label Fysiek veilige leefomgeving

Brandveiligheid woongebouwen: tussen regels en realiteit

22 mei 2026

De zorg in ons land is de laatste 10 jaar sterk verschoven naar zelfstandig wonen. Steeds meer mensen met een (zwaardere) zorgvraag wonen in reguliere woongebouwen. Het brandveiligheidsbeleid en de bijbehorende voorschriften zijn niet in hetzelfde tempo meegegroeid. In opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) heeft het NIPV onderzocht hoe in de praktijk wordt omgegaan met de brandveiligheid in woongebouwen waarin mensen met een zorgvraag wonen.

Foto: IStock.

Onderzoeksaanpak

Projectleider en senior onderzoeker Johan van der Graaf: “De kern van het onderzoek bestond uit 17 gebouwbezoeken. Op basis van deze gebouwbezoeken, gesprekken en andere informatie, zoals gebruiksmeldingen, ontruimingsplannen en websites, hebben we een beeld geschetst van hoe ‘wonen met zorg’ er in de dagelijkse praktijk uitziet. Daarnaast hebben we met een literatuuronderzoek het landschap van wonen met zorg systematisch in kaart gebracht. Ook hebben we de historische ontwikkeling van wonen met zorg beschreven. En hebben we een literatuurstudie gedaan naar bestaande onderzoeken over brandveiligheid bij ouderen en anderen kwetsbare groepen.”

Nieuwe realiteit voor wonen, zorg en brandveiligheid

“Uit ons onderzoek blijkt dat door de verplaatsing van zorg van instelling naar thuis, de beperkte verpleeghuiscapaciteit en de wens van mensen om langer in hun eigen woonomgeving te blijven, er thuissituaties ontstaan zonder de brandveiligheidsvoorzieningen die in instellingen normaal zijn. Dit levert in de praktijk onduidelijkheid en spanningen op over passende brandveiligheidsmaatregelen in woningen waarin zorg wordt verleend en over wie waarvoor verantwoordelijk is”, vertelt Van der Graaf.

Lees het rapport

Het rapport bestaat uit drie samenhangende delen met elk een ander perspectief. Deel 1 geeft de belangrijkste bevindingen en conclusies. Deel 2 beschrijft de onderbouwing vanuit de praktijk, terwijl deel 3 een onderbouwing geeft vanuit theorie en beleid.

label Fysiek veilige leefomgeving

‘Leven tussen hoop en vrees: omgaan met veiligheidsrisico’s en onzekerheden van de energietransitie’  

21 mei 2016

Met de titel: “Leven tussen hoop en vrees: omgaan met veiligheidsrisico’s en onzekerheden van de energietransitie”, aanvaardde Nils Rosmuller op donderdag 21 mei officieel zijn ambt als bijzonder hoogleraar op de leerstoel Veiligheidsaspecten van de energietransitie in de gebouwde omgeving aan de Universiteit Twente. Ruim 150 gasten waren aanwezig bij zijn oratie.   

Nils Rosmuller.

Energietransitie en veiligheid: een bredere blik op risico’s en onzekerheden  

In zijn oratie ging Rosmuller in op de veiligheidsrisico’s en onzekerheden die samenhangen met duurzame vormen van energieproductie, -opslag, -transport en -gebruik. Volgens hem kent iedere vorm van hernieuwbare energie eigen gevaren en veiligheidsvraagstukken. 

Zijn oratie laat zich op hoofdlijnen samenvatten in vijf kernpunten:  

  1. De energietransitie gaat gepaard met duurzame(re) vormen van energieproductie, -transport, -opslag en -gebruik, die elk hun eigen gevaren, veiligheidsrisico’s en onzekerheden kennen.  
  2. Het is niet gezegd dat de energietransitie de samenleving onveiliger maakt. Wel zijn er, ten opzichte van de fossiele energiebronnen, andersoortige incidentscenario’s, kansen en effecten als gevolg van incidenten met hernieuwbare energiebronnen en -dragers. 
  3. De energietransitie betreft een scala aan onderliggende risico inducerende mechanismen (nieuwe technologie nabij burgers, veranderende energieketens, onervaren partijen, beperkt datasets, na-ijlende wet- en regelgeving) die allen de veiligheidsrisico’s beïnvloeden en die gepaard gaan met verschillende soorten onzekerheden. 
  4. Met een bredere aanpak (safety by design, ketenbenadering en een integrale veiligheidsanalyse), en de expliciete beschouwing van onzekerheden, wordt meer recht gedaan aan de dynamische en onvoorspelbare aard van de veiligheidsrisico’s als gevolg van de energietransitie. 
  5. De veiligheid van de energietransitie vraagt als normatief leidend beginsel ook expliciete aandacht voor het voorzorgsbeginsel door actief op zoek te gaan naar onzekerheden en te trachten zulke onzekerheden te vertalen in termen van bespreekbare risico’s. 

Ambitieus maar niet onmogelijk 

Rosmuller: ‘Het zal duidelijk zijn dat de benadering die ik voorsta en de eerste conceptuele aanzet hiertoe in deze oratie, ambitieus is. Hier passen dan ook bescheidenheid en een uitgestoken hand. Bescheidenheid omdat ik niet alles kennis en kunde bezit om het brede scala aanvraagstukken en benodigde disciplines beheers. Een uitgestoken hand, omdat ik met kennisinstellingen, overheden en bedrijfsleven de veilige energietransitie wil faciliteren en tot een succes wil gaan maken.  

Vanuit die rol als bijzonder hoogleraar én als lector Energie- en transportveiligheid bij het NIPV krijg ik de mogelijkheid om wetenschappelijke inzichten te verbinden met de praktijk van veiligheidsprofessionals, beleidsmakers en overheden, zodat de energietransitie niet alleen duurzaam, maar ook veilig en maatschappelijk verantwoord verloopt. Daarbij staan risicobeheersing, omgaan met onzekerheden en het voorzorgsbeginsel centraal.”

Directeur Onderzoek en Onderwijs Coby Flier: “Namens het NIPV feliciteer ik Nils van harte met zijn benoeming. De energietransitie vraagt om nieuwe, fundamentele en toegepaste kennis over veiligheid, risico’s en maatschappelijke impact. Samen met de Universiteit Twente investeren we in kennisontwikkeling die direct bijdraagt aan een veilige leefomgeving en aan de professionals die dagelijks werken aan de energietransitie. Ik ben er trots op dat Nils Rosmuller met zijn expertise en onderzoeksgroep hierin een voortrekkersrol vervult en wens hem heel veel succes in deze rol.”

Lees de oratie

label Maatschappelijke veerkracht

Congres Crisisbeheersing 2026 in teken van samenwerking met de samenleving

20 mei 2026

Op 20 mei kwamen in Spant in Bussum meer dan 500 professionals samen voor het landelijk Congres Crisisbeheersing: crisisbeheersing voor en met de samenleving. Met ruim twintig deelsessies stond het congres in het teken van de samenwerking tussen crisisorganisaties en de maatschappij.

Burgemeester Anja Schouten en dagvoorzitter Daniëlle Steffens.

Tijdens de dag werd gesproken over de verwachtingen van inwoners tijdens crises en de vraag hoe overheden, hulpdiensten en maatschappelijke partners inwoners beter kunnen bereiken en betrekken. Keynote sprekers Anja Schouten, burgemeester van Alkmaar, Anja Schouten, en Daan Roovers, voormalig Denker des Vaderlands en lid van de Eerste Kamer, startten het plenaire gedeelte van het congres.

Kiezen we voor efficiëntie of voor veerkracht?

Zo begon Roovers met een reflectie op bestuurlijke logica. Volgens haar is Nederland sterk gericht op efficiëntie: hoe efficiënter processen worden ingericht, hoe beter dat doorgaans wordt gevonden. In de relatie tussen overheid en samenleving schiet die logica echter tekort. Ze ging in op de paradox van efficiëntie en stelde daarbij de vraag centraal: kiezen we voor efficiëntie of voor veerkracht?

Eerste Impact Award Crisisbeheersing

Tijdens het congres werd voor het eerst de Impact Award Crisisbeheersing uitgereikt. Deze prijs is een initiatief van het NIPV, het ministerie van Justitie en Veiligheid en de Vakraad Risico- en Crisisbeheersing van de RCDV (Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio).

Met deze award wordt jaarlijks aandacht gevraagd voor inspirerende initiatieven binnen het brede domein van crisisbeheersing. Elk jaar zal de award aansluiten bij het overkoepelende thema van het Congres Crisisbeheersing van dat jaar.

Dit jaar waren 3 initiatieven genomineerd waarin burgerparticipatie en maatschappelijke betrokkenheid centraal staan. De award ging naar het burgerinitiatief ‘Praat met je straat’: een lokaal initiatief dat buurtbewoners met elkaar in gesprek wil brengen over weerbaarheid, vertrouwen en samenredzaamheid in de wijk. Het initiatief kreeg onder meer vorm in het Ludenkwartier in Doorn, waar bewoners samen activiteiten organiseren rondom crisisvoorbereiding, buurtverbinding en maatschappelijke weerbaarheid.

De winnaars van de eerste Impact Award Crisisbeheersing.

Koninklijke onderscheiding voor Menno van Duin

Een bijzonder moment tijdens het congres was de uitreiking van een koninklijke onderscheiding aan lector Crisisbeheersing Menno van Duin. Hij werd benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau voor zijn jarenlange bijdrage aan crisisbeheersing en rampenbestrijding in Nederland.

Han ter Heegde, burgemeester van Gooise Meren, reikte de onderscheiding uit. Van Duin geldt als één van de grondleggers van het congres en speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van het vakgebied crisisbeheersing, onder meer als lector Crisisbeheersing en auteur van diverse standaardwerken en evaluatiemethoden.

Menno van Duin ontvangt Koninklijke Onderscheiding
Han ter Heegde en Menno van Duin.

Menno van Duin benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau

20 mei 2026

Lector Crisisbeheersing Menno van Duin is benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De onderscheiding werd op 20 mei uitgereikt tijdens het jaarlijkse Congres Crisisbeheersing, waarvan Van Duin één van de grondleggers is. Han ter Heegde, burgemeester van Gooise Meren, speldde hem de bijbehorende versierselen op.

Menno van Duin ontvangt Koninklijke Onderscheiding
Han ter Heegde en Menno van Duin.

Eerbetoon voor jarenlange inzet

Met de onderscheiding wordt Van Duin geëerd voor zijn uitzonderlijke bijdrage aan de ontwikkeling van crisisbeheersing en rampenbestrijding in Nederland. Gedurende meer dan 40 jaar zette hij zich in voor de versterking van het vakgebied, zowel in wetenschap, onderwijs als praktijk.

Belangrijke bijdrage aan crisisbeheersing

Van Duin begon zijn loopbaan in de jaren tachtig aan de Rijksuniversiteit Leiden en promoveerde in 1992 op het proefschrift ‘Van rampen leren’. Zijn onderzoek vormde een belangrijk fundament voor de verdere professionalisering van crisisbeheersing in Nederland. Na een aantal jaren werkzaam te zijn geweest bij het COT, Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement, trad hij in1995 in dienst bij het Nibra, één van de voorlopers van het huidige NIPV.

In 2010 werd Van Duin benoemd als eerste lector van het gezamenlijke lectoraat Crisisbeheersing van het toenmalige NIFV en de Politieacademie. Als lector Crisisbeheersing speelde Van Duin een belangrijke rol in het verbinden van onderzoek, onderwijs en praktijk. Hij stond bovendien aan de basis van de jaarlijkse reeks ‘Lessen uit crises en mini-crises’ en was medeauteur van het ‘Basisboek Crisisbeheersing’, dat geldt als standaardwerk binnen het vakgebied.

Opleider en innovator

Naast zijn onderzoek leverde Van Duin een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van crisisprofessionals. Als decaan van de Master of Crisis and Public Order Management (MCPM) begeleidde en inspireerde hij generaties bestuurders, onderzoekers en crisisfunctionarissen.
Ook ontwikkelde hij vernieuwende evaluatiemethoden, waaronder de zogenoemde dilemma-methodiek. Deze methode wordt inmiddels breed toegepast binnen evaluaties en beleidsanalyses in de crisisbeheersing.

Maatschappelijke betrokkenheid

Naast zijn werkzaamheden in het veiligheidsdomein vervulde Van Duin diverse maatschappelijke en bestuurlijke nevenfuncties. Zo was hij gemeenteraadslid in zijn woonplaats Capelle aan den IJssel, lid van de Rekenkamercommissie Lopik en actief binnen verschillende redactieraden en wetenschappelijke tijdschriften op het gebied van veiligheid en crisismanagement.

Op 12 mei jl. bereikte Van Duin de pensioengerechtigde leeftijd. Op 26 juni a.s. neemt hij afscheid van het NIPV.

label Fysiek veilige leefomgeving
label Klimaatadaptatie

Natuurbrandveiligheid: de overgangszone tussen vegetatie en bebouwing

20 mei 2026

Door klimaatverandering en intensief ruimtegebruik veranderen de natuurbrandrisico’s in Nederland en neemt de kans op (gelijktijdige) branden met directe impact op de samenleving toe. De natuurbranden van een paar weken geleden laten dit zien. Omdat natuur, bebouwing en mensen dicht op elkaar zitten, kan een brand makkelijk overslaan van vegetatie naar bebouwing, en omgekeerd. Het NIPV onderzoekt daarom de overgangszone tussen vegetatie en bebouwing: om welke gebieden gaat het en welke maatregelen zijn daar mogelijk?

Bovenaanzicht stad, huizen en vegetatie eromheen
Foto: NIPV.

35 experts hebben meegedacht

Als eerste is in het onderzoek gekeken naar een Nederlandse benaming, definitie en kaartmethodiek voor de overgangszone, in het Engels Wildland-Urban Interface (WUI) genoemd. Zo’n 35 experts, afkomstig van veiligheidsregio’s, terreinbeheer, overheid en onderzoek, hebben hierover meegedacht. In drie rondes zijn ideeën verzameld, geprioriteerd en aangescherpt tot breed gedragen conclusies.

De belangrijkste afspraken

  • Er is gekozen voor de term ‘vegetatie-bebouwingsovergangszone (VBO)’. Dit past goed bij de Nederlandse context, waar geen wildernis in de klassieke zin van het woord is.
  • Er is consensus onder de experts over een definitie die aansluit bij de Nederlandse realiteit van verweven functies.
  • Om de overgangszones in ons land in kaart te brengen wordt een combinatie van 3 internationale methoden gebruikt.
  • Om mogelijke overgangszones te bepalen wordt gekeken naar vegetatievlekken van minimaal 1 hectare groot en een buffer van 200 meter rondom de vegetatie.

Impact van natuurbranden zo klein mogelijk houden

Lieuwe de Witte, lector Brandveiligheidskunde: “Dit document zet een eerste stap in het zichtbaar maken van de overgangszones tussen vegetatie en bebouwing in ons land. Kennis hierover is niet alleen essentieel voor gemeenten, provincies, brandweer en natuur- en terreinbeheerders, maar ook voor bewoners. De kennis helpt overheden en beheerders bij het maken van risicobeoordelingen, ruimtelijke keuzes, natuurbeheer en operationele voorbereidingen. Met als uiteindelijk doel de impact van natuurbranden op mens, gebouwen en natuur zo klein mogelijk te houden.”

Vervolgonderzoek

De onderzoekers brengen momenteel in kaart waar in ons land vegetatie-bebouwingsovergangszones zijn. Op basis hiervan kunnen maatregelen en richtlijnen voor deze zones worden opgesteld.


Definitie van de vegetatie-bebouwingsovergangszone (VBO)

De overgangszone waar vegetatie direct grenst aan, of verweven is met, bebouwing, infrastructuur of andere menselijke functies zoals wonen, werken of recreatie. Waardoor er een verhoogde blootstelling aan en kwetsbaarheid voor de impact van vegetatiebranden bestaan.


Onderwijs Onderweg naar nieuwe fase: van praten naar doen 

18 mei 2026

Het programma Onderwijs Onderweg begon als een zoektocht naar wat er precies niet klopte in het onderwijs voor brandweer- en crisisprofessionals. Inmiddels ligt er een gedeelde visie en een stevig fundament voor verandering.  

Frans Schippers.

Al doende leren en samen bouwen 

“We zijn al lerende gaan doen”, vertelt Frans Schippers, voormalig programmadirecteur van Onderwijs Onderweg die recent afscheid heeft genomen. “Daarbij hebben we nadrukkelijk gebruikgemaakt van de deskundigheid van de mensen die het werk uiteindelijk moeten uitvoeren zoals manschappen, crisisbestrijders, leidinggevenden en operationeel leiders. Ook aan de onderwijskant hebben we dat gedaan. De visie is dus niet achter een bureau bedacht, maar samen met onderwijskundigen ontwikkeld. Om iedereen mee te nemen, hebben we gewerkt in etappes. Steeds keken we terug: wat hebben we gedaan? En vooruit: wat staat er nog te gebeuren? Zo gingen we stap voor stap verder, terwijl we onderweg steeds afstemden of we nog dezelfde bestemming voor ogen hadden, of moesten bijsturen.” 

Wat er in beweging is gekomen 

“Het belangrijkste is dat vakraden en opleidingsinstituten zich bewuster zijn geworden van hun eigen rol. Voorheen werd er vaak voor elkaar gedacht en dat pakte niet altijd goed uit. Nu is iedereen beter in staat om bij de eigen verantwoordelijkheid te blijven. Daarnaast is er inmiddels een gedeeld beeld van hoe het onderwijsstelsel idealiter zou moeten werken. Er ligt een gezamenlijke onderwijsvisie, zowel voor het NIPV als voor de regionale opleidingsinstituten. Ook hebben we inzicht gekregen in de financiën. Daarmee ligt er een stevig fundament. De volgende stap is om alles daadwerkelijk in te regelen.” 

Trots op wat er staat 

“Ik ben trots op mijn team, dat echt sterk werk heeft geleverd. Maar ook op het NIPV, dat heeft erkend dat dingen anders moesten en die zoektocht is aangegaan. En hetzelfde geldt voor de veiligheidsregio’s. Zij hebben laten zien dat ze bereid zijn om anders te kijken naar hun rol en soms ook iets los te laten.” 

De volgende stap: van denken naar doen 

“Nu begint het echte werk. Alles wat we hebben bedacht, moet worden uitgevoerd en geborgd in regelgeving, zodat helder is wie waarvoor verantwoordelijk is. Daarnaast moeten we het stelsel steeds goed blijven uitleggen. En we hebben nog een opgave in het verder inzichtelijk maken van de financiële kant: hoe lopen de geldstromen en hoe kunnen we die vereenvoudigen ten gunste van beter onderwijs?” 

Wat levert het op? 

“Als dit programma slaagt, profiteren heel veel mensen daarvan. Dan hebben we ons onderwijs beter georganiseerd, en vooral professioneler gemaakt. Brandweer- en crisisprofessionals kunnen dan opleidingen volgen die echt aansluiten bij hun praktijk, binnen een stelsel dat met hen meebeweegt. En als dat ook nog lukt binnen de financiële kaders, dan is dit programma wat mij betreft geslaagd.” 

Waarmaken wat we hebben bedacht 

“Onderwijs Onderweg was nodig omdat we met ons onderwijs simpelweg niet wendbaar genoeg waren”, vertelt Coby Flier, directeur Onderzoek en Onderwijs van het NIPV. “Aanpassingen duurden te lang, we waren te afhankelijk van externe partijen en er was te veel rolvermenging. Als instituut waren we soms meer een schakel of makelaar dan een partij met een eigen, duidelijke rol. Wat dit programma sterk maakt, is dat het echt samen is opgepakt: door de regio’s als werkgevers én door het NIPV. Want dit kún je alleen samen doen. Inmiddels ligt er, na een grondige analyse, een duidelijke visie, een rollennotitie en een spoorboekje voor het vervolg.” 

Van plannen naar doen 

“Nu breekt een cruciale fase aan: van plannen naar doen. We moeten gaan ontwikkelen vanuit de onderwijsvisie die er ligt en tegelijkertijd zorgen dat de vraag vanuit het werkveld goed georganiseerd is. En ja, dat betekent ook dat we elkaar ruimte moeten gunnen om te leren, te zoeken en soms nog niet alles zeker te weten. Dat vraagt vertrouwen, tijd en middelen. Maar ook professionalisering: in hoe we onderwijs maken, geven en examineren, en in hoe we transparant zijn over kosten en kwaliteit. Over twee jaar verwacht ik dat er geen onduidelijkheid meer is over wat het NIPV biedt, met welke kwaliteit en tegen welke kosten. Dat we eerste vernieuwde, wendbare opleidingen hebben staan én dat het werkveld goed is georganiseerd om daar richting aan te geven. Spannend? Zeker. Want het echte werk begint nu pas. We zullen ook samen moeten blijven dragen. Tot nu toe hebben we gebouwd en getest. Nu mogen we het waarmaken.” 

Dit artikel is een ingekorte versie van het bericht op het online platform Onderwijs Onderweg. Lees het volledige artikel op het platform.  

Het meerlaagsveiligheidsmodel als kader voor klimaatrisico’s

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, mei 2026

“De laatste twee jaar passen veiligheidsregio’s het meerlaagsveiligheidsmodel toe op een bredere set klimaatdreigingen. Het model is oorspronkelijk ontwikkeld voor hoogwater, maar is toepasbaar op alle typen klimaatdreigingen. Ook op hitte”, zegt Saskia van den Broek, directeur van de veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland en portefeuillehouder klimaatveiligheid in de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV).  “Het model richt zich op vijf lagen van risico- en crisisbeheersing: bewustzijn, preventie, gevolgbeperking, crisisbeheersing, nafase en herstel. Het principe is dat deze lagen elkaar versterken.”

Saskia van den Broek
Saskia van den Broek

Preventie als integraal onderdeel van crisisbeheersing

“We moeten ons aan de voorkant veel meer voorbereiden op klimaatdreigingen, zoals extreme hitte. Wanneer hitte vaker voorkomt, is alleen inzetten op de crisisrespons niet genoeg. Als het langere tijd heet is en het steeds vaker zo heet wordt, kun je dat niet meer alleen oplossen door hulpverleners op dat moment mensen zo goed mogelijk te laten helpen. Dan gaat het om maatregelen die in het model vallen onder bewustzijn en preventie. Bijvoorbeeld door bij de inrichting van steden al rekening te houden met hitte.”

Anticiperen op schaarste

“We weten ook dat in veel scenario’s als gevolg van klimaatdreigingen op veel plekken tegelijk capaciteit nodig zal zijn. En dat er schaarste zal ontstaan in het aanbod van hulpdiensten. Zoals recent ook het geval was tijdens de verschillende natuurbranden die tegelijk plaatsvonden. Hitte is ook nooit lokaal, maar treft vaak heel Nederland of in ieder geval een groot deel ervan. Hier ligt een duidelijke gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ik denk dat daar nog veel te doen is voor alle partijen samen. Gemeenten en provincies hebben hierin een grote rol. Maar ook veiligheidsregio’s, bijvoorbeeld door te adviseren over hittebestendig bouwen.”

Elkaar weten te vinden in de preventieve fase

“Ik denk dat veiligheidsregio’s zich goed bewust zijn van het belang van preventie. Tegelijk vraagt de rol aan de voorkant nog verdere ontwikkeling. Veiligheidsregio’s nemen of krijgen die rol namelijk nog niet altijd. Daardoor zijn we nog niet overal structureel betrokken bij preventieve vraagstukken.

We moeten nog veel in gesprek. Met gemeenten, maar ook met andere partijen, zoals de Rijksoverheid. Zo kunnen we beter in beeld komen en die rol beter vervullen. Die samenwerking is nog niet vanzelfsprekend. Dat gebeurt nog onvoldoende, denk ik. Daar ligt de grootste uitdaging.”

Als onderdeel van het programma klimaatveiligheid zijn de Handreikingen Veilige Klimaatadaptatie deel 1 en deel 2 gepubliceerd. Dit zijn praktische hulpmiddelen voor managers en adviseurs en geeft concrete tips en voorbeelden, overzichten van relevante documentatie en handvatten voor advies over klimaatveiligheid.

Bekijk ook de gehele video ‘Alle kaarten op tafel’, gemaakt in opdracht van het veiligheidsberaad.

label Maatschappelijke veerkracht

Buitenlandse voorbeelden bieden inspiratie voor Nederlandse noodsteunpunten

13 mei 2026

Het NIPV heeft een snelle kennismobilisatie uitgevoerd naar buitenlandse voorbeelden van noodsteunpunten. Daarbij is gekeken naar initiatieven in onder meer Oekraïne, Duitsland en Nieuw-Zeeland en de humanitaire servicepunten van het Rode Kruis. De snelle kennismobilisatie biedt inzichten die bruikbaar zijn voor de landelijke pilots noodsteunpunten die in 2026 in alle 25 veiligheidsregio’s van start gaan.

Pilots noodsteunpunten
Foto: NIPV.

Inzichten uit binnen- en buitenland

In de kennismobilisatie is onderzocht hoe noodsteunpunten in andere landen zijn georganiseerd, welke functies zij vervullen en hoe zij worden ingezet tijdens crises en rampen. Ook is gekeken naar locaties, middelen en samenwerkingsvormen.

Uit de vergelijking met de Nederlandse aanpak komt een aantal belangrijke inzichten naar voren:

  1. Nederland blijkt zich, net als landen als Estland, Zweden en Duitsland, nog grotendeels in een voorbereidende en experimentele fase te bevinden. In Duitsland bestaan de zogenoemde noodvuurtorens al sinds 2015, maar deze zijn nog beperkt in de praktijk ingezet. Oekraïne vormt daarop een uitzondering: daar zijn noodsteunpunten door de oorlogsomstandigheden vrijwel continu operationeel.
  2. Daarnaast valt op dat Nederland op grote schaal experimenteert met noodsteunpunten. In alle veiligheidsregio’s worden minimaal twee pilots uitgevoerd. Dat biedt kansen om veel praktijkervaring op te doen en werkwijzen te ontwikkelen. Tegelijkertijd laat de studie zien dat een nieuwe organisatiestructuur ook kan leiden tot extra complexiteit en meer coördinatiebehoefte.
  3. Een ander inzicht is dat in andere landen minder strikt onderscheid wordt gemaakt tussen coördinatiepunten en noodsteunpunten. De nadruk ligt daar vooral op lokale ondersteuning van inwoners. In alle onderzochte voorbeelden wordt het verbinden van steunpunten met hulpdiensten en overheden wel als essentieel beschouwd.

Meer dan alleen informatievoorziening

De kennismobilisatie laat ook zien dat steunpunten in de praktijk vaak meer functies krijgen dan vooraf bedacht. Informatievoorziening is overal belangrijk, maar inwoners hebben tijdens crises vaak ook behoefte aan praktische hulp, medische ondersteuning en contact met verwanten. Volgens de onderzoekers vraagt dit om flexibiliteit en aanpassingsvermogen in de organisatie van noodsteunpunten.

Verder benadrukt de kennismobilisatie het belang van aansluiting bij bestaande sociale infrastructuren, zoals scholen, bibliotheken en religieuze gebouwen. Zulke plekken kunnen bijdragen aan ontmoeting, onderlinge hulp en het versterken van de veerkracht van gemeenschappen.

Praktische lessen voor de toekomst

Landelijk projectleider Charlotte van Ruijven: “Ik ben erg blij met deze eerste kennismobilisatie. Deze laat zien hoe noodsteunpunten in landen als Oekraïne en Duitsland zijn ingericht. Dat biedt inspiratie voor de pilots in Nederland.” Onderzoeker Laurens van der Varst vult aan: “De studie toont dat erg pragmatisch en hands-on invulling wordt gegeven aan deze vorm van noodhulp. De uitdaging is wel zo’n nieuw stelsel ‘gereed en paraat’ te houden.”

Pilots noodsteunpunten

In 2026 worden in 25 veiligheidsregio’s in samenwerking met gemeenten praktijkoefeningen uitgevoerd met een noodsteun- en een coördinatiepunt. De pilotfase Noodsteunpunten is een gezamenlijk programma van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Veiligheidsberaad. In opdracht van de overkoepelend projectleider landelijke project pilots noodsteunpunten voert het NIPV vier snelle kennismobilisaties en een overkoepelende reflectie uit. De snelle kennismobilisaties dragen bij aan een onderliggende kennisinfrastructuur rondom de pilots.


Definitie noodsteunpunt

Onder een noodsteunpunt wordt in deze kennismobilisatie een vorm van tijdelijke hulp aan inwoners bij rampen of crises verstaan, in aanvulling op de reguliere rampenbestrijding en hulpverlening, die plaatsvindt in enig georganiseerd verband, door overheid, maatschappelijke organisaties en/of vrijwilligers vanuit een fysieke locatie.


label Maatschappelijke veerkracht

Nederland investeert in voorbereidingen op grootschalige, langdurige stroomuitval

13 mei 2026

Nederlandse organisaties zijn zich aan het voorbereiden op grootschalige, langdurige stroomuitval. Het NIPV en Veiligheidsregio Kennemerland publiceren een vervolgonderzoek naar de maatschappelijke gevolgen van stroomuitval en de paraatheid van (crisis)organisaties.

Foto: NIPV.

De urgentie om voorbereid te zijn neemt toe onder Nederlandse organisaties. In april 2025 werden Spanje en Portugal getroffen door een grootschalige stroomuitval die ongeveer 18 uur duurde. Miljoenen huishoudens zaten zonder elektriciteit, telecommunicatie viel uit en het openbaar vervoer kwam tot stilstand. Ziekenhuizen kregen te maken met dreigende brandstoftekorten voor noodaggregaten.

Begin dit jaar vond een langdurige stroomuitval plaats in Berlijn, waar tienduizenden huishoudens dagenlang zonder stroom zaten in strenge winterse weeromstandigheden.

Deze gebeurtenissen versterken het urgentiegevoel bij veel Nederlandse organisaties om zich voor te bereiden op stroomuitval. Geopolitieke spanningen en hybride oorlogsactiviteiten dragen hier aan bij. In oefeningen maar ook handreikingen ten behoeve van het vergroten van weerbaarheid van burgers, organisaties en bedrijven, wordt stroomuitval daarom steeds vaker als leidend scenario gebruikt.

Grote impact door verweven systemen

Hoewel het Nederlandse elektriciteitsnet zeer betrouwbaar is, kan de kans op stroomuitval niet worden uitgesloten. Grootschalige, langdurige stroomuitval kan verstrekkende gevolgen hebben. De samenleving is sterk afhankelijk van elektriciteit en veel systemen zijn met elkaar verbonden. Hierdoor kunnen al snel zogenoemde cascade-effecten ontstaan: een kettingreactie van verstoringen in meerdere sectoren, zoals telecommunicatie, zorg, transport en de waterketen.

De impact van een stroomuitval hangt vooral af van de duur, omvang en omstandigheden, zoals het weer. Hoe langer de uitval duurt, hoe groter de maatschappelijke ontwrichting kan worden.

Stroomuitval is een complex crisisscenario. Niet alleen burgers worden getroffen, maar ook hulpdiensten en overheden zelf, wat de crisisrespons bemoeilijkt. Veel organisaties besteden daarom ook aandacht aan de continuïteit van de crisisorganisatie.

Verwachtingen en zorgen

In het onderzoek staat beschreven waar professionals zich de meeste zorgen over maken. Een groot deel van de respondenten maakt zich zorgen over mensen in een kwetsbare positie als een stroomuitval zich zou voordoen. Zicht krijgen op wie in een kwetsbare positie zitten en hoe zij bereikt kunnen worden, is een uitdagende klus. Ook in onderzoek naar de stroomuitval in Berlijn komt dit als één van de belangrijkste bevindingen naar voren

Ook is communicatie, zowel externe crisiscommunicatie als interne communicatie naar het eigen personeel, voor velen een zorg. Communicatie vormt een groot knelpunt: juist tijdens een stroomuitval vallen veel communicatiemiddelen weg, terwijl de behoefte aan informatie groot is.

Daarnaast bestaan vragen over de aanvoer van brandstof voor noodaggregaten, de continuïteit van zorginstellingen en de afhankelijkheid van elektrische voertuigen. Het opschalen en aflossen van personeel kan problematisch zijn tijdens een stroomuitval. Werknemers kunnen door de situatie thuis of door beperkte bereikbaarheid niet altijd direct inzetbaar zijn. Verder bestaan er zorgen over de continuïteit van zorginstellingen, vooral bij kleinere organisaties die mogelijk minder goed zijn voorbereid.

Laat de mythes los, vertrouw op veerkracht

Het is opvallend dat nog steeds uitgegaan wordt van veel foutieve aannames over het gedrag van mensen in crisissituaties. Wetenschappelijke onderzoeken tonen al jarenlang aan dat mensen niet massaal in paniek raken en antisociaal gedrag vertonen, maar juist veerkrachtig zijn en voor zichzelf en anderen weten te zorgen. Naarmate een storing langer duurt, kan onrust toenemen en in extreme gevallen kan maatschappelijke ontwrichting ontstaan, al komt dit volgens onderzoekers zelden voor. Een beter begrip van het gedrag van mensen helpt om maatregelen te treffen die aansluiten bij datgene wat mensen écht doen en nodig hebben.

Voorbereiden op stroomuitval

De onderzoekers zien drie aspecten waarop organisaties zich kunnen voorbereiden op stroomuitval:

  1. Een organisatie kan technische voorbereidingen treffen, zoals het implementeren van fall-back systemen.
  2. Organisatorische voorbereidingen treffen, zoals het opstellen van crisisplannen en oefenen met alternatieve communicatiemogelijkheden.
  3. En strategische voorbereidingen treffen, zoals het nemen van besluiten over de prioritering van processen en bepalen van sleutelfiguren om de bedrijfscontinuïteit te borgen.

De onderzoekers benadrukken dat het belangrijk is om naast het creëren van bewustwording, het opstellen van plannen en het organiseren van redundantie, de voorbereidingen op stroomuitval ook te richten op het improvisatievermogen en de flexibiliteit van de organisatie. De hoeveelheid aan mogelijke cascade-effecten kan altijd voor verrassingen zorgen.

Lees het rapport

label Fysiek veilige leefomgeving

Nieuwe versie Richtinggevend kader bijzondere verkeersbevoegdheden van kracht

15 januari 2026 (bijgewerkt op 12 mei 2026)

Op 1 mei 2026 is het herziene ‘Richtinggevend kader bijzondere verkeersbevoegdheden’ in werking getreden. Het vorige kader, dat dateerde uit 2015, is herzien door een werkgroep waarin brandweer, politie, ambulance, defensie en particuliere rijopleiders vertegenwoordigd waren. Naast een update en tekstuele aanpassingen bevat het kader nieuwe thema’s, waaronder het rijden in tunnels, omgaan met rijhulpsystemen, middendoor rijden en tegengesteld opvallend naderen (‘tonnen’).

Foto: Shutterstock.

Vlot en veilig, maar ook voorspelbaar door het verkeer gaan

Het ‘Richtinggevend kader bijzondere verkeersbevoegdheden’ geeft aan hoe voorrangsvoertuigbestuurders zich in de ideale situatie zouden moeten gedragen op de weg. Het is een aanvulling op de reguliere rijprocedure. Het kader zorgt ervoor dat bestuurders van voorrangsvoertuigen van verschillende hulpdiensten niet alleen vlot en veilig, maar ook voorspelbaar door het verkeer gaan. Het kader is tevens de basis voor de lesstof van bestuurders van voorrangsvoertuigen en voor het examen van OGS+-instructeurs.

Herziene kader van kracht sinds 1 mei jl.

Sinds 1 mei 2026 is het herziene kader van kracht. Het kader is vastgesteld door Ambulancezorg Nederland, Brandweer Nederland en Defensie.

Lees het kader en bijbehorende informatie