Release LCMS 2026 Q3 30.5 – Oefenomgeving

24 juni 202 

Op dinsdag 30 juni wordt de release LCMS 2026 Q3 – 30.5 uitgerold op de Oefenomgeving van het LCMS. In het liveblog onderaan dit bericht houden we je tijdens de uitrol op de hoogte van de voortgang. 

Planning release 

Er is sprake van downtime. Houd daarom rekening met het volgende: 

  • Zowel de Oefen- als de Operationele omgeving zijn op dinsdag 30 juni vanaf 09:00 uur niet beschikbaar. 
  • De Operationele omgeving is naar verwachting vanaf 12:00 uur weer beschikbaar. 
  • Maak voor een geplande oefening in de middag tijdelijk gebruik van de Operationele omgeving. Vermeld daarbij duidelijk ‘Oefening’ in de naam van de activiteit. 
  • De Oefenomgeving is naar verwachting vanaf 16:00 uur weer beschikbaar. 

Inhoud release 

In dit bericht vind je meer informatie over de inhoud van de release. 

Vragen?

Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan contact op met de beheerder van jouw organisatie.

Release Oefenomgeving 30 juni
Gestart: 30 juni 2026, 09:00 Aangepast: 30 juni 2026, 13:35

De uitrol van de release is gestart

Via dit liveblog volg je de voortgang van de Release LCMS 2026 Q3 – 30.5 op de Oefenomgeving.

Nieuwe update

Dit liveblog is gesloten.

Oefenomgeving ook weer beschikbaar

De uitrol op de Oefenomgeving is succesvol afgerond. Dit betekent dat beide omgevingen weer beschikbaar zijn.

Vanwege de wijzigingen adviseren wij je de cache en cookies te wissen.

Let op: vanaf nu log je in op het LCMS via de Toegangsservice Gezamenlijke Voorzieningen (TGV) of via Microsoft Single Sign On (SSO). Inloggen met ‘Gebruikersnaam en Wachtwoord’ is niet meer mogelijk.

Heb je vragen over deze release? Neem dan contact op met de beheerder van jouw eigen organisatie. De organisatiebeheerder heeft de contactgegevens van het NIPV en kan contact met ons opnemen.

De release verloopt conform planning.

Operationele omgeving weer beschikbaar.

We zijn gestart met de uitrol van de Release LCMS 2026 Q3 – 30.5 op de Oefenomgeving.

Blus- en koelwater bij batterijbranden vaak verontreinigd  

24 juni 2026

Blus- en koelwater dat vrijkomt bij de bestrijding van branden met lithium-ion batterijen en elektrische voertuigen bevat vaak schadelijke stoffen waarbij vaak sprake is van vervuild afvalwater. Dat blijkt uit onderzoek van het NIPV.   

Dompelcontainer voor elektrische auto’s. Foto: Bergnet.

Het NIPV onderzocht door middel van een literatuurstudie en praktijkmetingen de vervuiling van blus- en koelwater bij branden met batterijen en elektrische voertuigen. Bluswater is het bij het blussen vrijkomende water dat in de omgeving terechtkomt. Onder koelwater wordt verstaan: water in een bak of dompelcontainer waarin instabiele batterijen of elektrische voertuigen ter koeling worden ondergedompeld.

Behoefte aan duidelijkheid  

De kennis ontbrak over de samenstelling en mogelijke vervuiling van blus- en koelwater na batterijbranden van elektrische voertuigen. Brandweermedewerkers troffen bij sommige batterijbranden sterk verhoogde pH-waarden aan, terwijl die bij andere incidenten niet werden aangetroffen. Tegelijkertijd verschenen internationale onderzoeksresultaten waaruit bleek dat bluswater bij batterijbranden hoge concentraties zware metalen kan bevatten.  

Ook internationaal en in de wetenschap blijkt er geen eenduidigheid te bestaan over de vervuiling van het blus- en koelwater. Met deze studie draagt het NIPV bij aan de (internationale) kennisopbouw over de aard en mate van vervuiling van gebruikt koel- en bluswater. 

Schadelijke stoffen aangetroffen  

Er is literatuuronderzoek uitgevoerd en er zijn acht metingen verricht. Er wordt daardoor inzicht gegeven in de concentraties van vooraf geselecteerde schadelijke stoffen bij het vervuilde koel- en/of bluswater na branden met batterijen en elektrische autobranden waarbij het li-ion batterijpakket betrokken is geweest.

Uit de literatuurstudie blijkt dat bij batterijbranden milieubelastende stoffen kunnen vrijkomen en dat concentraties vaak boven gangbare milieukundige grenswaarden liggen. Het gaat hierbij om zware metalen (nikkel, mangaan, kobalt en koper), lithium, fluoride en PFAS. Tevens is in veel gevallen sprake van een hoge pH-waarde, wat wijst op licht tot matig basische eigenschappen van het water.   

De praktijkmetingen bestonden uit monsternames van het koelwater uit dompelcontainers voor elektrische auto’s.  In alle onderzochte praktijkmonsters werden verhoogde concentraties aangetroffen van zware metalen (nikkel, mangaan en kobalt), lithium, fluoride en PFAS ten opzichte van normen voor oppervlaktewater en drinkwater.  

De concentraties kunnen echter sterk verschillen per incident. Die verschillen hangen onder meer samen met de mate waarin batterijcellen zijn beschadigd en de hoeveelheid contact tussen water en de batterij. Wanneer water direct in contact komt met beschadigde batterijcellen, kunnen hogere concentraties vervuilende stoffen ontstaan.  

Aandacht voor milieu en veiligheid  

Het NIPV concludeert dat het vrijkomen van gebruikt blus- en koelwater bij batterijbranden met elektrische voertuigen lokaal kan leiden tot schade aan het milieu. Brandweerorganisaties, bergingsbedrijven en andere betrokken partijen doen er goed aan om bij het blussen en koelen van brandende batterijen van elektrische voertuigen rekening te houden met mogelijke lokale verspreiding van schadelijke stoffen in het milieu.  

Het onderzoek benadrukt ook het belang van passende persoonlijke beschermingsmiddelen en arbeidshygiënische maatregelen door de brandweer bij werkzaamheden waarbij contact met blus- en koelwater mogelijk is. 

Lees het rapport en de factsheet

Resultaten Belevingsonderzoek repressief brandweerpersoneel 2025

23 juni 2026

Hoe beleven beroeps en vrijwillige repressieve brandweermensen hun vak? Hoe kijken ze naar ontwikkelingen in hun werk en in de brandweerorganisatie? Dat heeft het NIPV onderzocht, in opdracht van het Veiligheidsberaad. Het rapport met de landelijke resultaten is nu beschikbaar.

Brandweermensen stappen brandweerauto in, op weg naar een uitruk
Foto: NIPV.

Onderzochte thema’s

In totaal hebben 3.898 brandweermensen (17 procent van al het repressief brandweerpersoneel) deelgenomen aan het belevingsonderzoek. De onderzochte thema’s zijn: betrokkenheid en beleving van het brandweerwerk, vrijwilligersbeleid, organisatiecultuur, verhouding werkvloer en leiding, regelruimte, vakbekwaamheid, werkdruk en veilig en gezond werken.

Alles bij elkaar genomen zijn de respondenten tevreden met hun werkzaamheden bij de brandweer, zij beoordelen die met een 7,6. Ook zijn ze tevreden met de organisatie van de brandweer in hun veiligheidsregio (6,8). Uit het onderzoek komen ook aanknopingspunten om de tevredenheid te optimaliseren. Het algemeen beeld van 2025 komt overeen met dat van de eerdere onderzoeken uit 2017 en 2021.

Vragenlijst en groepsgesprekken

Het belevingsonderzoek bestond uit twee delen: een digitale vragenlijst en groepsgesprekken. Om de inzichten uit de vragenlijst te verdiepen zijn er 3 online groepsgesprekken (focusgroepen) georganiseerd. Hieraan hebben 22 repressieve brandweermensen deelgenomen.

Stuurgroep

Het NIPV heeft het onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Veiligheidsberaad, onder begeleiding van een breed samengestelde stuurgroep. In deze stuurgroep zaten vertegenwoordigers van de vakbonden (FNV/CNV), de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV), de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV), de bestuurlijke adviescommissie (BAC) Brandweer en het Ministerie van Justitie en Veiligheid.


Algemeen beeld belevingsonderzoek 2025

De resultaten laten het volgende zien:

  • Ongeveer de helft van de brandweermensen vindt dat de brandweer zich in de goede richting ontwikkelt.
  • Brandweermensen voelen waardering van familie, vrienden en kennissen voor hun (vrijwilligers)werk bij de brandweer.
  • De meerderheid beveelt de brandweer aan als een fijne plek om te werken.
  • Brandweermensen zijn tevreden over de werkzaamheden bij de brandweer, zij beoordelen die met een 7,6.
  • De tevredenheid met de organisatie van de brandweer in de regio komt uit op een 6,8.

In een factsheet staan de belangrijkste resultaten per onderzocht thema.


Jaarverslag 2025: werken aan actuele maatschappelijke veiligheidsvraagstukken

22 juni 2026

Tijdens de halfjaarlijkse bijeenkomst van het Algemeen Bestuur van het NIPV, bestaande uit de voorzitters van de 25 veiligheidsregio’s, is vandaag onder meer het jaarverslag 2025 vastgesteld.

2025 was een jaar waarin we samen met onze partners in het veiligheidsdomein werkten aan actuele maatschappelijke veiligheidsvraagstukken vanuit de vier pijlers onderzoek, onderwijs, informatievoorziening en ondersteuning.

Zo deden we op het thema weerbaarheid onderzoek naar de maatschappelijke effecten van langdurige stroomuitval en het belang van noodsteunpunten. Deze opgedane inzichten vertaalden we onder andere naar kennisbijeenkomsten en masterclasses. Ook zetten we samen met de veiligheidsregio’s een belangrijke stap in het programma Onderwijs Onderweg en is na de analyse- en planfase een start gemaakt met de uitvoeringsfase. Daarnaast namen de veiligheidsregio’s een nieuwe elektronische leeromgeving en examensysteem in gebruik.

Tijdens de NAVO-top zorgden we, naast de operationele ondersteuning en inzet van landelijke middelen, ervoor dat crisispartners konden samenwerken via het Landelijk Crisis Management Systeem (LCMS). Dat gebeurde op grote schaal, met een recordaantal gebruikers tegelijkertijd en positieve feedback. Daarnaast ondersteunden de landelijke brandweerspecialismen, waaronder digitale verkenning, technische hulpverlening, logistiek en natuurbrandbeheersing, de veiligheidsregio’s bij grote incidenten. Het NIPV faciliteert deze specialismen met expertise, systemen, mensen en middelen.

Bedrijfsvoering, directiewissel en belofte

Het afgelopen jaar stond ook in het teken van het verder versterken van de samenwerking met de veiligheidsregio’s, het Rijk en andere crisispartners. Daarbij is gewerkt aan een scherpere afbakening van de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van het NIPV, zodat rollen, verantwoordelijkheden en verwachtingen nog beter op elkaar aansluiten.

Tot slot droeg Coby Flier per 1 juni het waarnemend algemeen directeurschap over aan Marthyne Kunst. Tijdens de vergadering van vandaag legde Marthyne Kunst ten overstaan van het Algemeen Bestuur de belofte af. Deze werd afgenomen door voorzitter Ton Heerts.

Lees het jaarverslag

Update van het programma

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Dag allen,

We kijken terug op een periode met veel verschillende activiteiten. Van bijeenkomsten voor het project bovenregionale scenario ontwikkeling tot een bijeenkomst voor de weerkamer en de meldkamers bij het KNMI. En we hebben met elkaar aandacht besteed aan Heat Action Day op 2 juni.

Heat Action Day door veiligheidsregio’s.

Campagne Klimaatveiligheid

In de maand mei tot en met Heat Action Day op 2 juni hebben we via verschillende kanalen extra aandacht gevraagd voor het belang van klimaatveiligheid. Door persoonlijke verhalen te delen over wat klimaatveiligheid betekent, door een kennisquiz te lanceren en door in te spelen op Heat Action Day. Onze posts op LinkedIn zijn circa 90.000 bekeken door professionals binnen het veiligheidsdomein, bij relevante ministeries, bij veiligheidsregio’s, waterschappen en andere relevante organisaties. Met functies binnen risicobeheersing of expertise binnen klimaat, weerbaarheid of nationale gezondheid. De klimaatquiz op https://nipv.nl/programma-klimaatveiligheid/klimaatveiligheid/ is circa 1.000 keer gestart waarbij 86% van de vragen goed werd beantwoord. En leverde een flink aantal bezoekers op de campagnepagina op.

Campagne klimaatveiligheid op LinkedIn.

Er werd daarnaast door veel veiligheidsregio’s gehoor gegeven aan de oproep om Heat Action Day te gebruiken om aandacht te vragen voor klimaatveiligheid. Onze aangeleverde content werd door een groot deel van de veiligheidsregio’s geplaatst en gedeeld. Wat een mooi resultaat!

Landelijke uitgangspunten crisisbeheersing

In 2026 hebben we onszelf de uitdaging gesteld om toe te werken naar landelijke uitgangspunten voor de crisisbeheersing van veiligheidsregio’s op hitte, droogte, wateroverlast en overstroming. Waarom? Er zijn nationale crisisplannen, er zijn regionale crisisplannen, alleen precies daartussenin zit nog een leemte. Daarbij is het maken van een bovenregionaal crisisplan niet de optie waar we de meeste potentie zien, want wie is er dan immers van? Wel zien we potentie om te komen tot een aantal landelijke uitgangspunten die door iedere regio opgenomen worden in de eigen crisisplannen. Dan delen we de uitgangspunten en is er regionale ruimte voor eigen aanpak en invulling. Hiervoor zetten we nu de eerste stap. Onder leiding van onderzoekers Marte Luesink en Edith Leentvaar van het lectoraat crisisbeheersing van het NIPV worden kritieke kantelpunten samen met experts vanuit onder andere de veiligheidsregio’s, RIVM, Rode Kruis, waterschappen en KNMI  in kaart te bracht. Dit levert na de zomer al producten op waarvan gebruik gemaakt kan worden. Daarna volgt de verdere uitwerking naar de landelijke uitgangspunten. Daarover later meer.

Nu we alweer in juni 2026 zijn aanbeland, is het ook zaak om te kijken hoe we omgaan met de opbrengsten van het programma en het borgen van de onderdelen van het programma. Denk daarbij aan het hebben van een aanspreekpunt en het verzenden van bijvoorbeeld deze nieuwsbrieven. Dit wordt al besproken in de taskforce klimaatveiligheid en kernteam, maar heb je daar ideeën bij? We horen graag van je!

Heb een hele fijne zomer, tot snel!

Hartelijke groet,

Charlotte van Ruijven

Programmamanager Klimaatveiligheid

Weerkamer, meldkamer en crisisorganisatie versterken samenwerking bij extreem weer

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Hoe zorgen we ervoor dat meteorologen, meldkamers en crisisorganisaties elkaar snel weten te vinden wanneer extreem weer dreigt? Die vraag stond centraal tijdens een bijeenkomst op 3 juni van het KNMI, veiligheidsregio’s en andere partners. De aanleiding is actueel: Nederland krijgt steeds vaker te maken met weersextremen zoals extreme neerslag, hitte en ijzel. Juist dan zijn goede samenwerking, heldere communicatielijnen en begrip van elkaars rol essentieel.

Code rood, 4 februari 2026.

Van weersverwachting naar handelingsperspectief

Tijdens de bijeenkomst gaf het KNMI een inkijk in de werkwijze van de weerkamer en de ontwikkeling van de waarschuwingssystematiek. Daarbij werd toegelicht hoe waarschuwingen tot stand komen en welke rol impactverwachtingen spelen bij het afgeven van de bekende kleurcodes geel, oranje en rood.

Ook werd aandacht besteed aan het KNMI-risicobeeld, waarmee professionele partners al enkele dagen vooruit inzicht krijgen in mogelijke weersdreigingen. Daarbij werd benadrukt dat de publiekswaarschuwingen slechts een deel van de beschikbare informatie vormen. Via onder meer de wekelijkse afstemming met veiligheidsregio’s en partners wordt vaak al eerder aanvullende informatie gedeeld om organisaties in staat te stellen zich voor te bereiden.

Lessen uit de ijzelsituatie in Noord-Nederland

Vanuit de praktijk deelden twee calamiteitencoördinatoren (CaCo’s) uit Noord-Nederland hun ervaringen tijdens de grootschalige ijzelsituatie van februari 2025. Zij namen de aanwezigen mee in de gebeurtenissen van die nacht, waarin intensief werd afgestemd met het KNMI, KCR2 en Rijkswaterstaat.

De situatie leidde uiteindelijk tot een NL-Alert voor ruim 1,3 miljoen inwoners. De presentatie maakte duidelijk hoe belangrijk het is dat meldkamers weten welke partners betrokken zijn, welke informatie beschikbaar is en via welke lijnen opgeschaald kan worden. Tegelijkertijd bleek dat er nog winst te behalen valt in het onderling bekend zijn met elkaars processen en verantwoordelijkheden.

Waarde van het uitwisselen van perspectieven

Een belangrijke conclusie van de middag was dat het uitwisselen van perspectieven veel oplevert. Meteorologen, meldkamerfunctionarissen en crisisprofessionals kijken vanuit verschillende rollen naar dezelfde situatie. Door die perspectieven samen te brengen ontstaat meer begrip voor elkaars informatiebehoefte en handelingsperspectief.

Deelnemers gaven aan dat het waardevol zou zijn om dit soort bijeenkomsten vaker te organiseren en daarbij recente weersextremen gezamenlijk te analyseren. Ook werd het belang benadrukt van een goede verbinding tussen veiligheidsregio’s, meldkamers, het Veiligheidsinformatie Knooppunt (VIK) en landelijke partners zoals het KNMI en het WIT (Weer Impact Team).

Samen voorbereid op de toekomst

De bijeenkomst onderstreepte dat klimaat- en weerrisico’s vragen om voortdurende samenwerking. Niet alleen tijdens een incident, maar juist ook in de voorbereiding daarop. Door kennis, ervaringen en perspectieven te delen, kunnen weerkamer, meldkamer en crisisorganisatie elkaar beter versterken en gezamenlijk bijdragen aan een veiliger Nederland.

“De ramp na de ramp krijgt nog veel te weinig aandacht”

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Daan Prevoo, burgemeester van Gemeente Valkenburg aan de Geul, spreekt vijf jaar na de overstromingen van 2021 nog altijd over de nafase. Niet omdat de crisis nog voortduurt, maar omdat de gevolgen voor inwoners, organisaties en de leefomgeving nog steeds voelbaar zijn. Volgens hem besteden veiligheidsregio’s, gemeenten en crisisprofessionals te weinig aandacht aan het voorbereiden op een nafase.

De nafase begint eerder dan we denken en duurt langer dan we beseffen

“Wat uitdagend is aan de nafase is dat niemand precies kan definiëren wanneer die begint, hoe lang deze duurt en wanneer deze eindigt. In mijn optiek zitten wij vijf jaar later nog steeds in de nafase. Voor sommige slachtoffers eindigt die zelfs nooit.”

Volgens Prevoo ligt de focus in crisisbeheersing vooral op de acute fase. “We hebben in Nederland veel georganiseerd voor de crisis zelf. Maar de ramp ná de ramp krijgt stelselmatig veel minder aandacht. Terwijl juist daar de langdurige gevolgen zichtbaar worden. Ik zag dat direct na de overstromingen gebeuren. Terwijl hulpdiensten vertrokken en veel organisaties terugkeerden naar hun reguliere werkzaamheden, begon voor duizenden inwoners juist de zwaarste periode.”

“Ik zag mensen hun complete leven op straat zetten. Fotoalbums, kinderfietsen, diploma’s, persoonlijke bezittingen. Alles wat een huis tot een thuis maakt. Mensen waren niet alleen spullen kwijt, maar ook een deel van hun geschiedenis.”

Neem als overheid de regie

Een van de belangrijkste lessen die Prevoo heeft geleerd, is dat de overheid in de nafase zichtbaar aanwezig moet blijven.“Mijn eerste principe zou zijn: de overheid blijft in de lead. Ook in de nafase. Ik ben niet alleen burgemeester, maar ook burgervader. Als je mensen in zo’n situatie achterlaat met de boodschap dat ze vooral zelfredzaam moeten zijn, dan doe je geen recht aan wat zij hebben meegemaakt. Ik snap waar het vandaan komt, maar niet iedereen is even zelfredzaam. Mensen zijn hun administratie kwijt, hun telefoon kwijt, hun verzekeringspapieren kwijt. Dan kun je niet verwachten dat ze meteen zelf oplossingen gaan organiseren. In Valkenburg werd daarom een speciaal nafaseteam ingericht dat zich ruim een jaar bezighield met herstel, ondersteuning en coördinatie.”

Psychosociale hulp is meer dan een gesprek met een hulpverlener

Volgens Prevoo wordt psychosociale ondersteuning vaak te beperkt geïnterpreteerd.“Natuurlijk moet je maatschappelijke werkers, therapeuten en welzijnsorganisaties inzetten. Maar psychosociale hulp is ook iemand helpen begrijpen hoe een verzekering werkt. Of uitleggen welke stappen iemand moet zetten om schade vergoed te krijgen.  Onzekerheid maakt mensen kwetsbaar. Slachtoffers weten vaak niet waar ze moeten beginnen. En precies op dat moment verschijnen de oplichters.”

De oplichters komen ook

Een onderwerp waar volgens Prevoo nauwelijks aandacht voor bestaat binnen crisisbeheersing, is de criminaliteit die na een ramp ontstaat.“De aasgieren cirkelen als eerste boven het rampgebied. Dat klinkt hard, maar zo heb ik het ervaren. Ik heb gezien hoe malafide aannemers, nep-adviseurs en zelfbenoemde experts misbruik maakten van de situatie. Mensen kregen te horen dat ze snel een vloer konden krijgen of direct geholpen konden worden als ze alvast betaalden. Vervolgens zagen ze die mensen nooit meer terug.”

“Ook zogenaamde schade-experts maakten misbruik van slachtoffers. Mensen kregen te horen dat ze namens de burgemeester waren gestuurd. Een handtekening zetten kostte hen honderden euro’s zonder dat ze het beseften. Crisisprofessionals moeten zich realiseren dat criminaliteit en uitbuiting een vast onderdeel van de nafase kunnen zijn. Daar moet je op voorbereid zijn.”

Informele hulp is onmisbaar én ingewikkeld

Een ander inzicht betreft de enorme hoeveelheid spontane hulp die op gang komt na een ramp.“We hadden honderden vrijwilligers uit het hele land. Mensen met bezems, scheppen, voedsel, voertuigen en materialen. Mensen die gewoon wilden helpen.”

Volgens Prevoo wordt de complexiteit die deze informele hulp brengt, vaak onderschat. “De vraag is niet óf die hulp komt, maar hoe je die organiseert zonder dat formele hulpverlening wordt belemmerd. Er meldden zich veteranen om te helpen, er waren boeren die met tractoren evacuaties ondersteunden en toeristen die hun vakantie onderbraken om puin te ruimen. Je kunt en wilt dan niet zeggen dat mensen niet mogen helpen. Maar je moet wel nadenken hoe je die energie op een goede manier benut. Tegelijkertijd zagen we ook dat spontane initiatieven soms ontspoorden. Sommige mensen begonnen geld in te zamelen of goederen te verzamelen zonder toezicht. Een deel daarvan kwam uiteindelijk niet terecht waar het bedoeld was.”

Waarom oefenen we dit niet?

Misschien wel de belangrijkste vraag die Prevoo stelt, is waarom de nafase nauwelijks wordt geoefend. “We oefenen dit niet. Who cares?” Zijn antwoord klinkt scherp, maar komt voort uit ervaring.“We oefenen evacuaties, crisisstructuren en opschalingen. Maar de periode daarna duurt vaak veel langer en heeft minstens zoveel impact. Daar zouden veiligheidsregio’s veel meer aandacht aan moeten besteden. Daarbij gaat het niet alleen om procedures, maar vooral om verantwoordelijkheden, dilemma’s en menselijk handelen.Wie neemt de regie? Hoe ondersteun je slachtoffers? Hoe ga je om met vrijwilligers? Hoe voorkom je uitbuiting? Hoe organiseer je herstel? Dat zijn allemaal vragen die pas na de crisis echt zichtbaar worden.”

De belangrijkste les

Vijf jaar na de overstromingen is de belangrijkste boodschap van Prevoo nog altijd dezelfde. “Een crisis eindigt niet wanneer de oorzaak weg is. Dan begint voor veel mensen pas de echte opgave. Als we klimaatrisico’s serieus nemen, moeten we niet alleen nadenken over de crisis zelf, maar ook over alles wat daarna komt. Juist daar ligt nog een enorme opgave voor veiligheidsregio’s, gemeenten en bestuurders.”

Update uit het netwerk

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Hoi allemaal,

Zoals in de vorige nieuwsbrief door Lana al aangekondigd werd, ben ik sinds kort covoorzitter van het netwerk. Ik werk voor de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, waar ik ben binnengekomen als beleidsmedewerker veilige leefomgeving maar waar ik mij sinds kort helemaal op het onderwerp klimaatveiligheid mag richten. Ik sluit al meerdere jaren aan bij het netwerk en vind het ontzettend leuk om hier nog meer mee bezig te zijn.

Netwerkdag klimaatveiligheid 9 juni.

Deze maand kwamen we weer samen voor een energieke en goed gevulde netwerkbijeenkomst klimaat- en waterveiligheid. In de sfeervolle omgeving van De Observant in Amersfoort kwamen we met een brede groep collega’s uit het hele land samen.

Wat mij iedere bijeenkomst weer opvalt, is de betrokkenheid binnen ons netwerk. Klimaatveiligheid raakt steeds meer beleidsterreinen en organisaties. Daarom is het zo waardevol om samen te komen, ervaringen te delen en elkaar te inspireren. Ook deze bijeenkomst liet zien hoeveel kennis en enthousiasme er aanwezig is.

De ochtend stond in het teken van een aantal actuele en uiteenlopende thema’s.

En last but not least: en aantal studenten van de Thorbecke Academie NHL Stenden Hogeschool namen ons mee in de organisatie van hun Hackathon Klimaatveiligheid.

We begonnen met een presentatie over hittekracht door het KNMI. Hitte vormt een steeds grotere uitdaging voor onze samenleving en vraagt om een andere manier van kijken naar risico’s, kwetsbaarheid en voorbereiding, ook voor de hulpdiensten zelf. Onze operationele collega’s kunnen hierdoor ook ernstig geraakt worden.

Het Landelijk Team Natuurbrandanalisten nam ons mee in de recente natuurbranden in Nederland. Een tot nu toe ongekende schaal. Aan de hand van actuele voorbeelden werd duidelijk hoe de risico’s veranderen en hoe weersomstandigheden eraan bij dragen. Een goed voorbeeld van hetgeen wat wij meegeven vanuit het klimaatveiligheid netwerk: De ons bekende risico’s zijn aan het veranderen met het veranderende klimaat en daarmee verandert ook de context waarin wij als hulpdiensten ons werk uit moeten voeren.

Ook kregen we inkijk in het Dashboard Dijkdoorbraak en Overstromingen van de VRGZ. Dit dashboard helpt om meer inzicht te creëren en bij te dragen aan de voorbereiding bij overstromingsscenario’s.

We hebben het gehad over het nieuwe onderzoek over de Wildland Urban Interface in Nederland, kennen jullie dit al? Zo niet, deze is terug te kijken via deze link

In de middag zijn we praktisch aan de slag gegaan met een werksessie rondom klimaatveiligheid meenemen in een omgevingsprogramma. Aan drie tafels zijn we ingegaan op de omgevingswetinstrumenten en hoe deze in elkaar doorlopen, op wat je zou adviseren aan gemeenten om op te nemen in hun omgevingsprogramma over klimaatveiligheid en op voorbeelden van gemeenten die al bezig zijn met programma’s. De discussies lieten zien dat er nog veel te ontdekken valt, maar vooral ook dat er binnen het netwerk veel kennis en ervaring aanwezig is om hierin gezamenlijk stappen te zetten. Een punt dat hier naar voren kwam is het belang van de rolverdeling bij de omgevingswetinstrumenten tussen de verschillende partners en dat gemeenten goed zicht moeten hebben over de onderwerpen waarover de veiligheidsregio kan adviseren, zo ook klimaatveiligheid.

Als laatste zijn we meegenomen in de wereld van de Politie op het onderwerp klimaatveiligheid en de mogelijke gevolgen voor de openbare orde en veiligheid. Een waardevolle afsluiting die nogmaals liet zien dat klimaatveiligheid vraagt om een brede, multidisciplinaire aanpak.

Persoonlijk kijk ik met veel plezier terug op deze bijeenkomst. De openheid waarmee kennis wordt gedeeld en de bereidheid om elkaar verder te helpen is precies waarom dit netwerk zo goed werkt. We zijn niet alleen bezig met het verkennen van het thema, maar werken ook actief aan de toepassing ervan in de regio’s. Daarmee groeit klimaatveiligheid stap voor stap uit tot een vanzelfsprekend onderdeel van ons werk.

Dank aan alle sprekers voor jullie bijdrage. En natuurlijk ook aan iedereen die actief meedacht, vragen stelde en ervaringen deelde.

Mede namens de kerngroep en Lana,

Tot snel,

Nanette Verburg

P.S. Heb je vragen of ideeën voor het netwerk? Neem dan contact op met je coalitievertegenwoordiger in de kerngroep. Heb je hun contactgegevens niet, laat het ons weten. Je kunt ons bereiken via: lana.garrels@veiligheidsregioaa.nl & nanette.verburg@vr-rr.nl

Blog: Vooruitkijken in een tijd die sneller verandert dan onze ogen kunnen bijhouden

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Uit: burgemeestersblad editie mei 2026
Tekst: Annemieke Nijhof, Algemeen directeur Deltares

Annemieke is sinds 2020 algemeen directeur van Deltares. En werkt al bijna dertig jaar aan verschillende aspecten van een duurzame leefomgeving.

Elektriciteitsmast in een weiland.

De afgelopen jaren hebben ons opnieuw wakker geschud. We kregen uitzonderlijke neerslag en overstromingen, langdurige droogte waardoor sluizen niet meer open konden, verzakkingen door lage grondwaterstanden, scheepvaart die stilviel en natuurbranden met grote ecologische schade als gevolg. Daarnaast zien we steeds vaker dat één incident niet op zichzelf staat. Uitval van elektriciteit kan leiden tot uitval van telecommunicatie, met gevolgen voor de inzet van hulpdiensten. Onze systemen zijn sterker verweven dan waarmee we lang rekening hielden.

In het recente Deltares-rapport over klimaatdreigingen en cascade-effecten maakten we dat opnieuw zichtbaar. We tonen hoe de effecten van langdurige droogte, hittegolven en natuurbranden elkaar kunnen versterken, en hoe een lokaal probleem kan uitgroeien tot regionale of zelfs landelijke impact wanneer vitale infrastructuren geraakt worden. Klimaatdreigingen komen steeds vaker samen voor. Ze stapelen, versterken elkaar en leggen waarheden bloot die lang impliciet zijn gebleven.

Dat vraagt niet om somberheid, maar om realisme. We kunnen extreme klimaat- of natuurgebeurtenissen niet uitsluiten. Wat we wél kunnen, is hiermee rekening houden, de gevolgen beperken en onze systemen zo organiseren dat we sneller herstellen wanneer er iets misgaat.

Langs drie lijnen zie ik urgente opgaven, én kansen om samen sterker te worden.

1. Klimaatadaptatie integreren met crisisrespons

We hebben lang gedacht in stappen: eerst voorkomen, dan voorbereiden, dan reageren. Maar het klimaat volgt onze volgorde niet. Droogte loopt door in hitte. Droogte vergroot de kans op natuurbrand. Natuurbrand en hitte kunnen leiden tot lokale uitval van stroom, en daarmee na verloop ook van telecommunicatie.

Toen we dit scenario doorleefden met partners, zagen we dat dit leidde tot druk op de zorg, bereikbaarheid, drinkwater en energievoorziening. Allemaal tegelijk.

Het vraagt van ons dat we klimaatadaptatie en crisisbeheersing niet langer als twee werelden beschouwen. Bij keuzes voor grote aanpassingen aan onze infrastructuur, zoals dijkversterkingen, waterberging, koelte, infrastructuur en ruimtelijke inrichting, moeten we ook rekening houden met de effecten tijdens crises. Daarmee vergroten we niet alleen onze bescherming, maar ook onze flexibiliteit wanneer een situatie omslaat. Adaptatie en respons zijn geen aparte hoofdstukken.

2. Meerlaagsveiligheid: ruimtelijke keuzes zíjn veiligheidskeuzes

Nederland is groot geworden door te leren na impactvolle gebeurtenissen, met innovatieve oplossingen: de Afsluitdijk, Deltawerken en Ruimte voor de Rivier. Maar de vraag die nu voorligt, is of we opnieuw willen wachten tot we gedwongen worden tot ingrijpen.

We hebben in Nederland beperkte ruimte voor aanpassingen en er zijn grenzen aan wat ons water- en bodemsysteem aan kan. In natte perioden raken buffergebieden vol. Bij langdurige wind uit één richting kunnen waterstanden verder stijgen dan waar onze infrastructuur op is berekend. Onze natuurgebieden worden gevoeliger voor brand. We zien dat hulpdiensten steeds vaker met personeelsschaarste en gelijktijdige incidenten te maken krijgen.

Daarbij komt dat veel Nederlanders veiligheid als vanzelfsprekend ervaren. Maar het past bij deze tijd om met elkaar te erkennen dat absolute veiligheid niet bestaat. Wat we kunnen doen, is ruimte creëren om te handelen, risico’s verkleinen en gevolgen beperken. Met aandacht voor sociaal kwetsbare groepen.

Denken in oplossingen in meerlaagsveiligheid is nog belangrijker geworden. Het dwingt ons na te denken over preventie, ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing tegelijk. Het maakt zichtbaar dat keuzes over woningbouw, infrastructuur, energievoorziening en economische ontwikkeling óók veiligheidskeuzes zijn.

3. Voorbereid op het onbekende: werken met what if-scenario’s

Veel van wat we nu meemaken, viel twintig jaar geleden buiten ons denkvermogen. Extreem weer, compound events en snelle cascade-effecten passen niet in oude statistieken. Daarom pleit ik voor een bestuurscultuur waarin we het onbekende niet schuwen.

What if-scenario’s, doorlevingen en stresstesten helpen om te onderzoeken wanneer en waar het systeem knelt bij situaties waarover we liever niet nadenken. Zo krijgen we inzicht in gevolgen voor onze maatschappij, en wordt zichtbaar waar schaarste aan mensen en materieel bepalend kan zijn.

Ondergelopen polder overstroming Limburg 2021

Wat betekent dat voor veiligheidsregio’s?

Voor veiligheidsregio’s betekent dit dat klimaatdreigingen steeds minder als losse gebeurtenissen kunnen worden benaderd. Hitte, droogte, natuurbrand, wateroverlast en druk op vitale infrastructuur kunnen gelijktijdig optreden.

Het is daarom belangrijk om klimaatdreigingen niet langer als losse gebeurtenissen te behandelen, maar als verschijnselen die met elkaar samenhangen. Dat begint met het gesprek: met gemeenten, waterschappen, netbeheerders, zorginstellingen en uitvoerders die dagelijks met de gevolgen van extreme omstandigheden te maken hebben.

Daarnaast vraagt deze tijd dat ruimtelijke keuzes en veiligheidsvragen veel sterker met elkaar worden verbonden. Waar we woningen bouwen, de openbare ruimte inrichten en energievoorzieningen plaatsen: al die besluiten hebben gevolgen voor hoe goed we als samenleving kunnen omgaan met extremen.

Tot slot wil ik benadrukken hoe waardevol regelmatig oefenen is, niet alleen met gebruikelijke partners maar ook met partijen die vaak pas in beeld komen als er al druk op het systeem staat: netbeheerders, drinkwaterbedrijven, zorginstellingen en infrastructuurbeheerders.

Door samen een scenario te doorleven, ontstaat inzicht in afhankelijkheden die in rustige tijden onzichtbaar blijven. Niet om te beloven dat alles veilig is, maar om te laten zien dat we er alles aan doen om voorbereid te zijn.

#inthespotlight: Een extreemweerscenario levert andere inzichten op dan een klassieke systeemtest

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Een systeemtest met een extreemweerscenario levert andere inzichten op dan een traditionele flitsramp. Ruby Hillegers pleit ervoor om juist deze scenario’s te oefenen, omdat ze beter aansluiten bij de klimaatgerelateerde risico’s van de toekomst.

Onderschrift: Extreemweer foto gebruikt voor systeemtest (gemaakt met AI)

Ruby Hillegers, adviseur Crisisbeheersing bij Veiligheidsregio Hollands Midden, organiseerde dit jaar een systeemtest rond een extreemweerscenario. Door niet te kiezen voor een traditionele ‘flitsramp’, maar voor een weersituatie die zich over meerdere dagen opbouwt, ontstonden nieuwe inzichten over voorbereiding, samenwerking en de rol van risicomonitoring.

Een systeemtest met een andere dynamiek

“Binnen mijn functie houd ik mij bezig met opleiden, trainen en oefenen van onze crisisfunctionarissen. Daarnaast coördineer ik de multi-evaluaties na inzetten. Vorig jaar kreeg ik de opdracht om de systeemtest te organiseren. We proberen daarbij altijd een verrassend scenario te kiezen en dit jaar wilden we iets anders doen dan we gewend zijn.”

De keuze viel op een extreemweerscenario met zware regenval en wateroverlast. “Normaal gesproken zijn systeemtesten vaak gebaseerd op een flitsramp. Er gebeurt iets en de crisisstructuur moet direct opschalen. Bij extreem weer werkt dat anders. Dat zie je aankomen. Je krijgt weerswaarschuwingen, je hebt tijd om informatie te verzamelen en maatregelen voor te bereiden. Juist die fase wilden we meenemen.”

Ruby Hillegers.

Eerder starten met de oefening

Om dat realistisch te maken, begon de oefening niet op de dag van de opschaling zelf, maar al enkele dagen eerder. Via gesimuleerde KNMI-waarschuwingen en nieuwsberichten werd stap voor stap een dreigende weersituatie opgebouwd. “Het idee was om te kijken wat mensen met die informatie doen. Welke acties zet je in gang? Wie informeer je? Welke voorbereidingen tref je? Dat zijn vragen die je bij een extreemweerscenario veel eerder krijgt dan bij een flitsramp.”

De rol van het Veiligheidsinformatie Knooppunt

Een belangrijk onderdeel van de test was de betrokkenheid van het Veiligheidsinformatie Knooppunt (VIK). Dat gebeurde voor het eerst.“Het VIK houdt zich bezig met risicomonitoring aan de voorkant. Elke veiligheidsregio heeft inmiddels zo’n functie. Omdat extreem weer zich vaak al dagen van tevoren aankondigt, vonden we het logisch om juist dat proces onderdeel te maken van de systeemtest.”

Nieuwe inzichten

Volgens Hillegers leverde dat direct nieuwe inzichten op. “Normaal gesproken oefenen we vooral vanaf het moment dat de pieper gaat. Maar bij dit scenario zagen we dat er al veel gebeurt voordat er formeel wordt opgeschaald. Mensen gaan informatie verzamelen, leggen contact met elkaar en beginnen alvast na te denken over mogelijke maatregelen. Dat is eigenlijk een fase die steeds belangrijker wordt.”

Een ander soort crisis

Wat Hillegers vooral opviel, was dat een extreemweerscenario fundamenteel andere vragen oproept dan een traditioneel incident.“Bij een klassiek incident heb je vaak één duidelijk brongebied. Het is vrij helder waar het probleem zit. Bij extreem weer heb je een veel groter bron- én effectgebied. Er gebeuren op verschillende plekken tegelijkertijd allerlei dingen. Daardoor wordt het ook minder duidelijk welk team waarvoor verantwoordelijk is.”

Juist dat leverde waardevolle inzichten op

“Je merkt dat de grenzen tussen teams vervagen. Het ene team verwacht dat het andere team iets oppakt, terwijl dat andersom ook gebeurt. Daardoor ontstaat veel meer discussie over rollen, verantwoordelijkheden en afstemming. Dat zijn gesprekken die je moet voeren, want dit soort situaties gaan we waarschijnlijk vaker zien.”

Oefenen met wat eraan komt

Volgens Hillegers sluit een extreemweerscenario beter aan bij de ontwikkelingen waar veiligheidsregio’s mee te maken krijgen.“De risico’s die we steeds vaker zien, hebben vaak een langere aanlooptijd. Daardoor verandert ook de rol van crisisfunctionarissen. Als informatiemanager of operationeel leider moet je misschien al veel eerder betrokken zijn. Niet pas wanneer er wordt opgeschaald, maar al in de periode daarvoor.”

Dat vraagt volgens haar om een andere manier van denken. “Vroeger betekende een pieper: nu ga ik aan de slag. Maar bij dit soort risico’s begint het werk eigenlijk al eerder. Dat vraagt iets van de crisisorganisatie, maar ook van de mensen die daarin werken.”

Tips voor andere veiligheidsregio’s

Voor veiligheidsregio’s die overwegen om een systeemtest rond extreem weer te organiseren, heeft Hillegers een aantal duidelijke aanbevelingen.“Maak de aanloop realistisch en laat die meerdere dagen duren. Dat is hoe extreem weer zich in werkelijkheid ontwikkelt. Gebruik echte of realistisch nagebootste waarschuwingen en kijk hoe die informatie door de organisatie beweegt. Wie doet er iets mee? Wie niet?”

Ook adviseert zij om partners vroegtijdig te betrekken. “Wij hebben bijvoorbeeld het waterschap meegenomen in de voorbereiding. Achteraf denk ik dat het ook interessant was geweest om partijen zoals het KNMI nog nadrukkelijker te betrekken, bijvoorbeeld in het tegenspel. Dat maakt het scenario nog realistischer.”

Tegelijkertijd waarschuwt ze ervoor om niet te veel veranderingen tegelijk door te voeren. “We hebben dit jaar best veel dingen aangepast ten opzichte van eerdere systeemtesten. Een langere aankondigingsperiode, een avondscenario, een uitgebreide aanloop en de betrokkenheid van het VIK. Achteraf denk ik dat je sommige veranderingen misschien beter stapsgewijs kunt invoeren. Anders voelt het voor deelnemers bijna alsof ze een compleet andere oefenvorm krijgen.”

Ogen geopend

Hoewel de definitieve evaluatie nog niet is vastgesteld, is één conclusie voor Hillegers al duidelijk.“Het scenario heeft ons op een andere manier naar onze crisisorganisatie laten kijken. We hebben inzichten opgedaan die we met een traditioneel scenario waarschijnlijk niet hadden gekregen. Het heeft op verschillende manieren de ogen geopend.”

Juist daarom ziet zij veel waarde in het oefenen met klimaat- en extreemweerscenario’s. “Als veiligheidsregio’s zich willen voorbereiden op de risico’s van de toekomst, dan moet je die risico’s ook oefenen. Extreem weer vraagt om een andere manier van denken, voorbereiden en samenwerken. En precies daarom levert zo’n systeemtest zoveel op.”