voor milieubelastende activiteit (MBA)
Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, juli 2026
Recent is het project ‘GHOR-advies’ gestart. Het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV) verzorgt de projectleiding van het opstellen van een werkwijze voor GHOR-advies bij vergunningaanvragen voor milieubelastende activiteiten (MBA). De projectgroep bestaat uit deelnemers vanuit GHOR Nederland (themagroep Omgevingsveiligheid) en Brandweer Nederland (sector Milieu & Industrie en het netwerk Omgevingsveiligheid). Het project wordt gesubsidieerd vanuit het Ontwikkelbudget Omgevingsveiligheid 2025-2028.

Nieuwe, aanvullende beoordelingsregel
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt een nieuwe, aanvullende beoordelingsregel: bij vergunningaanvragen voor MBA’s moet het bevoegd gezag beoordelen of de geneeskundige hulpverlening aan personen voldoende is geborgd. Dit betreft milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen die leiden tot externe veiligheidsrisico’s uit bijlage III van artikel 4.33 van het Omgevingsbesluit.
Handreiking voor GHOR-advies
Het project ‘GHOR-advies’ heeft tot doel om een handreiking op te stellen voor het GHOR-advies bij vergunningverlening MBA. Zowel proces als inhoud van deze werkwijze wordt uitgewerkt. Dit onderwerp vraagt een samenspel tussen Risicobeheersing en GHOR in de veiligheidsregio. Met als doel dat dit nieuwe aspect geïntegreerd wordt in het advies van de veiligheidsregio aan het bevoegd gezag. Omdat ervaring en methodieken nog niet beschikbaar zijn, worden ook inhoudelijke kaders, formats en standaard ontwikkeld.
Werksessies in najaar
De projectgroep bestaat, naast het LEC IV, uit vertegenwoordiging van een aantal landelijke netwerken. Dit zijn vanuit GHOR Nederland de themagroep Omgevingsveiligheid en vanuit Brandweer Nederland de netwerken Omgevingsveiligheid en de sector Milieu & Industrie. De projectgroep geeft sturing aan de uitvoering van het project en het ontwikkelen van de activiteiten. Via de netwerken worden inhoudelijke informatie en input opgehaald in het land. Hiervoor zal ook een aantal werksessies worden georganiseerd in het najaar van 2026.
Looptijd tot 2028
Het project heeft een looptijd tot 2028 en de ontwikkelde producten zullen via het LEC IV en de betrokken netwerken landelijk gedeeld worden.
Traineeship Omgevingsveiligheid afgesloten, veel animo voor tweede ronde
Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, juli 2026
Op 5 juni jl. is het eerste traineeship Omgevingsveiligheid met een officieel en feestelijk tintje afgesloten. De twaalf trainees, die inmiddels allemaal een baan hebben gevonden bij een veiligheidsregio, kwamen samen met hun begeleiders en andere bij het programma betrokkenen bijeen in het Utrechtse stadskasteel Oudaen. Ondertussen is de werving voor het tweede traineeship dat dit najaar start in volle gang. Met zo’n 360 sollicitatiebrieven in 3 maanden tijd, mag beslist worden gesproken van een overweldigende belangstelling voor een job bij de veiligheidsregio onder afgestudeerde schoolverlaters.

Missie geslaagd
Tijdens de afsluitende bijeenkomst in Utrecht ontvingen alle trainees hun certificaat. Twee deelnemers hebben ook al de theoretische NIPV-leergang Specialist ruimtelijke veiligheid afgerond. De overige tien krijgen hun diploma in de komende maanden, na afronding van hun scriptie. Tijdens de middag werd teruggeblikt op het programma, werden ervaringen gedeeld en waren er dankwoorden van de trainees en hun mentoren. De conclusie in een notendop: missie geslaagd! Voor de trainees én de veiligheidsregio’s die via deze weg nieuwe risicobeheersingsspecialisten aan zich hebben kunnen binden voor de taakvelden industriële veiligheid (IV) en omgevingsveiligheid (OV).
Van idee tot traineeship
“En precies dat was de bedoeling van het traineeship”, vat programmamanager Ron Bouwman van het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV) samen. “Het plan om via een traineeship met een gericht kort scholingsprogramma van twee jaar jonge mensen op te leiden tot specialist, werd rond 2022 bedacht in Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. De gedachte was dat de veiligheidsregio’s zo versneld aan nieuwe vakmensen voor industriële- en omgevingsveiligheid konden worden geholpen. Specialismen met veel vacatures die niet eenvoudig vervulbaar bleken. Het idee kreeg direct de interesse van veel andere veiligheidsregio’s en vervolgens is, samen met het LEC IV en het NIPV, besloten een landelijk traineeprogramma op te zetten. Het nu afgeronde traineeship heeft aangetoond dat de regio’s en het NIPV dit samen zeer goed kunnen dragen. Ieder vanuit zijn eigen kennis en expertise. Nu de eerste twaalf deelnemers na hun traineeship allemaal een baan hebben gevonden, mogen we concluderen dat deze aanpak zijn vruchten heeft afgeworpen.”
Alumninetwerk
Het tweejarig traineeship heeft volgens Bouwman niet alleen nieuwe vakmensen opgeleverd voor veiligheidsregio’s met vacatures; het programma heeft ook bijgedragen aan versterking van het landelijk specialistennetwerk IV/OV. “Wat ik mooi vind, is dat na de feestelijke afronding de twaalf nieuwe collega’s allemaal contact houden met elkaar en met hun groep mentoren en begeleiders. Na het gezamenlijk doorgemaakte proces is het een hechte sociale groep geworden die via een ‘alumnistructuur’, zoals je die ook na universitaire opleidingen ziet, bijeen blijft. De nieuwe jonge collega’s willen via periodieke bijeenkomsten kennis en ervaringen blijven delen en kunnen elkaar zo ook gemakkelijker benaderen als zij feedback van anderen willen bij complexe veiligheidsvraagstukken. Zo krijgt het netwerk van IV- en OV-specialisten echt een ‘community karakter’.”
Grote stimulans
Bouwman constateert dat de positieve ervaringen van het eerste traineeship kennelijk een grote stimulans vormen voor schoolverlaters met interesse in een baan in het veiligheidsdomein. Want voor het tweede traineeship, waarvoor de werving in maart is begonnen, blijkt de animo bijzonder groot. Zo kreeg Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond al in de eerste week na de start van de inschrijving 35 enthousiaste sollicitatiebrieven binnen voor de 2 functies waarvoor een traineevacature is. In totaal zijn in de 3 maanden na de start van de aanmeldtermijn al zo’n 360 brieven binnengekomen bij de veiligheidsregio’s. Met dergelijke resultaten kunnen de initiatiefnemers van het tweede traineeship wellicht concluderen dat een baan als risicobeheersingsspecialist bij de veiligheidsregio’s weer ‘sexy’ is.
In totaal hebben 16 veiligheidsregio’s 21 plaatsen opengesteld voor het tweejarige traineeprogramma. Sommige regio’s hebben dus meerdere plaatsen beschikbaar. Naast industriële veiligheid en omgevingsveiligheid kunnen trainees in deze tweede ronde nu ook kiezen voor brandveiligheid als specialisme: eveneens een vakgebied met forse behoefte aan nieuw instromende vakmensen, vanwege de steeds grotere verwevenheid van ruimtelijke veiligheidsvraagstukken met opgaven als woningbouw, aanleg van infrastructuur en de energie- en grondstoffentransitie.
Bouwman: “Het stemt echt heel hoopvol dat er zoveel interesse is voor deze belangrijke vakgebieden voor de veiligheid van Nederland. We hebben nu zelfs bij 2 veiligheidsregio’s een traineeplaats op de wachtlijst staan, omdat de opleidingsgroep maximaal 20 studenten telt. Bij die omvang blijft de ‘klassikale’ theorieopleiding goed beheersbaar, vooral wat betreft het persoonlijk ontwikkelingstraject van de trainees. 2 groepen van elk 10 trainees zijn de maximale omvang om mensen goed persoonlijk te kunnen begeleiden. Overigens behouden we de succesvolle elementen van het eerste traineeship, zoals de werkbijeenkomsten en expertsessies, waarvoor de afgezwaaide trainees heel veel waardering hadden. Verder wordt het algemene theoriedeel wat uitgebreider, zodat de trainees, voordat ze kiezen voor een van de drie taakvelden, allemaal een ruimere gezamenlijke basisvorming krijgen.”
Actualisatie bestuurlijke netwerkkaarten Geneeskundige hulpverlening algemeen en Infectieziekte
3 juli 2026
De bestuurlijke netwerkkaarten Geneeskundige hulpverlening algemeen en Infectieziekte zijn geactualiseerd. Sinds begin dit jaar fungeren de inspecteurs van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd niet meer als rijksheer. Beide netwerkkaarten en het onderliggende bevoegdhedenschema zijn overeenkomstig aangepast.

De bestuurlijke netwerkkaarten crisisbeheersing zijn een essentieel naslagwerk voor bestuurders en hun adviseurs tijdens crisissituaties. Ze bieden een overzicht van de verantwoordelijkheden en verplichtingen van bestuurders in uiteenlopende sectoren binnen de crisisbeheersing – van rampenbestrijding tot dierziektebestrijding en van vreemdelingenbeleid tot milieubescherming.
Bekijk de netwerkkaarten en het bevoegdhedenschema
Bekijk ook
Whole of society: de herkomst en betekenis van het begrip
1 juli 2026
Door de toenemende aandacht voor maatschappelijke weerbaarheid en een maatschappijbrede aanpak van crises wordt het begrip whole of society steeds vaker gebruikt in beleid, onderzoek en publieke discussies. Tegelijkertijd blijkt dat niet altijd duidelijk is wat precies met het begrip wordt bedoeld en hoe de betekenis ervan zich heeft ontwikkeld.

Daarom heeft het NIPV onderzocht waar de term vandaan komt en welke invulling eraan wordt gegeven in wetenschappelijke literatuur en beleidsdocumenten. Het onderzoek biedt inzicht in de oorsprong, ontwikkeling en betekenis van het begrip en draagt daarmee bij aan een beter begrip van de rol die overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers kunnen spelen bij de voorbereiding op, aanpak van en het herstel na crises.
Oorsprong van het begrip
De term whole of society werd voor het eerst gebruikt door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in 2009. In een handleiding voor overheden en bedrijven over de voorbereiding op en respons bij pandemieën werd het begrip geïntroduceerd als een manier om verschillende maatschappelijke partijen gezamenlijk te betrekken bij crisisaanpak.
Sindsdien is de term in tal van internationale beleidsdocumenten terug te vinden, vaak in combinatie met het begrip whole of government. Waar whole of government verwijst naar effectieve samenwerking tussen verschillende overheidsorganisaties, gaat whole of society een stap verder.
Samenwerking tussen overheid, organisaties en burgers
De kern van een whole-of-society-aanpak is de samenwerking tussen overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers. Deze samenwerking is niet alleen van belang tijdens een crisis, maar ook in de voorbereiding daarop en in de periode van herstel.
Uit het onderzoek blijkt dat een dergelijke aanpak niet van de ene op de andere dag kan ontstaan. Effectieve samenwerking tijdens crises vraagt om relaties, vertrouwen en afspraken die al in normale omstandigheden worden opgebouwd. De basis voor een maatschappijbrede aanpak moet daarom worden gelegd voordat een crisis zich aandient.
Van crisispartners naar de hele samenleving
In de loop der jaren heeft het begrip whole of society een bredere invulling gekregen. Waar aanvankelijk vooral werd gedacht aan samenwerking tussen overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties, worden in recente beleidsdocumenten ook andere partijen nadrukkelijk genoemd. Zo spelen, naast NGO’s, ook onderzoeksinstellingen een belangrijke rol bij het leveren van kennis en expertise. Daarnaast worden gevestigde media gezien als een essentiële schakel in het verspreiden van betrouwbare informatie aan zowel overheden als burgers.
Lees het onderzoek en de factsheet
Bekijk ook
30 juni 2026
Op dinsdag 7 juli wordt de release LCMS 2026 Q3 – 30.5 uitgerold op de Operationele omgeving van het LCMS. In het liveblog onderaan dit bericht houden we je tijdens de uitrol op de hoogte van de voortgang.
Planning release
Er is geen sprake van downtime. Houd wel rekening met het volgende:
- De Operationele omgeving is vanaf 09:00 uur niet beschikbaar.
- De Oefenomgeving blijft beschikbaar. Het is daarom mogelijk om bij crisissituaties uit te wijken naar de Oefenomgeving. Geef in de naam van de activiteit duidelijk aan dat het om een Operationele activiteit gaat.
- De Operationele omgeving is naar verwachting vanaf 16:00 uur weer beschikbaar.
Inhoud release
In dit bericht vind je meer informatie over de inhoud van de release.
Vragen?
Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan contact op met de beheerder van jouw organisatie.
Release LCMS 2026 Q3 – Operationele omgeving
Via dit liveblog volg je de voortgang van de release LCMS 2026 Q3 – 30.5 op de Operationele omgeving.
Dit liveblog is gesloten.
Release afgerond
De uitrol op de Operationele omgeving is succesvol afgerond. Dit betekent dat ook de Operationele omgeving weer beschikbaar is.
Vanwege de wijzigingen adviseren wij je de cache en cookies te wissen.
Heb je vragen over deze release? Neem dan contact op met de beheerder van jouw eigen organisatie. De organisatiebeheerder heeft de contactgegevens van het NIPV en kan contact met ons opnemen.
Vanwege de release is de Operationele omgeving momenteel (tussen 09:00-16:00 uur) niet beschikbaar.
Uitrol gestart
We zijn gestart met de uitrol van de Release LCMS 2026 Q3 – 30.5 op de Operationele omgeving.

