Opvang en nazorg na grof en extreem geweld

Tekst


Aandachtspunten in een oogopslag

De belangrijkste aandachtspunten in een oogopslag:

  1. De behoeften in de opvang en nazorg zijn persoonsgebonden, er is geen one-size-fits-all. Wel zijn er enkele algemeen geldende behoeften te formuleren;
  2. Het wordt afgeraden om kort na een schokkend incident op ‘actieve’ wijze de gevoelens en emoties uit te vragen die de geüniformeerde mogelijk heeft ervaren, zoals wel gebeurt bij een psychologische debriefing;
  3. Hulpverleners kunnen multidisciplinaire debriefings en/of een reconstructie van een incident (operationele debriefing) als waardevol ervaren;
  4. Het belang van intern onderzoek kan op gespannen voet staan met de voorwaarden voor een laagdrempelige en veilige ondersteuning;
  5. De behoefte van hulpverleners aan nazorg kan voor langere tijd aanwezig zijn. Ook kan het voorkomen dat medewerkers pas klachten/symptomen ontwikkelen na verloop van tijd;
  6. Door medewerkers te monitoren kan er tijdig gereagererd worden op eventuele klachten na een incident;
  7. Nazorg moet beschikbaar te zijn voor alle betrokkenen, inclusief leidingegevenden en functionarissen.


Algemene behoeftes in opvang en nazorg

De behoeften in de opvang en nazorg zijn persoonsgebonden, er is geen one-size-fits-all. Waar mogelijk dienen deze individueel in kaart gebracht te worden om effectief te kunnen reageren op de klachten van een medewerker. Toch zijn er ook enkele (algemeen geldende) zaken die naar voren komen:

  1. Vroege opvang en onderlinge steun na een schokkende gebeurtenis zijn effectief ter preventie van psychische klachten en aandoeningen bij betrokken hulpverleners;
  2. Professionele psychosociale nazorg moet een vast onderdeel van een rampenplan zijn;
  3. Gesprekken met ervaringsdeskundigen of teamleden (peer support) worden gewaardeerd. Dit is altijd een mogelijke toevoeging aan professionele psychosociale ondersteuning;
  4. Inzicht in en begrip voor eigen reactie is van belang voor de medewerker: Ik ben niet de enige met deze stressreacties. Ik reageer ‘normaal’/gezond op een ‘abnormale’ situatie;
  5. De drempel om terug te keren op het werk kan hoog zijn voor een uitgevallen medewerker. Dit is echter wel een belangrijke stap in het psychosociale proces. Ondersteuning hierbij kan deze drempel verlagen;
  6. Hulpverleners hebben behoefte aan het ontvangen van erkenning/waardering voor de uitgevoerde (reddings-)werkzaamheden. Op de plaats van het incident is vaak weinig overzicht over de situatie waar de hulpverlener ‘deel van uit maakt’. Na afloop is het belangrijk dat de hulpverlener de juiste (en volledige) informatie over het incident ontvangt;
  7. Tijdens de (reddings-)werkzaamheden op de plaats van het incident zijn er veel heftige prikkels (geur/lawaai/gruwelijke scènes) en is er vaak sprake van angst en stress. Terugkeren (met collega’s) op plaats van incident wanneer de rust is teruggekeerd, kan de hulpverlener helpen om zelf weer rustig te worden;
  8. In de directe nasleep is er vaak nog een focus op de veiligheidssituatie. Deze focus kan conflicteren met de aandacht voor betrokken hulpverleners. Hiervoor moet aandacht zijn in een rampenplan.


Psychologische debriefing

Het wordt afgeraden om kort na een schokkend incident op ‘actieve’ wijze de gevoelens en emoties uit te vragen die de geüniformeerde mogelijk heeft ervaren, zoals wel gebeurt bij een psychologische debriefing. Psychologische debriefing wordt afgeraden, omdat niet wetenschappelijk is aangetoond dat dergelijke debriefing effectief is; er zijn zelfs aanwijzingen dat hierdoor de psychosociale gevolgen verergeren.


Multidisciplinaire debriefing en totaalbeeld

Hulpverleners geven aan dat zij multidisciplinaire debriefings als waardevol ervaren na grootschalige incidenten. Een reconstructie van de gebeurtenis geeft hun het gevoel, een belangrijk onderdeel te hebben uitgemaakt van een grote operatie. Daarnaast verhoogd een multidisciplinaire nabespreking kennis over de werkwijzen van andere kolommen en diensten. Deze kennis kan wederom een positief effect hebben op de toekomstige samenwerking.


Interne onderzoeken

Na een grootschalig incident wordt doorgaans de reactie van de verschillende betrokken organisaties onderzocht. Deze interne onderzoeken zijn voornamelijk gericht op het verifiëren van correct afgehandelde processen en procedures. Het ‘zoeken naar fouten’ komt negatief en kil over naar de medewerker en het idee van een gebrek aan inlevingsvermogen bij de onderzoekende partij ligt op de loer. Daarbij kan het gedetailleerd doorlopen van het incident nare herinneringen/herbelevingen oproepen.


Voldoende opvolging van de nazorg

Langere nazorgtraject

Directe opvang en opstarten van de nazorg krijgt vaak veel aandacht. Middelen en capaciteit worden hier voor vrijgemaakt. Nazorg is echter van belang voor langere tijd en bovendien kan het voorkomen dat medewerkers pas klachten/symptomen ontwikkelen na verloop van tijd (kan zelfs nog meerdere jaren na het incident). Bij een groot incident is de kans groot dat een naar verhouding groot deel van het personeel in een nazorgtraject terecht komt. De capaciteit om deze zorg blijvend op niveau te houden, moet dus ook gedurende langere tijd de aandacht krijgen. ‘Over op de orde van de dag’ na een paar weken van intensieve aandacht voor opvang en opstarten van trajecten is niet voldoende.

Aangeraden wordt maximaal drie gesprekken te voeren binnen de georganiseerde collegiale ondersteuning; daarna dient (indien nodig) geadviseerd te worden dat de geüniformeerde contact zoekt met professionele hulpverlening. Hierbij dient de volgende globale fasering aan te worden gehouden:

  1. eerste gesprek: enkele dagen na het incident;
  2. tweede gesprek: na vier tot zes weken;
  3. derde gesprek: na drie maanden.


Monitoring van personeel

Gestructureerde monitoring bestaat uit het opvangen van signalen over de situatie van de hulpverlener tijdens herhaalde ondersteuning naar aanleiding van een incident;
Gezien de grote verscheidenheid in het moment van het ontwikkelen van psychische en psychosociale klachten, is de monitoringsperiode zeer afhankelijk van de betrokken persoon en het incident.


Doelgroepen

Nazorg voor alle betrokkenen

Nazorg zou voor alle direct en indirect betrokken hulpverleners en functionarissen toegankelijk moeten zijn. In de praktijk blijkt echter dat er aan bepaalde groepen (onbewust) onvoldoende aandacht wordt besteed in de nazorg. Het gaat dan bijvoorbeeld om de volgende groepen:

  1. Leidinggevenden, deze zijn vaak zelf verantwoordelijk voor nazorg;
  2. Bestuurders, bijvoorbeeld burgemeesters;
  3. Functionarissen op fysieke afstand van het incident, zoals functionarissen in crisisteams (OT/BT), in de meldkamer en gemeenten, evenals hulpverleners die niet werden opgepiept voor het incident;
  4. Aanbieders van nazorg;
  5. Recherche, draagt weliswaar geen ‘uniform’, maar wordt wel geconfronteerd met extra druk op sporenonderzoek (vervolg aanslag uitsluiten/voorkomen) en heftige PD;
  6. Hulpverleners on hold. (niet in kunnen/mogen grijpen).

Onderzoek Toolkit opvang en nazorg

Tekst, intro naar pagina Onderzoek Toolkit opvang en nazorg na grof en extreem geweld


Voorbereiding

Tekst, intro naar pagina Voorbereiding


Psychosociale impact

Tekst, intro naar pagina Psychosociale impact


Contactpersoon voor deze bijdrage