Brandveilig beheren van woongebouwen

Gebouweigenaren en gebouwbeheerders zijn verantwoordelijk voor de brandveiligheid van gebouwen. Er zijn allerlei hulpmiddelen om het brandveilig beheer van woongebouwen te verbeteren.

Aanleiding

In de nieuwjaarsnacht van 2020 vond in een galerijflat in Arnhem een flatbrand plaats, waarbij twee mensen overleden en twee mensen gewond raakten. De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft de brand onderzocht en heeft aanbevolen om de brandveiligheid van woongebouwen in de gebruiksfase te verbeteren.

De verantwoordelijkheid voor de brandveiligheid van wooncomplexen ligt primair bij de gebouweigenaren: woningcorporaties en verenigingen van eigenaren (vve’s). Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft aan het NIPV gevraagd om de gebouweigenaren hierbij te ondersteunen.

Het resultaat is een leidraad, een e-module, een informatiebijeenkomst en een helpdeskfunctie.

Leidraad, checklist en template beheersplan

In samenwerking met diverse (koepels van) gebouweigenaren heeft het NIPV een leidraad ontwikkeld, waarmee gebouweigenaren en -beheerders eenvoudig een beheersplan kunnen opstellen en uitvoeren voor het brandveilig beheren van hun woongebouwen. De leidraad beschrijft:

  • de basis voor brandveilig beheer: de wettelijke kaders, verantwoordelijkheidsverdeling en impact van gedrag en van rookverspreiding
  • het opstellen van een beheersplan
  • het onderhouden van een beheersplan.

Er is ook een aantal checklists opgesteld, waarmee gebouweigenaren en -beheerders makkelijk alle controlepunten kunnen langslopen. Verder is een template/voorbeeld van een beheersplan opgesteld.
De checklists staan in één te downloaden Excel-document en het beheersplan is als Word-document te downloaden. Gebouweigenaren en -beheerders kunnen deze documenten geheel naar eigen wens en verantwoordelijkheid aanpassen voor hun situatie.

E-module Beheersplan brandveiligheid voor woongebouwen

Naast de leidraad is een cursus ontwikkeld, die via internet te volgen is. Deze e-module ondersteunt en vereenvoudigt het opstellen van een beheersplan. De e-module bestaat uit:

  • een stappenplan
  • verdiepende informatie
  • aanvullend beeldmateriaal.

Hiermee kunnen gebouweigenaren en -beheerders stap voor stap een beheersplan opstellen en uitvoeren.

Ga naar de e-module Beheersplan brandveiligheid voor woongebouwen.

Informatiebijeenkomst Brandveilig beheren van woongebouwen

Op 29 juni 2023 is een informatiebijeenkomst gehouden over de hulpmiddelen die zijn ontwikkeld om woningcorporaties en verenigingen van eigenaren te ondersteunen bij het brandveilig beheren van hun woongebouwen.

Informatiebijeenkomst Brandveilig beheren van woongebouwen – 29 juni 2023

Relevante NIPV-onderzoeken en -kennisdocumenten

Rookverspreiding en vluchtveiligheid in woongebouwen

De laatste jaren komen er steeds meer branden in woongebouwen voor waarbij sprake is van een beperkte brand, maar een grote rookverspreiding. De snelle verspreiding van (giftige) rook is de belangrijkste oorzaak van slachtoffers bij brand in gebouwen. Vooral woongebouwen met inpandige gangen vormen een risico, omdat de rook zich door de inpandige gang kan verspreiden naar andere woningen en de vluchtroute via de gang kan belemmeren.

Het NIPV heeft onderzoek gedaan naar het effect van rookverspreiding op de vlucht- en overlevingsmogelijkheden bij een brand in een wooncomplex, en maatregelen om rookverspreiding te beperken.

Risicogroepen en brandveiligheid

Uit onderzoek blijkt dat er grote verschillen zijn tussen maatschappelijke groeperingen als het gaat om de kans slachtoffer te worden van een woningbrand. Het NIPV heeft onderzoek gedaan naar mogelijke risicogroepen, naar de manier waarop het brandrisico bij deze risicogroepen verminderd zou kunnen worden en welke partijen (organisaties, instellingen, bedrijven) daarin een verantwoordelijkheid zouden kunnen hebben of krijgen.

Elektrische voertuigen in parkeergarages

Het parkeren en opladen van elektrische voertuigen brengt een aantal specifieke risico’s met zich mee. Het NIPV heeft voor de brandweer preventieve en repressieve handvatten beschreven voor het beperken van en omgaan met de brandveiligheidsrisico’s in parkeergarages. Daarnaast is speciaal voor VvE’s en exploitanten een infographic gemaakt over het veilig parkeren en laden van elektrische voertuigen in parkeergarages.

Ook is er een pagina met Veelgestelde vragen en antwoorden over het veilig parkeren en opladen van elektrische auto’s in (ondergrondse) parkeergarages.

Veelgestelde vragen

De veelgestelde vragen worden met enige regelmaat aangevuld. Als uw vraag er niet bij staat, kunt u het contactformulier onderaan deze webpagina invullen.

Algemeen

Het NIPV voert geen inspecties uit in het kader van brandveiligheid.
De verantwoordelijkheid voor de brandveiligheid ligt primair bij de gebouweigenaren: woningcorporaties en verenigingen van eigenaren (vve’s). Het bevoegd gezag voor inspectie van brandveiligheid ligt bij de gemeente. Vaak wordt de brandweer gevraagd op te treden als adviseur namens de gemeente.

Spullen op vluchtroute

Volgens artikel 6.15a van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), dat per 1 juli 2024 van kracht is, mogen in een vluchtroute van een woongebouw geen brandgevaarlijke objecten aanwezig zijn.

De eisen met betrekking tot de brandbare spullen op de gang gelden ook voor een niet-besloten ruimten zoals galerijen. Volgens artikel 6.15a van het Bbl geldt bovendien dat ter plaatse van geplaatste onbrandbare objecten in een vluchtroute (zoals een stoel of een kast) een vrije breedte van tenminste 0,85 m moet overblijven.

Nestkastjes (bestaande uit brandbaar materiaal) vallen onder ‘decoratie’ als bedoeld in artikel 6.15a, lid 1d. Dergelijke nestkastjes vallen echter niet onder één van de uitzonderingen als genoemd in artikel 6.15a lid 2 en 3 van het Bbl.

Artikel 4.7 van de Omgevingswet biedt echter de mogelijkheid om van het voorschrift af te wijken mits tenminste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Met artikel 6.15a wordt beoogd dat geen brandgevaarlijke objecten op de vluchtroute van een woongebouw worden geplaatst. De vraag is onder welke voorwaarden een nestkastje kan worden beschouwd als een ‘niet-brandgevaarlijk object’. NIPV is niet bevoegd om bij de toepassing van een gelijkwaardige maatregel te bepalen wat wel of niet mag in uw specifieke situatie. De bevoegdheid daarvan ligt bij de gemeente, die daarbij doorgaans wordt geadviseerd door de veiligheidsregio.

Het zonder meer weghalen (van beschermde nestplaatsen) is niet toegestaan. Voor informatie over bescherming van nesten contact opgenomen kan worden met de provincie waarin zich de galerij bevindt.

Per 1 juli 2024 wordt in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) artikel 6.15a (geen brandgevaarlijke objecten op vluchtroute woongebouw) en artikel 6.23a (geen belemmerende objecten op vluchtroute woongebouw) van kracht. Volgens artikel 6.23a moet er ter plaatse van de plant in de vluchtroute een vrije doorgang van tenminste 0,85 m overblijven. Planten vallen onder ‘decoratie’ als bedoeld in artikel 6.15a, lid 1d. Planten vallen echter niet onder één van de uitzonderingen als genoemd in artikel 6.15a lid 2 en 3.

Artikel 4.7 van de Omgevingswet biedt echter de mogelijkheid om van het voorschrift af te wijken mits tenminste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Met artikel 6.15a wordt beoogd dat geen brandgevaarlijke objecten op de vluchtroute van een woongebouw worden geplaatst. De vraag is onder welke voorwaarden een plant kan worden beschouwd als een ‘niet-brandgevaarlijk object’. NIPV is niet bevoegd om bij de toepassing van een gelijkwaardige maatregel te bepalen wat wel of niet mag in uw specifieke situatie. De bevoegdheid daarvan ligt bij de gemeente, die daarbij doorgaans wordt geadviseerd door de veiligheidsregio.

Wij kunnen ons voorstellen dat sprake kan zijn van een ‘gelijkwaardige maatregel’ indien:

  • de plant in een onbrandbare pot/plantenbak wordt gezet
  • bovenop de grond in de pot 3 cm (onbrandbare) hydrokorrels wordt aangebracht om de kans te verkleinen dat er een sigaret in wordt uitgedrukt
  • goed onderhoud / bewatering plaatsvindt om dode takken / planten te voorkomen.
  • de planten op voldoende afstand ten opzichte van elkaar worden geplaatst

In artikel 6.15a van het Bbl waarin staat dat in een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn. Daarnaast dient er ook voldaan te worden aan de eisen voor de vrije breedte van een vluchtroute als bedoeld in artikel 6.23a van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) van 85 cm wordt voldaan.

Dit betekent er dat een rollator alleen in genoemde vluchtroute mag staan als deze uit onbrandbaar materiaal bestaat en ook eventuele spullen die met de rollator worden meegenomen onbrandbaar zijn. Meestal bestaat een rollator ook uit brandbare materialen (de wielen en het opberg-vak) en worden daarin (brandbare) spullen meegenomen, dus over het algemeen zal een rollator dus niet in een inpandige corridor kunnen blijven staan.

Dat de kunstkerstboom geïmpregneerd is met een impregneermiddel (dat voldoet aan de norm ISO 6940/41, EN 13501-1 en DIN 4102) betekent niet daarmee ook wordt voldaan aan artikel 6.15a van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarin is namelijk de verplichting gekoppeld om te voldoen aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1. Brandklasse A1 betekent (nagenoeg) onbrandbaar. Onze inschatting is dat een geïmpregneerde kunstkerstboom daaraan niet kan voldoen.

Toelichting op artikel 6.15a:
Spullen die in de vluchtroute staan, zoals in een gemeenschappelijke hal van een woongebouw, mogen geen brandgevaar veroorzaken. Dit is sinds 1 juli 2024 expliciet geregeld in artikel 6.15a van het Bbl. Deze aanpassing in de wetgeving is onder andere naar aanleiding van de nieuwjaarsbrand in een galerijflat in Arnhem, waarbij er brand is geweest in de gemeenschappelijke hal. Uit eerdere onderzoeken van het NIPV blijkt ook dat bij een brand in de vluchtroute, deze vluchtroute als gevolg van rookverspreiding snel geblokkeerd raakt en in korte tijd niet meer bruikbaar is om te kunnen vluchten. De mogelijkheden om spullen in een dergelijke hal neer te zetten zijn als gevolg daarvan zeer beperkt.

Scootmobiel en elektrische fiets

Het betreft artikelnummers 6.15a en 6.23a. De zijn per 1 juli 2024 in werking getreden.

Een wandcontactdoos voor het opladen van een elektrische brommer, scootmobiel of elektrische fiets is onderdeel van de elektrische installatie. Deze moet volgens het Bouwbesluit 2012 voldoen aan de eisen die staan in NEN 1010.

Daarnaast is het advies om na te gaan of de fabrikant van de brommer, scootmobiel of fiets aanvullende veiligheidsvoorwaarden heeft gesteld aan de wandcontactdoos. Daar waar de leidingen/kabels van deze wandcontactdoos door een brandscheiding heen gaan, moet de doorvoering bovendien brandwerend worden uitgevoerd.

Met het oog op de brandveiligheid is het raadzaam om goede afspraken te maken over het gebruik van de laadvoorziening (compatibele stekker, niet-beschadigde kabel/stekker, positie van de oplaadkabel (voorkom dat personen daar overheen struikelen e.d.) en om die afspraken vast te leggen.

Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond heeft een video gemaakt over het ontstaan van brand tijdens het laadproces van een scootmobiel in een gang van een wooncomplex. Het geeft de effecten binnen een paar minuten weer.

Voor tips over veilig opladen en onderhoud kunt u terecht op iklaadaccuraat.nl

Ja, dat mag. Het verbod op de aanwezigheid van een scootmobiel geldt uitsluitend voor de vluchtroute van een woongebouw. Wel wordt geadviseerd om de scootmobiel in een aparte ruimte in de woning te plaatsen.  Ook is het advies om een rookmelder te plaatsen in de ruimte waar de scootmobiel staat.

Er geldt geen verbod op het opladen van een elektrische fiets in een berging. Bovendien is het opladen in een berging beter dan het opladen in de woning. Het is wel van belang dat dit veilig gebeurt en de voorziening voldoet aan de technische voorschriften die daarvoor gelden. Wij adviseren daarom om hiervoor een veilige aansluiting te laten maken door een deskundig installateur.

Parkeergarages en elektrische auto’s

Regelgeving voor parkeergarages in het algemeen

Voor nieuw te bouwen parkeergarages met een gebruiksoppervlakte van maximaal 1.000 m2 gelden sinds 1 januari 2024 de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor bestaande parkeergarages geldt een grenswaarde van maximaal 3.000 m2.

Bij overschrijding van deze grenswaarden moet, volgens artikel 4.7 van de Omgevingswet, een gelijkwaardige mate van brandveiligheid worden gerealiseerd. Om dit te bereiken zijn meestal aanvullende voorzieningen nodig. Denk aan een sprinklerinstallatie.

De eisen in het Bbl zijn erop gericht om de kans op slachtoffers bij een brand in een parkeergarage te beperken en de kans op branduitbreiding naar gebouwen op een ander perceel te beperken.

Het NIPV heeft samen met Brandweer Nederland de publicatie Brandveiligheid van parkeergarages met elektrisch aangedreven voertuigen opgesteld. Deze publicatie kan veiligheidsregio’s (brandweren), gemeenten en eigenaren helpen met het maken van de juiste keuzes om in specifieke situaties toch tot een acceptabel niveau van brandveiligheid te komen in parkeergarages waarin elektrisch aangedreven voertuigen gestald (en geladen) worden.

Om de andersoortige risico’s die het parkeren en laden van elektrische voertuigen in parkeergarages met zich meebrengt te beperken, adviseren we voor dit moment om de mogelijke maatregelen in deze publicatie te bezien op effectiviteit en haalbaarheid in een gesprek tussen brandweer en beheerder/eigenaar en een brandveiligheidsadviseur.

Een verder uitgewerkt plan kan vervolgens worden voorgelegd aan de veiligheidsregio. In de Infographic veilig parkeren en laden van elektrische voertuigen in parkeergarages staan alle aandachtspunten en maatregelen voor VvE’s en exploitanten van parkeergarages. In het document Brandveiligheid van parkeergarages met elektrisch aangedreven voertuigen vindt u nog meer informatie.

Kijkend naar de kans op brand en het effect bij een brandend elektrisch voertuig, is het duidelijk dat er andersoortige risico’s zijn wanneer elektrische voertuigen geparkeerd en opgeladen worden in een parkeergarage. Zo ontwikkelen branden met elektrische voertuigen zich anders qua brandverloop en brandduur. Door het ontstaan van toxische verbrandingsproducten kan er een situatie ontstaan die voor het vluchten en bestrijden van de brand ongunstig is. Ook de rest van het brandende voertuig (met name de kunststofonderdelen) zorgt, net als bij conventionele voertuigen met kunststofonderdelen, al voor ernstig toxische rook, waardoor het vluchten op zich al zeer kritiek is. Systemische gezondheidseffecten door blootstelling aan HF-houdende rook van li-ion battery packs lijken onwaarschijnlijk.

Daarnaast is het blussen van branden met elektrische voertuigen lastiger. Verder zorgt het opladen van voertuigen in parkeergarages voor andersoortige risico’s: dit is namelijk een extra activiteit ten opzichte van het enkel parkeren van een voertuig. Overigens is het bestrijden van een brand in een (ondergrondse) parkeergarage ook zonder elektrische auto’s of laadpalen al lastig voor de brandweer.

Het NIPV is niet voor een algemeen verbod van laadpalen in parkeergarages. Zie ook onze publicatie Brandveiligheid parkeergarages met elektrisch aangedreven voertuigen en de uitzending van Kassa (vanaf minuut 15:20).

Het parkeren en opladen van elektrische voertuigen brengt een aantal risico’s met zich mee. Het NIPV doet onderzoek naar de brandveiligheid van parkeergarages met elektrisch aangedreven voertuigen. Deze vind u hier.

Plafond, vloer en wand(decoratie)

Tapijt is in volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gedefinieerd als ‘aankleding’. Volgens artikel 6.14 van het Bbl mag aankleding in een besloten ruimte geen brandgevaar opleveren.

In dat artikel wordt o.a. ook aangegeven dat dit gevaar in ieder geval niet aanwezig is als de aankleding voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen, bedoeld in paragrafen 3.2.7 en 4.2.7 van het Bbl. Daarin staan zogenaamde ‘brandklassen vermeld’. Voor tapijt in inpandige gangen betekent dit meestal brandklasse Cfl.

In het geval het tapijt is aangebracht om te voldoen aan de geluidseisen, dan is het tapijt een ‘constructie-onderdeel’ en gelden ook genoemde brandklassen.

Het Praktijkboek Besluit bouwwerken leefomgeving legt de brandklassen uit vanaf p. 385.

Voor een deurmat geldt een maximale oppervlakte van 0,5 m2. Een gemiddelde deurmat is 70×50 cm, dat is oppervlakte 0,35m2 (0,7 x 0,5 = 0,35 m2) en is dus toegestaan.

Deze eis geldt voor zowel voor galerijen als een inpandige vluchtroute.

Een foto, een schilderij of een andere afbeelding met een oppervlakte van max. 0,5 m2 bij de toegang van een woning is wél toegestaan, ook als deze een houten lijst heeft of uit canvas bestaat. Voor metaal, steen of glas of ander onbrandbaar materiaal, geldt deze beperking van de oppervlakte niet.

Artikel 4.7 van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om van het voorschrift af te wijken mits tenminste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Met artikel 6.15a wordt beoogd dat geen brandgevaarlijke objecten op de vluchtroute van een woongebouw worden geplaatst. Dit geldt alleen wanneer de oplossing die wordt gekozen net zoveel veiligheid geeft als in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt omschreven.

NIPV is niet bevoegd om bij de toepassing van een gelijkwaardige maatregel te bepalen wat wel of niet mag in uw specifieke situatie. De bevoegdheid daarvan ligt bij de gemeente, die daarbij doorgaans wordt geadviseerd door de veiligheidsregio. 

Beheersplan en leidraad

U kunt de leidraad brandveilig beheer van woongebouwen hier downloaden. De leidraad wordt ook aangeboden in de vorm van een e-module.

Bekijk eerst de veelgestelde vragen en antwoorden. Als uw vraag er niet bij staat, kunt u het contactformulier onderaan deze webpagina invullen om uw vraag te stellen.

Er geldt geen wettelijke verplichting voor een beheersplan. Wel kan een beheersplan u helpen om invulling te geven aan de zorgplicht zoals bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en om uw gebouw tijdens het gebruik van het gebouw brandveilig te beheren.

In hoofdstuk 2 van de Leidraad brandveilig beheer van woongebouwen wordt uitgelegd hoe u een beheersplan opstelt. In de e-module vindt u een stappenplan en verdiepende informatie waarmee u stap voor stap een beheersplan kunt opstellen en implementeren.

Ja, je kunt als gebouweigenaar/vve zelf de 0-meting uitvoeren. In de Leidraad brandveilig beheer van woongebouwen staat hoe u dit kunt doen. De checklist helpt daarbij.

Voorwaarde is dat het gebouw bouwkundig op orde is. Als u hier twijfels over heeft, kunt u een expert inschakelen om dit te laten beoordelen.

Dat moet u zelf navragen bij de verzekering.

Aan een eis van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) hoeft niet voldaan te worden als er in plaats daarvan een oplossing wordt gekozen die net zoveel veiligheid geeft.

Nee, de leidraad, de webpagina, de e-module, de terugkomdagen en de helpdeskservice zijn kosteloos voor gebouweigenaren / verenigingen van eigenaren (vve’s). Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) financiert dit.

Naleving en verantwoordelijkheid

Het betreft artikelnummers 6.15a en 6.23a. De zijn per 1 juli 2024 in werking getreden.

Brandweer Nederland heeft een Afwegingskader Vluchtroutes gepubliceerd met als doel om structuur en eenduidigheid te bieden aan brandweercollega’s, verhuurders, beheerders of bestuurders van Verenigingen van Eigenaren met betrekking tot de afweging wat risicogericht wel en niet past binnen de regels uit de artikelen 6.15a en 6.23a van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). 

Bouw als vve een dossier op met foto’s en brieven, zodat u kunt aantonen wat u gedaan hebt. 

Wij adviseren u daarnaast contact op te nemen met de gemeente met het verzoek om te handhaven omdat u het als vve niet voor elkaar krijgt. Het dossier kan de gemeente helpen bij de handhaving. Mogelijk kunt u de bewoner schriftelijk van tevoren mededelen dat u de gemeente gaat benaderen.

Het opladen en stallen van elektrische fietsen in een vluchtroute is sowieso niet toegestaan. Of dit in andere ruimten wel is toegestaan is aan de verhuurder; daarvoor hoeft hij geen toestemming te vragen aan de huurders. Het is verstandig om dat te regelen in een huishoudelijk reglement.

De eigenaar van een appartement heeft de verplichting zich te houden aan de regels van het splitsingsreglement en eventueel huishoudelijk reglement en ook wettelijke regels, zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) per 1 januari 2024 in werking is getreden. Bijna alle splitsingsaktes geven het bestuur van de vve de bevoegdheid om toegang te krijgen tot een privé-gedeelte. Sinds 1 juli 2022 is het wettelijk verplicht (destijds op basis van het Bouwbesluit 2012) op elke verdieping in een woning een rookmelder te hebben. Wanneer een eigenaar of gebruiker daaraan niet voldoet, kan deze daar op grond van het splitsingsreglement door het bestuur op worden aangesproken. Wordt aan de waarschuwing geen gehoor gegeven, dan kan een boete worden opgelegd volgens de regels van het splitsingsreglement.

Na de wettelijke verplichting sinds 2022 om in woningen rookmelders te hebben, blijkt dat niet iedere bewoner de woningbeheerder toestemming geeft om de rookmelders te plaatsen of te controleren. Er is inmiddels een uitspraak van een rechter dat de bewoners de beheerder hiervoor toegang moet geven. Uiteraard is het beter om hier in overleg met de bewoners afspraken over te maken.

In algemene zin is een vve gezamenlijk verantwoordelijk voor de gemeenschappelijke voorzieningen zoals de vluchtroutes en het brandveilig gebruik van het gebouw. Een vvE heeft geen zeggenschap binnen het privé-gedeelte. Wel heeft de eigenaar van een appartement de verplichting zich te houden aan de regels van het splitsingsreglement en eventueel huishoudelijk reglement en ook wettelijke regels, zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) per 1 januari 2024 in werking is getreden. Bijna alle splitsingsaktes geven het bestuur van de vve de bevoegdheid om toegang te krijgen tot een privé-gedeelte. Voorbeeld: Sinds 1 juli 2022 is het wettelijk verplicht (destijds op basis van het Bouwbesluit 2012) op elke verdieping in een woning een rookmelder te hebben. Wanneer een eigenaar of gebruiker daaraan niet voldoet, kan deze daar op grond van het splitsingsreglement door het bestuur op worden aangesproken. Wordt aan de waarschuwing geen gehoor gegeven, dan kan een boete worden opgelegd volgens de regels van het splitsingsreglement.

In algemene zin is een vve gezamenlijk verantwoordelijk voor de gemeenschappelijke voorzieningen zoals de vluchtroutes en het brandveilig gebruik van het gebouw. Een vve heeft geen zeggenschap binnen het privé-gedeelte. Wel heeft de eigenaar van een appartement de verplichting zich te houden aan de regels van het splitsingsreglement en eventueel huishoudelijk reglement en ook wettelijke regels, zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), zoals per 1 januari 2024 in werking is getreden. Bijna alle splitsingsaktes geven het bestuur van de vve de bevoegdheid om toegang te krijgen tot een privé-gedeelte. Voorbeeld: Sinds 1 juli 2022 is het wettelijk verplicht (destijds op basis van het Bouwbesluit 2012) op elke verdieping in een woning een rookmelder te hebben. Wanneer een eigenaar of gebruiker daaraan niet voldoet, kan deze daar op grond van het splitsingsreglement door het bestuur op worden aangesproken. Wordt aan de waarschuwing geen gehoor gegeven, dan kan een boete worden opgelegd volgens de regels van het splitsingsreglement.

Brandveilig gedrag

Er zijn veel eenzame ouderen. Dan is het lastig om brandgevaarlijk gedrag te voorkomen. Deze mensen komen vaak ook niet naar voorlichtingsbijeenkomsten. Voor deze mensen kun je proberen om gebruik te maken van hun sociale netwerk. Komen er thuiszorg, familie of buren over de vloer? Zij kunnen helpen met het signaleren van onveilige situaties. Vervolgens kunnen zij dit doorgeven aan een partij die contact opneemt met de bewoner óf kunnen zij zelf instructies krijgen om de situatie in de woning te verbeteren. Let hierbij wel op de betrouwbaarheid van de afzender: van welke partij neemt de bewoners informatie aan?

Dat is juist. Door met bewoners in gesprek te gaan, kun je erachter komen hoe zij denken over bepaalde onderwerpen en of zij hier al mee bezig zijn. Ook kun je door gesprekken inzicht krijgen in mogelijke barrières: waarom voeren mensen op dit moment het gewenste gedrag niet uit? Daar kun je vervolgens op inspelen.

Door het doen van oefeningen krijgen mensen gevoel bij welk gedrag van hen verwacht wordt en kunnen zij dit (indien mogelijk) ook oefenen. Dat geeft vertrouwen in het eigen kunnen.

Filmpjes waarin risico’s worden getoond, spelen met name in op bewustwording. Voorbeelden van filmpjes kunt u vinden op de website van Brandweer Nederland.

Wanneer we het hebben over gedragsverandering is er meer nodig. Het benadrukken van een risico is daarvoor niet voldoende. Denk maar aan de afbeeldingen op sigarettenpakjes. Uit onderzoek blijkt dat dit niet leidt tot gedragsverandering terwijl de bewustwording (roken is slecht voor je) er wel is.

Voor gedragsverandering is het beter om in te spelen op factoren als:

  • het nut van bepaald gedrag (attitude).
    Mensen zien dan zelf in dat het gedrag belangrijk is.
  • het bieden van een handelingsperspectief.
    Mensen weten dan hoe ze het gewenste gedrag kunnen uitvoeren.
    In de folders van Brandweer Nederland staan handelingsperspectieven.

Ja, u kunt bijvoorbeeld filmpjes en flyers over brandveiligheid vinden op de website van Brandweer Nederland. Op de pagina Folders van Brandweer Nederland staan nog meer interessante flyers.

Nieuwbouw / bestaande bouw

Per 1 januari 2024 geldt het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Uw nieuw te bouwen bouwwerken moeten voldoen aan de nieuwbouweisen in hoofdstuk 4 van het Bbl, bestaande bouwwerken moeten ten minste voldoen aan de voorschriften die gelden voor bestaande bouwwerken in hoofdstuk 3 van het Bbl. De gebruiksvoorschriften in hoofdstuk 6 van het Bbl waarin het gebruik van vluchtroutes is geregeld, zijn voor alle gebouwen van toepassing, ongeacht bestaand of nieuw. Zie voor meer informatie het informatiepunt leefomgeving.

De nieuwe gebruiksvoorschriften voor vluchtroutes in woongebouwen in het (Bbl) zijn per 1 juli 2024 in werking getreden voor alle bestaande en nieuwe woongebouwen.

Welke regels vanaf 1 januari 2024?
De regels voor het gebruik van vluchtroutes van woongebouwen zijn per 1 juli 2024 de artikelen 6.15 en 6.23a in werking getreden. In ieder geval geldt de zogenaamde ‘zorgplichtbepaling’ in artikel 6.4 van het Bbl.

Zorgplicht artikel 6.4 van het Bbl:
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat als gevolg van het gebruik één van de volgende situaties kan ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om te voorkomen dat:

– brandgevaar wordt veroorzaakt;
– bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt;
– de melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd;
– het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd;
– het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd;
– er op een andere manier gevaar voor de brandveiligheid ontstaat of voortduurt.

Zo staat er in dit artikel al dat vluchtmogelijkheden niet mogen worden belemmerd bij brand, alleen is hierin niet concreet aangegeven wat exact onder belemmeren wordt verstaan. Daarom wordt de inhoud van dit artikel verder verduidelijkt in de nieuwe artikelen 6.15 en artikel 6.23a.

Helpdesk

Bekijk eerst de veelgestelde vragen en antwoorden. Als uw vraag er niet bij staat, kunt u onderstaand contactformulier invullen.

Heeft u een vraag over het brandveilig beheren van woongebouwen?

Neem contact met ons op via dit formulier. Uw gegevens worden alleen gebruikt voor correspondentiedoeleinden.

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.