Experts uit Nederland en Duitsland delen lessen over de maatschappelijke impact van grootschalige, langdurige stroomuitval
11 juni 2026
Tijdens de masterclass ‘Langdurige stroomuitval… en dan?’ stonden de mogelijke gevolgen van een grootschalige, langdurige stroomuitval centraal. Onderzoekers, crisisprofessionals en bestuurders kregen inzicht in de lessen uit recente voorbeelden van stroomuitval in Europa. En in de uitdagingen waarvoor Nederland zich gesteld ziet.

Tijdens de masterclass presenteerde onderzoeker Marte Luesink de resultaten van een recent onderzoek van het NIPV en Veiligheidsregio Kennemerland naar de mogelijke gevolgen van grootschalige, langdurige stroomuitval in Nederland en hoe (crisis)organisaties zich hierop voorbereiden.
Ervaringen uit Berlijn
Een bijzonder onderdeel van de masterclass waren de bijdragen van burgemeester Marianne Schuurmans van de gemeente Haarlemmermeer en van hoofdcommissaris Ben Müller en eerste hoofdinspecteur Paul Fröhlich van de Berlijnse politie.
Burgemeester Schuurmans vertelde over het belang van lokale weerbaarheid en sociale netwerken, onder andere tijdens een stroomuitval: “In Haarlemmermeer heb ik het afgelopen jaar bijeenkomsten bezocht in dorpshuizen en wijkgebouwen waarin ik het gesprek ben aangegaan met bewoners. Centraal daarbij stond de vraag wat de bewoners zelf konden organiseren als de stroom 72 uur uitvalt. Daarbij heb ik ook uitdrukkelijk aangegeven dat zij dan even niet op de gemeente en hulpdiensten konden leunen. Je komt dan tot verrassende inzichten en oplossingen. Binnenkort zitten wij ook met ondernemers. Ook zij moeten zich voorbereiden en hebben een belangrijke taak in de keten.”
De praktijkervaringen uit Berlijn gaven waardevolle inzichten in de ervaringen van zowel hulpdiensten als inwoners tijdens een langdurige stroomuitval. De lange duur van de stroomuitval (4,5 dagen) zorgde voor een stapeling van problemen. De informatiehonger van inwoners bleef gedurende deze dagen groot.
De ervaringen en lessen uit Berlijn zijn waardevol voor de Nederlandse crisisbeheersing. Ze geven inzicht in wat een langdurige stroomuitval teweegbrengt in de samenleving en wat dit vraagt van hulpdiensten als de politie.
Integrale aanpak vereist
Een belangrijke boodschap tijdens de masterclass was dat voorbereiding op langdurige stroomuitval om een integrale aanpak vraagt. Crisisorganisaties worden zelf ook geraakt tijdens een stroomuitval. Redundantie in middelen en systemen is daarom van belangrijk om bedrijfscontinuïteit te borgen.
Daarnaast is het belangrijk om de respons te laten aansluiten op datgeen wat mensen daadwerkelijk doen en nodig hebben tijdens een crisis. Uit onderzoek en uit de recente gebeurtenissen in Berlijn blijkt dat sociale netwerken van grote waarde zijn tijdens een stroomuitval. De meeste mensen zijn zelfredzaam en hulpvaardig. Aandacht vanuit hulpdiensten en crisisorganisaties moet vooral worden besteed aan mensen in een kwetsbare positie. Dat vraagt om een brede benadering van crisisvoorbereiding, waarbij ook gemeenten, maatschappelijke organisaties en lokale netwerken een belangrijke rol spelen.
Belangrijkste lessen
De onderzoekers benadrukken dat voorbereiding op een grootschalige, langdurige stroomuitval een integrale aanpak vraagt van (crisis)organisaties. Het gaat om:
- investeren in het improvisatievermogen en de flexibiliteit van organisaties (we kunnen niet alle cascade-effecten overzien).
- redundantie organiseren, zoals technische fall-backsystemen.
- risico- en crisiscommunicatie aansluiten op datgeen wat mensen daadwerkelijk doen en nodig hebben.
- inzicht hebben in afhankelijkheden van partners en voorzieningen en het maken van goede afspraken daarover.
- investeren in sterke lokale netwerken en gemeenschappen die elkaar kunnen helpen wanneer dat nodig is.
Lees de factsheet
Tijdens de masterclass werd een factsheet uitgedeeld met de belangrijkste onderzoeksbevindingen en lessen voor de praktijk. Daarmee biedt het NIPV samen met Veiligheidsregio Kennemerland handvatten voor organisaties die hun voorbereiding op langdurige stroomuitval verder willen versterken.
Bekijk ook
Complexere energiesystemen vragen andere aanpak voor hulpdiensten
9 juni 2026
Nieuwe energie-innovaties combineren opslag, conversie en transport steeds vaker in één systeem dat gevoeliger is voor storingen, omdat complexiteit en onderlinge afhankelijkheden toenemen. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het NIPV naar zes innovatieve technologieën in de energietransitie.

Onderzoek naar zes innovatieve technologieën
Het NIPV onderzocht zes innovaties met potentieel grote invloed op het toekomstige energiesysteem. Het betreft systemen waarbij elektriciteit of waterstofdrager wordt omgezet in waterstof, energie wordt opgeslagen in vloeibare of chemische vorm en elektriciteit efficiënt wordt opgeslagen, getransporteerd of overgedragen.
De battolyser
Een battolyser combineert de functies van een batterij en een electrolyser, waardoor zowel elektriciteit kan worden opgeslagen als waterstof geproduceerd. Het risico op een thermal runaway is daarbij uitgesloten.
De belangrijkste risico’s hangen samen met de productie en opslag van waterstof, omdat incidenten ook effect kunnen hebben buiten de installatie. Deze risico’s kunnen worden beperkt met monitoring, gasdetectie, ventilatie en goede noodprocedures, waarbij incidentbestrijding gericht is op snelle detectie en gecontroleerde uitschakeling van de battolyser.
Liquid Air Energy Storage (LAES)
Bij LAES wordt energie opgeslagen door lucht vloeibaar te maken en later weer te expanderen om energie vrij te geven.
De belangrijkste risico’s ontstaan door de extreem lage temperatuur van vloeibare lucht en hebben betrekking op drukopbouw, afwijkende zuurstofconcentraties en materiaalverbrossing. Deze risico’s kunnen worden beheerst met maatregelen zoals drukontlasting, ventilatie, thermische isolatie en zuurstofmonitoring.
De effecten voor de omgeving blijven meestal beperkt tot de directe nabijheid van de installatie, terwijl incidentbestrijding zich richt op het beheersen van cryogene uitstroom (het vrijkomen of lekken van extreem koude vloeistoffen of gassen) en veilig optreden bij afwijkende zuurstofconcentraties.
Supergeleidende kabels
Supergeleidende kabels kunnen bij zeer lage temperaturen grote hoeveelheden elektriciteit vrijwel zonder energieverlies transporteren. Wanneer het cryogene koelsysteem uitvalt, kunnen de supergeleidende eigenschappen verloren gaan en kan oververhitting in de kabel ontstaan.
De impact op de omgeving is beperkt, omdat de kabels nauwelijks elektromagnetische straling veroorzaken. Bij incidenten ligt de nadruk op het gecontroleerd uitschakelen en isoleren van zowel de elektrische als de cryogene onderdelen van het systeem.
Draadloos opladen
Bij draadloos opladen van elektrische voertuigen wordt energie overgedragen door een wisselend magnetisch veld dat stroom opwekt in een spoel (inductief laden). De belangrijkste risico’s zijn elektromagnetische velden en lokale warmteontwikkeling in en rond het systeem, vooral in de directe omgeving.
Deze risico’s kunnen worden beperkt door afscherming van magnetische velden, het automatisch stoppen van laden bij ongewenste objecten en goede systeemcompatibiliteit. Bij incidenten is het van belang dat het systeem snel kan worden uitgeschakeld en duidelijk herkenbaar is voor hulpverleners.
Thermochemische opslag
Bij thermochemische opslag wordt warmte opgeslagen of vrijgegeven via omkeerbare chemische reacties of processen. Afhankelijk van de toepassing worden verschillende vaste stoffen gebruikt, die bij lekkage soms beperkte hoeveelheden toxische of brandbare gassen kunnen vormen.
De risico’s zijn goed beheersbaar wanneer gesloten systemen en gecontroleerde omgevingen worden toegepast. De gevolgen voor de omgeving blijven doorgaans beperkt, al moet worden voorkomen dat vaste stoffen zich verspreiden of in contact komen met water.
Het kraken van ammoniak
Bij het kraken van ammoniak wordt ammoniak bij hoge temperatuur omgezet in waterstof en stikstof. De belangrijkste risico’s zijn het vrijkomen van toxische ammoniak, brandbaar waterstofgas, hoge temperaturen en materiaaldegradatie.
Deze risico’s kunnen worden beperkt met geschikte materialen, monitoring van druk en temperatuur, gasdetectie en systemen voor gecontroleerde uitschakeling. Bij incidenten ligt de nadruk op het beperken van blootstelling aan ammoniak en het voorkomen van ontsteking van waterstof door afstand te houden en de omgeving veilig te stellen.
Analyse en duiding
Wat bij deze innovaties opvalt, is dat functies die traditioneel gescheiden waren, zoals opslag, omzetting en transport van energie, steeds vaker binnen één systeem en dicht bij elkaar worden gecombineerd. Dat maakt ze flexibeler in de vraag en aanbod van energie, maar ook complexer en gevoeliger voor storingen. De invloed van de innovaties op het gebied van risicobeheersing, omgevingsveiligheid en incidentbestrijding duiden we als volgt:
Risicobeheersing
De onderzochte innovaties introduceren geen nieuwe risico’s, maar de systemen worden wel complexer en onderling meer afhankelijk. Storingen kunnen zich daardoor sneller door het systeem verspreiden en grotere gevolgen hebben.
Dit vraagt in toenemende mate om monitoring, detectie en de mogelijkheid om systemen tijdig en gecontroleerd te stabiliseren of uit te schakelen.
Omgevingsveiligheid
De gevolgen voor de omgeving verschillen per innovatie. In veel gevallen zijn effecten lokaal en beheersbaar, maar bij systemen waarin bijvoorbeeld waterstof of ammoniak een rol speelt, kunnen incidenten ook verder reiken dan de directe installatie.
Incidentbestrijding
Voor hulpdiensten betekent dit dat veilig optreden bij incidenten vaak pas mogelijk is nadat systemen gecontroleerd zijn gestabiliseerd of uitgeschakeld door een bedrijfsdeskundige. Incidentbestrijding wordt daarmee afhankelijker van samenwerking met beheerders en technische experts.
Lees het rapport
Bekijk ook
“Gebouwen tussen de 20 en 70 meter hoog verdienen meer aandacht”
8 juni 2026
De afgelopen jaren zijn er in Nederland steeds meer hoge gebouwen gebouwd, en ze worden ook steeds hoger. Tegelijkertijd zijn branden veranderd: ze ontwikkelen zich sneller, produceren meer rook en maken het moeilijker voor mensen om veilig te vluchten. Ook de inzet van de brandweer wordt hierdoor lastiger. Het NIPV heeft onderzocht welke aanpassingen in de regelgeving nodig zijn om de brandveiligheid van hoge gebouwen te verbeteren. “Het meest kwetsbaar zijn gebouwen tussen de 20 en 70 meter hoog, terwijl deze categorie veel voorkomt en vaak als ‘reguliere bouw’ wordt beschouwd. Deze gebouwen verdienen meer aandacht”, zegt lector Brandveiligheidskunde Lieuwe de Witte.

Marge tussen benodigde veilige tijd en beschikbare veilige tijd
“Dit onderzoek biedt voor het eerst een kwantitatief en samenhangend beeld van de mogelijkheden en beperkingen van de brandweerinzet in hoge gebouwen. En van de mate waarin brandveiligheidsvoorzieningen een veilige brandweerinzet mogelijk maken. De nieuwe risicomethode die we hiervoor hebben gebruikt heeft eerdere inzichten bevestigd en nieuwe inzichten opgeleverd”, aldus De Witte. Voor het onderzoek zijn de benodigde veilige tijd en de beschikbare veilige tijd voor de brandweerinzet in kaart gebracht en met elkaar vergeleken. Om zo de marge voor een veilige brandweerinzet te bepalen.
Aanvullende of verbeterde brandveiligheidsvoorzieningen
“Uit het onderzoek komt naar voren wat velen al vermoedden: er zijn grenzen aan het repressief optreden van de brandweer in hoge gebouwen”, vertelt lector Brandweerkunde Ricardo Weewer. “De brandveiligheid moet daarom primair worden gerealiseerd via aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen in het gebouw of door voorzieningen met een hogere betrouwbaarheid. Denk aan een automatische brandbestrijdingsinstallatie, hogere eisen aan brandscheidingen en dubbel uitgevoerde kritische voorzieningen zoals brandweerliften en blusleidingen.”
Aanpassingen in de regelgeving
De Witte: “Er zijn twee groepen hoge gebouwen waarbij aanpassing van de regelgeving nodig is. Dat zijn gebouwen hoger dan 20 meter en lager dan 70 meter en gebouwen hoger dan 200 meter. Om de brandveiligheid van deze gebouwen minimaal op hetzelfde niveau te krijgen als dat van een lager gebouw stellen wij een aantal oplossingsrichtingen voor.”
Mogelijke oplossingsrichtingen zijn:
- Het verhogen van de brandwerendheid van brandscheidingen in gebouwen hoger dan 20 meter en lager dan 70 meter. Daarbij wordt een meer getrapte aanpak voorgesteld dan nu het geval is.
- Het voorschrijven van een automatische brandbestrijdingsinstallatie (bijvoorbeeld sprinklerinstallatie) in gebouwen hoger dan 20 meter en lager dan 70 meter.
- Deze aanpassingen kunnen worden gecombineerd. Als een automatische brandbestrijdingsinstallatie wordt voorgeschreven, kunnen zowel brandscheidingen als draagconstructies met minder brandwerendheid worden uitgevoerd.
- Het verhogen van de brandwerendheid van brandscheidingen in gebouwen hoger dan 70 meter van 30 minuten naar 60 minuten.
- Het verhogen van de betrouwbaarheid van de automatische brandbestrijdingsinstallatie in gebouwen hoger dan 200 meter.
Vervolg op eerder onderzoek
Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Taskforce Veilige Hoogbouw van de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV). Het is het vervolg op een verkennend onderzoek dat het NIPV eerder heeft gedaan. Uit dat onderzoek bleek dat branden in hoge gebouwen niet adequaat kunnen worden bestreden met de huidige tactische en operationele doctrine brandbestrijding. En dat de huidige bouwregels ontoereikend zijn.
Lees het rapport en de samenvatting
Het onderzoek bestond uit 3 fasen. Van elke fase is een apart onderzoeksrapport verschenen.
-
Samenvatting Brandveiligheid in hoge gebouwen
pdf | 532 KB | 08-06-2026 -
Brandveiligheid hoge gebouwen. Fase 1: De benodigde veilige tijd voor de brandweerinzet (RST)
pdf | 4 MB | 30-03-2026 -
Brandveiligheid hoge gebouwen. Fase 2: De beschikbare veilige tijd voor de brandweerinzet (AST)
pdf | 5 MB | 30-03-2026 -
Brandveiligheid hoge gebouwen. Fase 3: Vergelijking tussen de beschikbare en benodigde veilige tijd voor de brandweerinzet
pdf | 6 MB | 30-03-2026
Bekijk ook
Aankondiging Release LCMS 2026 Q3
3 juni 2026
De release LCMS 2026 Q3 komt eraan. In dit bericht informeren we je over de planning & impact, en inhoud van deze release.
Planning & impact
Acceptatieomgeving: uitrol op dinsdag 2 juni
- Op dinsdag 2 juni wordt de release uitgerold op de acceptatieomgeving.
Oefenomgeving: uitrol op dinsdag 30 juni
Op dinsdag 30 juni tussen 9:00-16:00 uur wordt de Oefenomgeving bijgewerkt. Dit betekent het volgende:
- Er is sprake van downtime: zowel de Oefen als de Operationele omgeving is niet beschikbaar tussen 9:00-12:00.
- Is er sprake van een incident of calamiteit? Stem met de beheerder van jouw organisatie af over hoe te handelen.
- Vanaf 12:00 uur kan de Operationele omgeving weer gebruikt worden. Zet in het geval van een oefening, duidelijk ‘Oefening’ in de naam van een activiteit.
Operationele omgeving
Op dinsdag 7 juli tussen 09:00-16:00 uur wordt de release uitgerold op de Operationele omgeving. Dit betekent het volgende:
- Maak tijdens de update gebruik van de Oefenomgeving, ook bij een daadwerkelijk incident. Zet daarbij in de titel van de activiteit dat het een ‘operationele activiteit’ betreft.
- Vanaf 16.00 uur is de Operationele omgeving weer te gebruiken.
Liveblog
Tijdens de releases kun je de voortgang volgen via een liveblog op lcms.nl.
Inhoud release
De release 2026 Q3 bevat een aantal technische- en functionele verbeteringen, aangevuld met bugfixes. De belangrijkste wijzigingen zijn:
- Inloggen met ‘Gebruikersnaam en Wachtwoord’ is niet langer mogelijk.
- De optionele rechten zijn technisch uitgefaseerd. Hiermee is het rechtenmodel voor iedereen vastgezet. Het is niet meer mogelijk om per organisatie wijzigingen aan te brengen.
- Binnen GMS wordt de gehele eenheidsregel gemarkeerd, zodat wijzigingen duidelijker kunnen worden herkend. Dit betreft de koppeling tussen de Meldkamer en het LCMS, specifiek voor de veiligheidsregio’s.
- Het LCMS heeft een update naar een moderner framework gekregen. Dit nieuwe fundament biedt een toekomstbestendige basis met betere prestaties, een hogere stabiliteit en meer flexibiliteit voor verdere doorontwikkeling.
Vragen?
Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan contact op met de beheerder van jouw organisatie.
Blijf op de hoogte van het programma Onderwijs Onderweg
2 juni 2026
De vierde editie van het Swipezine van het programma Onderwijs Onderweg staat online. In deze nieuwe editie nemen we je mee in de laatste ontwikkelingen, opbrengsten en praktijkverhalen uit het programma.

Onderwijs Onderweg is één van de grote veranderopgaven (Grote Werk 2) van de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio’s (RCDV) en het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV). Het programma richt zich op het verbeteren van het onderwijsstelsel voor brandweer en crisisbeheersing. De ambitie is om samen toe te werken naar een goed werkend onderwijsstelsel met praktijkgericht, flexibel en actueel onderwijs voor alle mensen binnen de brandweer en crisisbeheersing in de veiligheidsregio’s.
Met het Swipezine worden collega’s, partners en andere betrokkenen meegenomen in de voortgang van het programma. Niet alleen door te laten zien waar aan wordt gewerkt, maar juist ook door ervaringen, inzichten en perspectieven uit de praktijk te delen. In deze vierde editie lees je onder andere over de opbrengsten tot nu toe, de vertaling van onderwijsvisie naar de praktijk, het project mentale weerbaarheid en veel meer.
Blijf op de hoogte
Wil je de ontwikkelingen rondom Onderwijs Onderweg blijven volgen? Kijk dan ook op het platform van het programma. Daar vind je naast het online magazine ook achtergrondinformatie, updates en meer over de verschillende projecten en thema’s binnen het programma. Volg daarnaast ook de updates via LinkedIn.
Meer informatie
Het programma Onderwijs Onderweg staat ook bekend als Grote Werk 2 en werkt aan een goed werkend onderwijsstelsel met praktijkgericht, flexibel en actueel onderwijs voor alle brandweer- en crisisprofessionals van de veiligheidsregio’s. Meer informatie over wat er bereikt is in de afgelopen periode is te lezen in het online magazine. Op het platform Onderwijs Onderweg is meer te vinden over het programma en de vervolgstappen.
- Benieuwd wat het programma de afgelopen periode heeft gedaan? Lees dan het vierde ‘Swipezine’ (online magazine) dat deze week is verschenen.
- Meer informatie over het programma en de vervolgstappen is te vinden op het platform van Onderwijs Onderweg.
Bekijk ook
ISCRAM 2026: kennisuitwisseling tussen wetenschap én praktijk
1 juni 2026
Deze week komen op de Universiteit van Leiden, locatie Den Haag, wetenschappers van over de hele wereld samen om traditiegetrouw kennis op het snijvlak van informatiesystemen en crisisbeheersing uit te wisselen. Hier vindt namelijk de jaarlijkse internationale ISCRAM-conferentie plaats.

ISCRAM 2026
ISCRAM staat voor Information Systems for Crisis Response and Management. Een unicum voor deze editie is dat niet alleen wetenschappers, maar ook professionals uit het veld hun paper presenteren. Dit doen zij via de zogeheten practitioners-track. Hiermee wordt de link tussen de wetenschap en de praktijk gelegd, een beweging die het thema van dit jaar illustreert: ‘Building stronger futures’.
Informatievoorziening rondom crisisbeheersing
Beroepsprofessionals uit binnen- en buitenland delen hun ervaringen en inzichten. Ook professionals vanuit het NIPV leveren met hun papers een bijdrage aan de kennisuitwisseling over informatievoorziening rondom crisisbeheersing. Deze collega’s hebben veel operationele ervaring vanuit hun rollen binnen diverse veiligheidsregio’s en in de samenwerking met het Knooppunt Coördinatie Regio’s-Rijk (KCR2).

Zo vertelt Piet Aantjes over de kracht van informatie(systemen). Dit doet hij aan de hand van de inzet daarvan tijdens de grote heidebrand die op 3 april 2025 plaatsvond in Ede. Het internationale publiek van de conferentie maakt daarbij kennis met een aantal van de informatiesystemen die we in de Nederlandse crisisbeheersing en brandweerzorg gebruiken: het Landelijk Crisis Management Systeem (LCMS), het Veiligheidsbeeld, de Virtuele Assistent, en datasets met kaartlagen.
Martijn van Wijlen blikt terug op de informatie-uitwisseling tussen crisispartners rondom Oud & Nieuw 2025; het drukste evenement en tegelijkertijd incident. Daarnaast legt Jochem van Heek het dilemma tussen het menselijke beoordelingsvermogen en de mogelijkheden van automatisering en de grote hoeveelheid data voor.

Inzendingen ISCRAM 2026
Benieuwd naar de inhoud van deze en andere papers? Bekijk alle papers van de practitioners-track op de website van ISCRAM. Het totaaloverzicht van alle inzendingen, ook de wetenschappelijke papers en workshops, vind je ook op deze website.
Organisatie ISCRAM 2026
De organisatie van ISCRAM is in handen van de Universiteit leiden en het NIPV. Ook in deze samenwerking komen wetenschap, toegepaste kennis, en expertise op het gebied van crisisbeheersing bij elkaar – Building stronger futures together!
Bekijk ook
Vernieuwde post-hbo Fire Safety Engineering van start
25 mei 2026
Negentien studenten zijn gestart met de vernieuwde post-hbo Fire Safety Engineering (FSE). Na een korte introductie door Maarten de Groot (decaan NIPV), Björn Peters (SKB) en Emiel van Rossum (Brandpreventie Academy), verzorgde lector Brandveiligheidskunde Lieuwe de Witte de eerste lesdag, met als centraal onderwerp doelgerichte brandveiligheid.

De opleiding is ontwikkeld voor professionals die zich willen verdiepen in de wetenschappelijke kant van brandveiligheid en is tot stand gekomen in een publiek-private-samenwerking tussen de Stichting Kennisoverdracht Bouwfysica (SKB), de Brandpreventie Academy en het NIPV.
Brandverschijnselen, effecten en menselijk gedrag
Fire Safety Engineering richt zich op het analyseren van brandverschijnselen, effecten en menselijk gedrag op basis van natuurkundige principes en rekenkundige modellen. De opleiding is bedoeld voor onder meer brandveiligheidsadviseurs, preventiemedewerkers, brandonderzoekers, bouw- en woningtoezichthouders en vergunningverleners.
Betere aansluiting bij actuele eisen binnen vakgebied
Het studieprogramma is volledig herzien en sluit nu beter aan op de actuele eisen in het vakgebied. Er zijn drie inhoudsdeskundigen verantwoordelijk voor het vaststellen van het curriculum: Rudolf van Mierlo (vakspecialist, namens de Brandpreventie Academy, BPA), Ruud van Herpen (fellow fire engineering TU/e, namens de Stichting Kennisoverdracht Bouwfysica, SKB) en Lieuwe de Witte (lector Brandveiligheidskunde, namens het NIPV).
Gedeelde ambitie vastgelegd in convenant
De Brandpreventie Academy (BPA), Stichting Kennisoverdracht Bouwfysica (SKB) en het NIPV hebben de handen ineengeslagen voor deze herziene opleiding. De samenwerking tussen BPA, SKB en het NIPV is ontstaan vanuit een gedeelde ambitie om professionals binnen de brandveiligheid verder op te leiden en en daarvoor de benodigde verdieping achtergronden te geven. Samen zetten zij zich in voor onderwijs dat aansluit bij de nieuwste ontwikkelingen in de bouw, industrie en omgevingsveiligheid. Daarnaast zorgen zij dat het onderwijs past bij de nieuwe visies op brandveiligheidskunde en brandweerkunde. De drie organisaties hebben een convenant ondertekend waarin deze samenwerking is bekrachtigd.
Bekijk ook
Brandveiligheid in woonvormen met zorg: tussen regels en realiteit
22 mei 2026
De zorg in ons land is de laatste 10 jaar sterk verschoven naar zelfstandig wonen. Steeds meer mensen met een (zwaardere) zorgvraag wonen in reguliere woongebouwen. Het brandveiligheidsbeleid en de bijbehorende voorschriften zijn niet in hetzelfde tempo meegegroeid. Het NIPV onderzocht hoe in de praktijk wordt omgegaan met de brandveiligheid in woongebouwen waarin mensen met een zorgvraag wonen. Het onderzoek is gedaan in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO).

Onderzoeksaanpak
Projectleider en senior onderzoeker Johan van der Graaf: “De kern van het onderzoek bestond uit 17 gebouwbezoeken. Op basis van deze gebouwbezoeken, gesprekken en andere informatie, zoals gebruiksmeldingen, ontruimingsplannen en websites, hebben we een beeld geschetst van hoe ‘wonen met zorg’ er in de dagelijkse praktijk uitziet. Daarnaast hebben we met een literatuuronderzoek het landschap van wonen met zorg systematisch in kaart gebracht. Ook hebben we de historische ontwikkeling van wonen met zorg beschreven. En hebben we een literatuurstudie gedaan naar bestaande onderzoeken over brandveiligheid bij ouderen en anderen kwetsbare groepen.”
Nieuwe realiteit voor wonen, zorg en brandveiligheid
“Uit ons onderzoek blijkt dat door de verplaatsing van zorg van instelling naar thuis, de beperkte verpleeghuiscapaciteit en de wens van mensen om langer in hun eigen woonomgeving te blijven, er thuissituaties ontstaan zonder de brandveiligheidsvoorzieningen die in instellingen normaal zijn. Dit levert in de praktijk onduidelijkheid en spanningen op over passende brandveiligheidsmaatregelen in woningen waarin zorg wordt verleend. En over wie waarvoor verantwoordelijk is”, vertelt Van der Graaf.
Belangrijkste bevindingen
- Meer zorg thuis: steeds meer mensen met een intensieve zorgbehoefte wonen zelfstandig. Bij brand zijn zij vaak afhankelijk van hulp, terwijl brandveiligheidsregels nog grotendeels uitgaan van zelfredzame bewoners.
- Mismatch in veiligheidsniveau: in veel woonvormen ontbreken voorzieningen zoals 24/7 toezicht, brandmeldinstallaties en duidelijke ontruimingsplannen, terwijl bewoners daarvan wel afhankelijk zijn.
- Grote verschillen in zelfredzaamheid: bewoners verschillen sterk in hun vermogen om bij brand zelfstandig te handelen. Dat maakt een veilige en snelle evacuatie complex, zeker in gebouwen waar zorgbehoevende bewoners verspreid over het gebouw wonen.
- Regelgeving sluit niet aan op de praktijk: de huidige indeling in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is vooral gebaseerd op het zorgaanbod en minder op de feitelijke zorgbehoefte van bewoners. Dit kan leiden tot verhoogde risico’s voor zowel bewoners als hulpverleners.
- Onduidelijke verantwoordelijkheden: de rolverdeling tussen de betrokken partijen is niet altijd helder. Er is behoefte aan meer eenduidigheid en een betere wettelijke borging van brandveiligheidsmaatregelen.
Vervolg
“Als vervolg op het onderzoek kijken we samen met de betrokken klankbordgroep naar mogelijke nieuwe manieren om de brandveiligheid van minder zelfredzame mensen te borgen. De resultaten daarvan worden eind dit jaar verwacht”, sluit Van der Graaf af.
Lees het rapport
Het rapport bestaat uit drie delen met elk een ander perspectief. Deel 1 bevat de belangrijkste bevindingen en conclusies. Deel 2 beschrijft de onderbouwing vanuit de praktijk, terwijl deel 3 een onderbouwing geeft vanuit theorie en beleid.
Lees de Kamerbrief
Lees de Kamerbrief van minister Boekholt-O’Sullivan van VRO van 22 mei 2026 over de nadere uitwerking van de beleidsagenda bouwregelgeving
Bekijk ook
‘Leven tussen hoop en vrees: omgaan met veiligheidsrisico’s en onzekerheden van de energietransitie’
21 mei 2026
Met de titel ‘Leven tussen hoop en vrees: omgaan met veiligheidsrisico’s en onzekerheden van de energietransitie’, aanvaardde lector Nils Rosmuller op donderdag 21 mei officieel zijn ambt als bijzonder hoogleraar op de leerstoel ‘Veiligheidsaspecten van de energietransitie in de gebouwde omgeving’ aan de Universiteit Twente. Ruim 150 gasten waren aanwezig bij zijn oratie.

Energietransitie en veiligheid: een bredere blik op risico’s en onzekerheden
In zijn oratie ging Rosmuller in op de veiligheidsrisico’s en onzekerheden die samenhangen met duurzame vormen van energieproductie, -opslag, -transport en -gebruik. Volgens hem kent iedere vorm van hernieuwbare energie eigen gevaren en veiligheidsvraagstukken.
Zijn oratie laat zich op hoofdlijnen samenvatten in vijf kernpunten:
- De energietransitie gaat gepaard met duurzame(re) vormen van energieproductie, -transport, -opslag en -gebruik, die elk hun eigen gevaren, veiligheidsrisico’s en onzekerheden kennen.
- Het is niet gezegd dat de energietransitie de samenleving onveiliger maakt. Wel zijn er, ten opzichte van de fossiele energiebronnen, andersoortige incidentscenario’s, kansen en effecten als gevolg van incidenten met hernieuwbare energiebronnen en -dragers.
- De energietransitie betreft een scala aan onderliggende risico inducerende mechanismen (nieuwe technologie nabij burgers, veranderende energieketens, onervaren partijen, beperkt datasets, na-ijlende wet- en regelgeving) die allen de veiligheidsrisico’s beïnvloeden en die gepaard gaan met verschillende soorten onzekerheden.
- Met een bredere aanpak (safety by design, ketenbenadering en een integrale veiligheidsanalyse), en de expliciete beschouwing van onzekerheden, wordt meer recht gedaan aan de dynamische en onvoorspelbare aard van de veiligheidsrisico’s als gevolg van de energietransitie.
- De veiligheid van de energietransitie vraagt als normatief leidend beginsel ook expliciete aandacht voor het voorzorgsbeginsel door actief op zoek te gaan naar onzekerheden en te trachten zulke onzekerheden te vertalen in termen van bespreekbare risico’s.
Ambitieus maar niet onmogelijk
Rosmuller: ‘Het zal duidelijk zijn dat de benadering die ik voorsta en de eerste conceptuele aanzet hiertoe in deze oratie, ambitieus is. Hier passen dan ook bescheidenheid en een uitgestoken hand. Bescheidenheid omdat ik niet alle kennis en kunde bezit om het brede scala aan vraagstukken en benodigde disciplines te beheersen. Een uitgestoken hand, omdat ik met kennisinstellingen, overheden en bedrijfsleven de veilige energietransitie wil faciliteren en tot een succes wil gaan maken.
Vanuit die rol als bijzonder hoogleraar én als lector Energie- en transportveiligheid bij het NIPV krijg ik de mogelijkheid om wetenschappelijke inzichten te verbinden met de praktijk van veiligheidsprofessionals, beleidsmakers en overheden, zodat de energietransitie niet alleen duurzaam, maar ook veilig en maatschappelijk verantwoord verloopt. Daarbij staan risicobeheersing, omgaan met onzekerheden en het voorzorgsbeginsel centraal.”
Directeur Onderzoek en Onderwijs Coby Flier: “Namens het NIPV feliciteer ik Nils van harte met zijn benoeming. De energietransitie vraagt om nieuwe, fundamentele en toegepaste kennis over veiligheid, risico’s en maatschappelijke impact. Samen met de Universiteit Twente investeren we in kennisontwikkeling die direct bijdraagt aan een veilige leefomgeving en aan de professionals die dagelijks werken aan de energietransitie. Ik ben er trots op dat Nils met zijn expertise en onderzoeksgroep hierin een voortrekkersrol vervult en wens hem heel veel succes in deze rol.”
Lees de oratie
Bekijk ook
Congres Crisisbeheersing 2026 in teken van samenwerking met de samenleving
20 mei 2026
Op 20 mei kwamen in Spant in Bussum meer dan 500 professionals samen voor het landelijk Congres Crisisbeheersing: crisisbeheersing voor en met de samenleving. Met ruim twintig deelsessies stond het congres in het teken van de samenwerking tussen crisisorganisaties en de maatschappij.

Tijdens de dag werd gesproken over de verwachtingen van inwoners tijdens crises en de vraag hoe overheden, hulpdiensten en maatschappelijke partners inwoners beter kunnen bereiken en betrekken. Keynote sprekers Anja Schouten, burgemeester van Alkmaar, en Daan Roovers, voormalig Denker des Vaderlands en lid van de Eerste Kamer, startten het plenaire gedeelte van het congres.
Kiezen we voor efficiëntie of voor veerkracht?
Zo begon Roovers met een reflectie op bestuurlijke logica. Volgens haar is Nederland sterk gericht op efficiëntie: hoe efficiënter processen worden ingericht, hoe beter dat doorgaans wordt gevonden. In de relatie tussen overheid en samenleving schiet die logica echter tekort. Ze ging in op de paradox van efficiëntie en stelde daarbij de vraag centraal: kiezen we voor efficiëntie of voor veerkracht?
Eerste Impact Award Crisisbeheersing
Tijdens het congres werd voor het eerst de Impact Award Crisisbeheersing uitgereikt. Deze prijs is een initiatief van het NIPV, het ministerie van Justitie en Veiligheid en de Vakraad Risico- en Crisisbeheersing van de RCDV (Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio).
Met deze award wordt jaarlijks aandacht gevraagd voor inspirerende initiatieven binnen het brede domein van crisisbeheersing. Elk jaar zal de award aansluiten bij het overkoepelende thema van het Congres Crisisbeheersing van dat jaar.
Dit jaar waren 3 initiatieven genomineerd waarin burgerparticipatie en maatschappelijke betrokkenheid centraal staan. De award ging naar het burgerinitiatief ‘Praat met je straat’: een lokaal initiatief dat buurtbewoners met elkaar in gesprek wil brengen over weerbaarheid, vertrouwen en samenredzaamheid in de wijk. Het initiatief kreeg onder meer vorm in het Ludenkwartier in Doorn, waar bewoners samen activiteiten organiseren rondom crisisvoorbereiding, buurtverbinding en maatschappelijke weerbaarheid.

Koninklijke onderscheiding voor Menno van Duin
Een bijzonder moment tijdens het congres was de uitreiking van een koninklijke onderscheiding aan lector Crisisbeheersing Menno van Duin. Hij werd benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau voor zijn jarenlange bijdrage aan crisisbeheersing en rampenbestrijding in Nederland.
Han ter Heegde, burgemeester van Gooise Meren, reikte de onderscheiding uit. Van Duin geldt als één van de grondleggers van het congres en speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van het vakgebied crisisbeheersing, onder meer als lector Crisisbeheersing en auteur van diverse standaardwerken en evaluatiemethoden.

