Lessen uit de bovenregionale stresstest wateroverlast bij Veiligheidsregio’s Amsterdam-Amstelland en Utrecht
Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, februari 2026
“Het is een indicatie, geen waarheid, maar wel een noodzakelijke stap”

Wat gebeurt er als een extreme regenbui zoals die in Limburg in 2021 niet daar, maar elders in Nederland valt? Die vraag ligt aan de basis van de bovenregionale stresstest wateroverlast. Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland en Veiligheidsregio Utrecht zitten er middenin. Adviseurs crisisbeheersing Anne van Diepen en Elsbeth van der Graaf vertellen waarom deze stresstest waardevol is, waar ze tegenaan lopen en waarom het ondanks alles belangrijk is om ermee door te gaan.
Een gezamenlijke exercitie na Limburg 2021
De bovenregionale stresstest is een landelijke exercitie die voortkomt uit de overstromingen in Limburg. “De minister wilde weten: wat gebeurt er in Nederland als zo’n bui ergens anders valt?” vertelt van Diepen. “Dat is de kern van deze stresstest.”
In tegenstelling tot de regionale stresstesten van gemeenten en waterschappen, richt deze test zich op een langdurige, extreme neerslagsituatie: 200 millimeters regen in twee dagen, verspreid over een groot gebied. Nederland is hiervoor opgedeeld in zeven stroomgebieden, die elk tegelijk zijn doorgerekend.
Drie fasen: van waterbeeld naar risicodialoog
De bovenregionale stresstest bestaat uit drie opeenvolgende fasen. Van Diepen legt het proces uit: “De eerste fase zijn de waterbeelden. Die zijn opgesteld door de waterschappen. Zij hebben in kaart gebracht wat er gebeurt als zo’n ‘Limburg bui’ in hun stroomgebied valt.”
Deze waterbeelden laten zien waar water blijft staan en hoe het zich verspreidt. Daarna volgt de tweede fase: het gevolgenbeeld. “In het gevolgenbeeld kijk je: wat staat er in dat water? Welke vitale en kwetsbare objecten, infrastructuur of processen worden geraakt? En wat betekent dat voor de continuïteit van functies?”
In die fase wordt naar veel verschillende objecten gekeken, van ziekenhuizen en energiebedrijven tot zendmasten en kazernes. Van der Graaf benadrukt dat dit zorgvuldig is georganiseerd: “We hebben heel bewust gekeken wie welke partijen bevraagt, zodat organisaties niet door vijf regio’s dezelfde vragen krijgen. Dat heeft het ministerie van I&W samen met ons uitgewerkt in een handreiking en een gezamenlijke uitvraag.”
De derde fase bestaat uit risicodialogen. En die zijn volgens van Diepen cruciaal. “Zonder risicodialoog mis je de duiding. Een kaart laat misschien zien dat er water tegen de gevel van een ziekenhuis staat, maar pas in gesprek met de beheerder ontdek je of dat echt een probleem is. Staat de noodstroom in de kelder? Zijn er maatregelen getroffen om het water buiten te houden? Dat soort informatie haal je alleen op in de dialoog.”
Waardevol, maar niet zonder haken en ogen
Hoewel van Diepen en van der Graaf het belang van de stresstest onderschrijven, zijn ze ook realistisch. Een belangrijke uitdaging zit in de modellen die gebruikt zijn. “Het is echt een indicatie, geen waarheid,” zegt van der Graaf. “In ons gebied zien we dat het ene deel volgens het model heel nat is en het andere juist bijna droog. Dat kan niet allebei tegelijk kloppen. Het heeft te maken met verschillende rekenmethodes die door de verschillende waterschappen worden gebruikt.”

Ook binnenstedelijke effecten zijn beperkt meegenomen. Riolering is bijvoorbeeld niet in de modellen verwerkt. “Daardoor laten de kaarten soms zien dat er ‘niets gebeurt’ in steden als Amsterdam of Utrecht,” zegt van Diepen. “Terwijl we uit andere berekeningen weten dat wateroverlast daar wel degelijk een probleem is.”
Dat vraagt om zorgvuldige communicatie, benadrukken beiden. “Je moet steeds blijven uitleggen: dit is de uitkomst van een model, niet de werkelijkheid,” zegt van der Graaf. “Maar beelden zijn krachtig. Een kaart blijft hangen, een nuance in tekst veel minder.”
Capaciteit en samenhang als terugkerende uitdaging
Een andere grote uitdaging is capaciteit. Niet elke veiligheidsregio of partner heeft evenveel mensen of tijd beschikbaar. “Deadlines zijn er wel, maar die worden niet altijd gehaald,” zegt van Diepen. “Dat komt doordat er niet altijd genoeg uitwerkingskracht bij de regio’s is. Daar komt bij dat organisaties ook vanuit andere trajecten worden bevraagd, zoals regionale stresstesten of andere risicodialogen.”
“De kunst is om te voorkomen dat instellingen, zoals ziekenhuizen, vier keer hetzelfde gesprek moeten voeren,” zegt van der Graaf. “Je wilt elkaar versterken, niet overvragen.” Daarom zetten beiden sterk in op samenwerking en kennisdeling tussen veiligheidsregio’s, onder andere via de themagroep Waterveiligheid. “We proberen veel meer van elkaar te leren: wie loopt waar tegenaan, welke oplossingen werken?” zegt van Diepen. “Want we hebben simpelweg niet genoeg capaciteit om alles alleen te doen.”
Meer dan water alleen
Hoewel deze stresstest specifiek is ingegeven door extreme neerslag, zien beiden bredere waarde. “Dit kan ook een blauwdruk zijn,” zegt Anne. “Hitte en droogte houden zich net zo min aan regiogrenzen. De lessen die we hier leren, kun je breder toepassen.”
Uiteindelijk bieden de stresstesten kansen om klimaat- en waterveiligheid onder de aandacht te brengen bij een grote verscheidenheid aan organisaties. Organisaties die als ze niet voorbereidt zijn op zo’n extreme regenbui mogelijk problemen ondervinden die ze vooraf niet hadden verwacht en intern niet kunnen oplossen. In dat geval zullen ze de brandweer bellen voor assistentie. Helaas zijn de capaciteiten van de hulpdiensten niet groot genoeg om al die organisaties tegelijk te ondersteunen. “Veel organisaties nemen water nog niet standaard mee in hun crisisplannen,” zegt van Diepen. “Deze exercitie is voor hen echt een wake-up call.”
Een noodzakelijke eerste stap
Ondanks alle beperkingen overheerst bij beiden een positieve houding. “Het klinkt soms kritisch, maar we zijn blij dat we hier onderdeel van zijn,” benadrukt van Diepen. “Het is een belangrijke eerste stap.” Van der Graaf vult aan: “Dit is misschien niet perfect, maar het is beter dan niets. En het belangrijkste is: we hopen dat het hier niet stopt, maar dat er vervolgstappen komen.”
Voor andere veiligheidsregio’s die aan hun eigen stresstest werken, is dat misschien wel de belangrijkste boodschap: het is complex, soms rommelig en zeker niet af, maar juist daarom waardevol.
Bekijk ook
Paraatheid van vrijwillige brandweerposten onderzocht
12 februari 2026
In landelijke onderzoeken wordt gesignaleerd dat de paraatheid van vrijwillige brandweerposten in Nederland onder druk staat. Maar het is onduidelijk of dit landelijk, regionaal of lokaal speelt en of het vaak voorkomt. Uit onderzoek van het NIPV blijkt dat er geen eenduidig knelpunt is in het garanderen van de 24/7‑inzetbaarheid van vrijwillige posten. En dat er geen uniforme oplossingen zijn. Hoewel alle veiligheidsregio’s melden dat zij op de een of andere manier te maken hebben met knelpunten, geldt dit meestal maar voor een deel van de posten en lang niet altijd.

Drie centrale vragen
Het onderzoek richtte zich op drie vragen:
- Hoe wordt de paraatheid van brandweervrijwilligers gemonitord en gehandhaafd?
- Welke knelpunten worden er ervaren op het gebied van paraatheid? En wat zijn de oorzaken hiervan?
- Welke oplossingen worden er ingezet om de paraatheid te borgen of te vergroten? En in hoeverre zijn deze succesvol?
Aard, omvang en oorzaken verschillen per regio, post en individuele vrijwilliger
Uit het onderzoek blijkt dat de manier waarop de paraatheid wordt gemonitord en gehandhaafd varieert per regio en per post. Alle regio’s signaleren knelpunten in de paraatheid van vrijwillige posten, maar er is geen enkel knelpunt dat overal voorkomt. De aard, omvang en oorzaken verschillen per regio, post en individuele vrijwilliger. Regio’s en posten passen een breed scala aan maatregelen toe om paraatheid te borgen. Dit varieert van preventieve maatregelen tot oplossingen die onderbezetting compenseren of de gevolgen ervan beperken.
Rode draden van het onderzoek
Hoewel er dus verschillen zijn in ervaren knelpunten en oplossingen, komen er uit het onderzoek een aantal duidelijke rode draden naar voren:
Geen one-size-fits-all
Of een post een probleem met de paraatheid ervaart, hangt af van veel oorzaken en perspectieven. Maatwerk is noodzakelijk, afgestemd op de lokale context, de sociale dynamiek op de post en de motivatie en drijfveren van vrijwilligers.
Postcommandanten nemen hun rol serieus
Postcommandanten zetten hun leiderschap in bij het coördineren en bewaken van de paraatheid. Hun rol is cruciaal bij het motiveren, aanjagen en aanspreken van vrijwilligers om voldoende beschikbaarheid te realiseren. Postcommandanten zoeken oplossingen samen met hun ploeg, stimuleren betrokkenheid en grijpen in wanneer de paraatheid onder druk staat.
Spanning tussen de snelste en duurzame brandweerzorg
Een sterke focus op het leveren van de snelst mogelijke brandweerzorg, strak sturen op mediaantijden (de mediaantijd is de middelste tijd in een reeks tijden, red.) en dynamische alarmering toepassen, verkorten de responstijd. Dit kan leiden tot averechtse effecten op de langere termijn. Zoals stress en morele druk bij vrijwilligers, een negatieve impact op de motivatie en problemen met het combineren van brandweerwerk en privéleven.
Sommige regio’s pakken dit anders aan: vrijwilligers zijn zo veel mogelijk beschikbaar, maar niet ten koste van alles. Het fijnmazige netwerk aan brandweerposten in deze regio’s zorgt ervoor dat het buiten dienst gaan van een post wordt opgevangen door een naburige post. Ook sturen deze regio’s minder strak op mediaantijden.
Spanning door het gebruik van agenda-applicaties
Er wordt veel gebruikgemaakt van agendatools waarin vrijwilligers hun beschikbaarheid vooraf registreren. Behalve duidelijke voordelen kennen deze tools ook nadelen. Zo kunnen er spanning en morele druk ontstaan wanneer vrijwilligers zich willen uitmelden, en daarmee de post buiten dienst zetten. Het continu nauwkeurig moeten bijhouden van de beschikbaarheid levert een belasting op. Dit vraagt om reflectie en bewuste keuzes over hoe deze tools de paraatheid ondersteunen zonder extra druk of ongewenste effecten te creëren.
Rapport, samenvatting en maatregelenmatrix
Naast het rapport zijn een samenvatting en een maatregelenmatrix beschikbaar. De matrix bundelt de maatregelen om paraatheidsknelpunten te voorkomen, op te lossen of de gevolgen ervan te beperken.
Bekijk ook
Hergebruik van stalen aardgasleidingen voor waterstof vraagt zorgvuldige beoordeling
12 februari 2026
Het NIPV onderzocht op verzoek van enkele veiligheidsregio’s welke maatregelen nodig zijn om waterstof veilig te kunnen transporteren via bestaande hogedruk aardgastransportleidingen. Zij hebben namelijk zorgen over de manier waarop waterstof de eigenschappen van deze stalen leidingen beïnvloedt.

Verbrossing en vermoeiing
Door de aanwezigheid van waterstof neemt in stalen hogedruk aardgastransportleidingen de weerstand tegen scheurgroei (verbrossing) af en stijgt de groeisnelheid van microscheurtjes (vermoeiing). Het rapport maakt inzichtelijk onder welke omstandigheden deze twee degradatieprocessen optreden en welke aandachtspunten daarbij komen kijken voor het veilig gebruik van bestaande aardgasleidingen
Maatregelen en voorwaarden voor veilig waterstoftransport
Maatregelen die genomen kunnen worden, hebben betrekking op:
- een goede analyse van het gebruikte staal
- de inspectie en monitoring van de aardgasleidingen
- de optimalisatie van procescondities.
In het rapport wordt geconcludeerd dat hergebruik van aardgasleidingen voor waterstof mogelijk is, mits uit een beoordeling blijkt dat de technische staat, het materiaal en de uitvoering geschikt zijn voor waterstoftoepassing. Deze beoordeling ligt bij de leidingexploitant.
Betere informatiepositie
Met dit rapport komt kennis beschikbaar over verbrossing en vermoeiing van stalen leidingen onder invloed van waterstof en over de manieren waarop deze effecten beheerst kunnen worden. Dit biedt betrokken instanties een goede basis om het gesprek te voeren met de leidingexploitant over de veiligheid van waterstoftransport via bestaande aardgasleidingen.
Lees het rapport
Bekijk ook
Nieuwe praatplaat over het meerlaagveiligheidsmodel
Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, februari 2026
Met deze publicatie is een overzicht ontstaan van de verschillende rollen en maatregelen bij veiligheidsregio’s, partners, kennisinstituten en nationale programma’s.

De effecten van klimaatverandering vergroten de risico’s op droogte en extreme weersomstandigheden, die nieuwe uitdagingen met zich meebrengen voor risico- en crisisbeheersing. Met de publicatie van de praatplaat is een overzicht ontstaan van de verschillende rollen en maatregelen bij veiligheidsregio’s, partners, kennisinstituten en nationale programma’s. Door dit per fase in kaart te brengen willen de veiligheidsregio’s samenwerking stimuleren en de (veiligheids)keten versterken.
Grotere rol meerlaagsveiligheidsmodel
Veiligheidsregio’s pleiten al langer voor een grotere rol van meerlaagsveiligheid. Het doel van het toepassen van dit model is een betere en sterkere keten van preventie, crisisbeheersing en klimaatrobuust herstel. De verschillende lagen – 5 stuks – bestaan uit: bewustzijn, preventie, gevolgbeperking, crisisbeheersing, nafase & herstel.
Charlotte van Ruijven, programmamanager klimaatveiligheid: “Het sterke aan het meerlaagsveiligheidsmodel is dat het niet alleen toepasbaar is op waterveiligheid, maar ook op droogte, hitte en natuurbranden. Eigenlijk op vrijwel alle risico’s die klimaatverandering met zich meebrengt.”
Het principe is dat de verschillende lagen elkaar versterken. “Het model maakt duidelijk dat systemisch denken en werken belangrijk zijn: iedere betrokken partij – gemeente, waterschap, veiligheidsregio – vervult een specifieke rol binnen een van de lagen. Het wordt dus steeds belangrijker om verder te kijken dan alleen de eigen laag. En samenhang te zoeken met de rest van het systeem”, aldus Van Ruijven.
Samenwerken in een projectwerkplaats
De praatplaat is tot stand gekomen in een projectwerkplaats. Hierin hebben experts uit de veiligheidsregio’s, onder begeleiding van het NIPV, intensief samengewerkt om tot dit resultaat te komen.
De projectwerkplaats is een initiatief van het programma Klimaatveiligheid, een samenwerking tussen de veiligheidsregio’s, het KNMI, het ministerie van Justitie en Veiligheid en het NIPV.
Bekijk de praatplaat
Bekijk ook
Wervingscampagne voor 55e voltijdopleiding Brandweerofficier gestart
10 februari 2026
De brandweer zoekt nieuwe voltijd brandweerofficieren in opleiding. Mensen die willen bijdragen aan een veilig en veerkrachtig Nederland. In september 2026 start bij het NIPV de 55e voltijdopleiding Brandweerofficier. Acht veiligheidsregio’s zijn hiervoor op zoek naar talentvolle kandidaten die willen doorgroeien tot brandweerofficier. Zij komen in dienst bij een veiligheidsregio en volgen de opleiding bij het NIPV.

Als brandweerofficier werk je in het hart van de samenleving. Je werkt aan risicobeheersing, draagt bij aan beleidsontwikkeling en leidt teams tijdens crisissituaties. Je combineert daadkracht met empathie, en vakkennis met leiderschap. Je maakt het verschil, elke dag opnieuw. Je krijgt een baan met maatschappelijke relevantie én volop ontwikkelmogelijkheden.
Solliciteren kan tot 7 april 2026
Solliciteren voor functie van brandweerofficier kan tot 7 april 2026. Kijk voor meer informatie op de website www.brandweerofficier.nl. Hier zijn ook verhalen te vinden van drie oud-studenten waarin zij terugkijken op de opleiding en hun carrière tot nu toe.
Bekijk ook
NIPV werkt aan verbetering crowd-simulaties met 3D-data voor veiliger evenementen
4 februari 2026
Voor grootschalige evenementen zoals SAIL Amsterdam, de Nijmeegse Vierdaagse en de huldiging van Ajax is het essentieel om voetgangerstromen goed te kunnen managen. Dat vraagt om meer dan alleen een stratenplan. Ook objecten in de openbare ruimte, zoals terrassen, plantenbakken, lantaarnpalen en luifels, hebben grote invloed op hoe mensen zich verplaatsen. Een actueel en nauwkeurig beeld van deze elementen is cruciaal voor realistische simulaties van mensenmassa’s.

Samen met technologiepartner uCrowds werkt het NIPV aan het verbeteren van crowd-simulaties door verschillende 3D-kaarten met elkaar te combineren. Door deze lagen over elkaar heen te leggen, ontstaat een gedetailleerd en actueel beeld van de openbare ruimte.
Als voorbeeld gebruikt het NIPV onder meer een 3D-LiDAR-beeld van het NIPV-pand in Arnhem, waarbij objecten zoals bomen zijn weggefilterd om beter zicht te krijgen op relevante structuren (zie de afbeelding hierboven).
In de komende periode worden deze 3D-beelden en kaarten ingezet om objecten in de openbare ruimte automatisch te identificeren en classificeren. Dit gebeurt met behulp van data-analyse en kunstmatige intelligentie. Door te weten waar obstakels zich bevinden en wat hun impact is op looproutes, kunnen simulaties van mensenmassa’s nauwkeuriger worden en beter aansluiten op de praktijk van veiligheidsprofessionals.
Onderzoeksproject INVISE
Deze werkzaamheden zijn onderdeel van het onderzoeksproject INVISE. Binnen dit project werken het NIPV, uCrowds en Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland samen aan de ontwikkeling van zogeheten digital twins: digitale kopieën van de leefomgeving die kunnen voorspellen hoe mensen zich gedragen bij grote evenementen en in crisissituaties.
INVISE richt zich op het slim combineren van uiteenlopende databronnen, zoals 3D-beelden van gebouwen en straten en informatie over looproutes en nooduitgangen. Door deze data beter op elkaar af te stemmen, worden computersimulaties betrouwbaarder. De toepassingen reiken verder dan evenementen alleen en zijn ook relevant voor drukke stadscentra en andere complexe veiligheidsvraagstukken.
De technologie is inmiddels getest met gegevens van eerdere evenementen. In 2026 volgen praktijktesten tijdens live-evenementen, waarbij niet alleen de technische prestaties worden beoordeeld, maar ook de bruikbaarheid voor veiligheidsprofessionals in de dagelijkse praktijk.
Strategisch Programma Veiligheidsmarkt
De samenwerking vindt plaats binnen het Strategisch Programma Veiligheidsmarkt, dat zich richt op het versterken van publiek-private samenwerking voor onderzoek en innovatie. Het project INVISE wordt gefinancierd met PPS-i-middelen van het ministerie van Economische Zaken via TKI ICT, het topconsortium voor kennis en innovatie van de ICT-sector.
Bekijk ook
Ben je direct of indirect betrokken bij NL-Alert? Vul de vragenlijst in!
4 februari 2026
Het NIPV biedt, in samenwerking met het programma NL-Alert en het Ministerie van Justitie en Veiligheid, onderwijs en leermiddelen aan voor crisisbeheersingsfuncties en brandweerprofessionals rondom de inzet van NL-Alert. Heb jij al kennisgemaakt met één van onze onderwijsmodules? Dan zijn we benieuwd naar jouw ervaring.

Breed en samenhangend opleidingsaanbod voor NL-Alert
Het NIPV biedt NL-Alert-gebruikers een breed palet aan opleidingsmogelijkheden aan, zoals:
- E-modules voor de verschillende rollen binnen het NL-Alert-proces.
- Opleidingsmodules waarin op een realistische manier NL-Alert is geïntegreerd.
- Een breed aanbod van ondersteunende hulpmiddelen en actualiteitenmodules waar praktisch mee geoefend en gewerkt kan worden.
NL-Alert is structureel opgenomen in ons onderwijs, examinering en oefening. Dat zorgt ervoor dat crisisfunctionarissen niet alleen weten wat NL-Alert is, maar ook hoe en wanneer ze een NL-Alert effectief in kunnen zetten.
Jouw ervaring en mening doen ertoe!
Heb jij al eens één van onze onderwijsmodules gevolgd? Dan zijn we benieuwd naar jouw ervaring. Deel deze gerust met ons en vul de vragenlijst in.
De vragenlijst kon worden ingevuld tot 19 februari 2026 en is inmiddels gesloten.
Scripties over brandveiligheid gezocht voor NIPV-VVBA-scriptieprijs 2026
3 februari 2026
Ben jij in 2025 of 2026 afgestudeerd? En heeft jouw scriptieonderwerp te maken met brandveiligheid in de breedste zin van het woord? Stuur dan je scriptie in en maak kans op de FSE-scriptieprijs van € 1.200!

De Vereniging van Brandveiligheidsadviseurs (VVBA) en het NIPV loven ook dit jaar de NIPV-VVBA-scriptieprijs uit. De prijs is ingesteld voor de beste bachelor- of masterthesis op het gebied van brandveiligheid.
De beoordelingscriteria voor de scriptie zijn: de relevantie van het onderwerp in relatie tot de actualiteit en de maatschappij, de innovativiteit, de praktische toepasbaarheid, de diepgang van de analyse en het wetenschappelijk niveau.
Voorwaarden
De scriptie:
- is Nederlands- of Engelstalig
- heeft een omvang van minimaal 10 ect
- is ten minste hbo- (bachelor) niveau
- is met een voldoende beoordeeld
- is uitgevoerd aan een Nederlandse onderwijsinstelling of door een Nederlandse student aan een buitenlandse onderwijsinstelling.
Meedoen?
Wil je kans maken op de scriptieprijs? Stuur jouw scriptie in pdf-formaat vóór 1 april 2026 naar aanmelden@vvba.nl.
Nominaties en winnaar
De genomineerden worden bekendgemaakt tijdens de expertclass Next Generation aan de TU Eindhoven op 7 mei 2026.
De genomineerden mogen hun scriptie kort presenteren tijdens het Internationaal Congress Fire Safety & Science op 24 en 25 juni 2026 bij het NIPV in Arnhem, waar de winnaar bekend wordt gemaakt.
Bekijk ook
Eerste lichting herziene leerroute Brandonderzoek ontvangt diploma
2 februari 2026
“Bijzonder aan deze leerroute is dat deze is ontwikkeld om mensen van de brandweer én van de politie gezamenlijk op te leiden”, vertelt decaan Maarten de Groot.

Zestien kandidaten hebben met succes de leerroute Brandonderzoeker afgerond. Daarmee zijn zij de eerste groep die het diploma in ontvangst mag nemen sinds de leerroute volledig is herzien en vernieuwd. Een mooie mijlpaal, zowel voor de deelnemers als voor iedereen die heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van de leerroute. Met hun diploma op zak zijn deze professionals klaar om een waardevolle bijdrage te leveren aan het brandonderzoek binnen de veiligheidsregio’s en de politie. Gefeliciteerd!
Brandweer en politie gezamenlijk opleiden
“Bijzonder aan deze leerroute is dat deze is ontwikkeld om mensen van de brandweer én van de politie gezamenlijk op te leiden op het niveau van beginnend beroepsbeoefenaar”, vertelt Maarten de Groot, decaan Risicomanagement. Voor studenten van de Politieacademie is deze leerroute een verdieping op de opleiding Forensisch onderzoek advanced. Deze opleiding is ook interessant voor deelnemers van de bedrijfsbrandweer of van een verzekeringsmaatschappij. Dat levert een mooie interactie op tussen de deelnemers en verschillende praktijkcasussen.”
Herziening en vernieuwing
De Groot: “De leergang Brandonderzoek wordt al meer dan 15 jaar aangeboden bij het NIPV en was aan herziening en vernieuwing toe. Ook is gewerkt aan een nieuwe opzet met leerblokken, zodat de opleiding past binnen het leerlandschap Risicomanagement. De leerroute bestaat uit zes leerblokken en wordt afgesloten met een tweedaags praktijkexamen.”
Volwaardig diploma
Nieuw in de leerroute is dat de deelnemers vooraf thuis de theorie tot zich nemen. Hierdoor hebben de bijeenkomsten een veel praktischere insteek. De praktijklessen en het examen vinden plaats op de Twente Safety Campus. Het examen is wat verzwaard. Hierdoor krijgen de studenten nu een volwaardig diploma in plaats van een certificaat.
Nieuwe groepen van start
“Over het resultaat van de herziening ben ik heel tevreden. De leerroute heeft voor het eerst gedraaid met zestien deelnemers en ze zijn allemaal geslaagd. Eind vorig jaar zijn we gestart met een nieuwe groep en dit jaar start weer een nieuwe editie”, sluit De Groot af.
Bekijk ook
Verkenning centraal getroffenenregistratiesysteem
2 februari 2026
Hoe zorgen we dat getroffenen van rampen en crises beter en sneller in beeld zijn, zodat ze de juiste zorg en ondersteuning krijgen? Het RIVM en het NIPV verkennen dit samen. Dat gebeurt in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV).

Verbetering van de ondersteuning en zorg aan getroffenen
Op dit moment gebruiken verschillende organisaties eigen systemen om getroffenen te registreren tijdens een ingrijpende gebeurtenis of crisis. Dat leidt tot een versnipperd beeld, waardoor getroffenen soms niet op tijd de juiste ondersteuning en zorg krijgen die ze nodig hebben. Een centraal registratiesysteem kan dit verbeteren: van de eerste medische zorg tot de psychosociale nazorg in de nafase.
Femke de Zwart, projectleider en opdrachtcoördinator bij team Nazorg van het RIVM licht toe: “Op dit moment is de informatie over getroffenen erg versnipperd en niet aan elkaar verbonden. Iedere partij met een rol in de geneeskundige (witte) keten, heeft in een crisissituatie een eigen registratiesysteem of werkwijze. Hierdoor is het lastig om een goed overzicht te krijgen van de getroffenen. Dit zijn niet alleen de gewonden, maar ook de niet-gewonden en bijvoorbeeld ooggetuigen. Veel informatiedeling vindt plaats via mondelinge overdracht of via beveiligde mail. Met een centraal registratiesysteem is de informatie betrouwbaarder en ook sneller beschikbaar. En als de registratie aan de voorkant makkelijker gemaakt wordt, is dat ook helpend om passende nazorg te kunnen organiseren. Denk hierbij aan psychsociale nazorg en gezondheidsonderzoek bij rampen.”
Zowel belangrijk voor geneeskundige zorg als voor informeren van naasten
Slachtofferinformatiesystematiek (SIS, ‘Ik zoek mijn naaste), is ook onderdeel van de verkenning van een centraal getroffenenregistratiesysteem. Annelies Barrett, landelijk coördinator SIS bij het NIPV en projectteamlid: “De behoefte is voor ons tweeledig. Allereerst heeft SIS als doel om zo snel mogelijk naasten te informeren. Door gebruik te maken van een centraal getroffenenregistratiesysteem ontvangen we direct informatie uit de ziekenhuizen. Daardoor hoeft de GHOR deze gegevens niet apart op te vragen en in het informatiesysteem te verwerken. Dit versnelt het matchingsproces, waardoor naasten sneller geïnformeerd kunnen worden over de locatie van hun familielid, partner of vriend(in).”
Daarnaast verwacht Barrett een aanzienlijke kostenverlaging als alle partners één systeem gebruiken. “Er is behoefte aan een nieuw systeem dat beter aansluit bij de wensen van onze gebruikers. De doorontwikkeling van het huidige verwanteninformatiesysteem is op dit moment te kostbaar in verhouding tot het aantal gebruikers.”
Sturingsinformatie voor de crisisorganisatie en bestuur
Meike Nachenius, projectteamlid en senior beleidsmedewerker Grootschalige en Bijzondere Geneeskundige Opschaling (GBGO) bij het NIPV en projectteamlid: “Naast de andere voordelen, kun je met een centraal systeem overzichten genereren die veel actueler en betrouwbaarder zijn. De GHOR kan vervolgens duiding geven waar nodig. Denk hierbij aan een overzicht van gewonden waar de burgemeester altijd om vraagt als er een persconferentie volgt of als er veel persvragen zijn. Met een centraal registratiesysteem voorkom je verschillende cijfers vanuit meerdere disciplines . Je voorkomt ook verwarring over het aantal gewonden bij een grote crisis.”
Advies en vervolgstappen
Het projectteam hoopt dat met een nieuw systeem de informatie over getroffenen sneller beschikbaar komt en betrouwbaarder is. De Zwart: “Zodat naasten ook sneller hun vermiste familielid kunnen vinden omdat eerder bekend is waar ze zich bevinden, getroffenen de juiste zorg en nazorg kunnen krijgen, dat bestuurders sneller overzicht krijgen, dat registratie niet voelt als een extra handeling, maar gekoppeld wordt aan de huidige registratiesystemen en daardoor zonder veel extra handelingen wel veel toevoegt.”
In het najaar van 2025 brachten het RIVM en het NIPV samen met betrokken organisaties de huidige systemen, verantwoordelijkheden en wettelijke kaders in kaart. Ook vroeg het projectteam via een digitale vragenlijst de beoogde gebruikers naar wensen, kansen en zorgen rond een centraal registratiesysteem. De uitkomsten komen begin 2026 in een advies aan de ministeries over mogelijke vervolgstappen, vertelt De Zwart. “We danken de deelnemers aan de gesprekken en de vragenlijsten hartelijk voor hun waardevolle bijdragen en houden iedereen op de hoogte van de ontwikkelingen.”
