Het meerlaagsveiligheidsmodel als kader voor klimaatrisico’s

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, mei 2026

“De laatste twee jaar passen veiligheidsregio’s het meerlaagsveiligheidsmodel toe op een bredere set klimaatdreigingen. Het model is oorspronkelijk ontwikkeld voor hoogwater, maar is toepasbaar op alle typen klimaatdreigingen. Ook op hitte”, zegt Saskia van den Broek, directeur van de veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland en portefeuillehouder klimaatveiligheid in de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV).  “Het model richt zich op vijf lagen van risico- en crisisbeheersing: bewustzijn, preventie, gevolgbeperking, crisisbeheersing, nafase en herstel. Het principe is dat deze lagen elkaar versterken.”

Saskia van den Broek
Saskia van den Broek

Preventie als integraal onderdeel van crisisbeheersing

“We moeten ons aan de voorkant veel meer voorbereiden op klimaatdreigingen, zoals extreme hitte. Wanneer hitte vaker voorkomt, is alleen inzetten op de crisisrespons niet genoeg. Als het langere tijd heet is en het steeds vaker zo heet wordt, kun je dat niet meer alleen oplossen door hulpverleners op dat moment mensen zo goed mogelijk te laten helpen. Dan gaat het om maatregelen die in het model vallen onder bewustzijn en preventie. Bijvoorbeeld door bij de inrichting van steden al rekening te houden met hitte.”

Anticiperen op schaarste

“We weten ook dat in veel scenario’s als gevolg van klimaatdreigingen op veel plekken tegelijk capaciteit nodig zal zijn. En dat er schaarste zal ontstaan in het aanbod van hulpdiensten. Zoals recent ook het geval was tijdens de verschillende natuurbranden die tegelijk plaatsvonden. Hitte is ook nooit lokaal, maar treft vaak heel Nederland of in ieder geval een groot deel ervan. Hier ligt een duidelijke gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ik denk dat daar nog veel te doen is voor alle partijen samen. Gemeenten en provincies hebben hierin een grote rol. Maar ook veiligheidsregio’s, bijvoorbeeld door te adviseren over hittebestendig bouwen.”

Elkaar weten te vinden in de preventieve fase

“Ik denk dat veiligheidsregio’s zich goed bewust zijn van het belang van preventie. Tegelijk vraagt de rol aan de voorkant nog verdere ontwikkeling. Veiligheidsregio’s nemen of krijgen die rol namelijk nog niet altijd. Daardoor zijn we nog niet overal structureel betrokken bij preventieve vraagstukken.

We moeten nog veel in gesprek. Met gemeenten, maar ook met andere partijen, zoals de Rijksoverheid. Zo kunnen we beter in beeld komen en die rol beter vervullen. Die samenwerking is nog niet vanzelfsprekend. Dat gebeurt nog onvoldoende, denk ik. Daar ligt de grootste uitdaging.”

Als onderdeel van het programma klimaatveiligheid zijn de Handreikingen Veilige Klimaatadaptatie deel 1 en deel 2 gepubliceerd. Dit zijn praktische hulpmiddelen voor managers en adviseurs en geeft concrete tips en voorbeelden, overzichten van relevante documentatie en handvatten voor advies over klimaatveiligheid.

Bekijk ook de gehele video ‘Alle kaarten op tafel’, gemaakt in opdracht van het veiligheidsberaad.

label Maatschappelijke veerkracht

Buitenlandse voorbeelden bieden inspiratie voor Nederlandse noodsteunpunten

13 mei 2026

Het NIPV heeft een snelle kennismobilisatie uitgevoerd naar buitenlandse voorbeelden van noodsteunpunten. Daarbij is gekeken naar initiatieven in onder meer Oekraïne, Duitsland en Nieuw-Zeeland en de humanitaire servicepunten van het Rode Kruis. De snelle kennismobilisatie biedt inzichten die bruikbaar zijn voor de landelijke pilots noodsteunpunten die in 2026 in alle 25 veiligheidsregio’s van start gaan.

Pilots noodsteunpunten
Foto: NIPV.

Inzichten uit binnen- en buitenland

In de kennismobilisatie is onderzocht hoe noodsteunpunten in andere landen zijn georganiseerd, welke functies zij vervullen en hoe zij worden ingezet tijdens crises en rampen. Ook is gekeken naar locaties, middelen en samenwerkingsvormen.

Uit de vergelijking met de Nederlandse aanpak komt een aantal belangrijke inzichten naar voren:

  1. Nederland blijkt zich, net als landen als Estland, Zweden en Duitsland, nog grotendeels in een voorbereidende en experimentele fase te bevinden. In Duitsland bestaan de zogenoemde noodvuurtorens al sinds 2015, maar deze zijn nog beperkt in de praktijk ingezet. Oekraïne vormt daarop een uitzondering: daar zijn noodsteunpunten door de oorlogsomstandigheden vrijwel continu operationeel.
  2. Daarnaast valt op dat Nederland op grote schaal experimenteert met noodsteunpunten. In alle veiligheidsregio’s worden minimaal twee pilots uitgevoerd. Dat biedt kansen om veel praktijkervaring op te doen en werkwijzen te ontwikkelen. Tegelijkertijd laat de studie zien dat een nieuwe organisatiestructuur ook kan leiden tot extra complexiteit en meer coördinatiebehoefte.
  3. Een ander inzicht is dat in andere landen minder strikt onderscheid wordt gemaakt tussen coördinatiepunten en noodsteunpunten. De nadruk ligt daar vooral op lokale ondersteuning van inwoners. In alle onderzochte voorbeelden wordt het verbinden van steunpunten met hulpdiensten en overheden wel als essentieel beschouwd.

Meer dan alleen informatievoorziening

De kennismobilisatie laat ook zien dat steunpunten in de praktijk vaak meer functies krijgen dan vooraf bedacht. Informatievoorziening is overal belangrijk, maar inwoners hebben tijdens crises vaak ook behoefte aan praktische hulp, medische ondersteuning en contact met verwanten. Volgens de onderzoekers vraagt dit om flexibiliteit en aanpassingsvermogen in de organisatie van noodsteunpunten.

Verder benadrukt de kennismobilisatie het belang van aansluiting bij bestaande sociale infrastructuren, zoals scholen, bibliotheken en religieuze gebouwen. Zulke plekken kunnen bijdragen aan ontmoeting, onderlinge hulp en het versterken van de veerkracht van gemeenschappen.

Praktische lessen voor de toekomst

Landelijk projectleider Charlotte van Ruijven: “Ik ben erg blij met deze eerste kennismobilisatie. Deze laat zien hoe noodsteunpunten in landen als Oekraïne en Duitsland zijn ingericht. Dat biedt inspiratie voor de pilots in Nederland.” Onderzoeker Laurens van der Varst vult aan: “De studie toont dat erg pragmatisch en hands-on invulling wordt gegeven aan deze vorm van noodhulp. De uitdaging is wel zo’n nieuw stelsel ‘gereed en paraat’ te houden.”

Pilots noodsteunpunten

In 2026 worden in 25 veiligheidsregio’s in samenwerking met gemeenten praktijkoefeningen uitgevoerd met een noodsteun- en een coördinatiepunt. De pilotfase Noodsteunpunten is een gezamenlijk programma van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Veiligheidsberaad. In opdracht van de overkoepelend projectleider landelijke project pilots noodsteunpunten voert het NIPV vier snelle kennismobilisaties en een overkoepelende reflectie uit. De snelle kennismobilisaties dragen bij aan een onderliggende kennisinfrastructuur rondom de pilots.


Definitie noodsteunpunt

Onder een noodsteunpunt wordt in deze kennismobilisatie een vorm van tijdelijke hulp aan inwoners bij rampen of crises verstaan, in aanvulling op de reguliere rampenbestrijding en hulpverlening, die plaatsvindt in enig georganiseerd verband, door overheid, maatschappelijke organisaties en/of vrijwilligers vanuit een fysieke locatie.


label Maatschappelijke veerkracht

Nederland investeert in voorbereidingen op grootschalige, langdurige stroomuitval

13 mei 2026

Nederlandse organisaties zijn zich aan het voorbereiden op grootschalige, langdurige stroomuitval. Het NIPV en Veiligheidsregio Kennemerland publiceren een vervolgonderzoek naar de maatschappelijke gevolgen van stroomuitval en de paraatheid van (crisis)organisaties.

Foto: NIPV.

De urgentie om voorbereid te zijn neemt toe onder Nederlandse organisaties. In april 2025 werden Spanje en Portugal getroffen door een grootschalige stroomuitval die ongeveer 18 uur duurde. Miljoenen huishoudens zaten zonder elektriciteit, telecommunicatie viel uit en het openbaar vervoer kwam tot stilstand. Ziekenhuizen kregen te maken met dreigende brandstoftekorten voor noodaggregaten.

Begin dit jaar vond een langdurige stroomuitval plaats in Berlijn, waar tienduizenden huishoudens dagenlang zonder stroom zaten in strenge winterse weeromstandigheden.

Deze gebeurtenissen versterken het urgentiegevoel bij veel Nederlandse organisaties om zich voor te bereiden op stroomuitval. Geopolitieke spanningen en hybride oorlogsactiviteiten dragen hier aan bij. In oefeningen maar ook handreikingen ten behoeve van het vergroten van weerbaarheid van burgers, organisaties en bedrijven, wordt stroomuitval daarom steeds vaker als leidend scenario gebruikt.

Grote impact door verweven systemen

Hoewel het Nederlandse elektriciteitsnet zeer betrouwbaar is, kan de kans op stroomuitval niet worden uitgesloten. Grootschalige, langdurige stroomuitval kan verstrekkende gevolgen hebben. De samenleving is sterk afhankelijk van elektriciteit en veel systemen zijn met elkaar verbonden. Hierdoor kunnen al snel zogenoemde cascade-effecten ontstaan: een kettingreactie van verstoringen in meerdere sectoren, zoals telecommunicatie, zorg, transport en de waterketen.

De impact van een stroomuitval hangt vooral af van de duur, omvang en omstandigheden, zoals het weer. Hoe langer de uitval duurt, hoe groter de maatschappelijke ontwrichting kan worden.

Stroomuitval is een complex crisisscenario. Niet alleen burgers worden getroffen, maar ook hulpdiensten en overheden zelf, wat de crisisrespons bemoeilijkt. Veel organisaties besteden daarom ook aandacht aan de continuïteit van de crisisorganisatie.

Verwachtingen en zorgen

In het onderzoek staat beschreven waar professionals zich de meeste zorgen over maken. Een groot deel van de respondenten maakt zich zorgen over mensen in een kwetsbare positie als een stroomuitval zich zou voordoen. Zicht krijgen op wie in een kwetsbare positie zitten en hoe zij bereikt kunnen worden, is een uitdagende klus. Ook in onderzoek naar de stroomuitval in Berlijn komt dit als één van de belangrijkste bevindingen naar voren

Ook is communicatie, zowel externe crisiscommunicatie als interne communicatie naar het eigen personeel, voor velen een zorg. Communicatie vormt een groot knelpunt: juist tijdens een stroomuitval vallen veel communicatiemiddelen weg, terwijl de behoefte aan informatie groot is.

Daarnaast bestaan vragen over de aanvoer van brandstof voor noodaggregaten, de continuïteit van zorginstellingen en de afhankelijkheid van elektrische voertuigen. Het opschalen en aflossen van personeel kan problematisch zijn tijdens een stroomuitval. Werknemers kunnen door de situatie thuis of door beperkte bereikbaarheid niet altijd direct inzetbaar zijn. Verder bestaan er zorgen over de continuïteit van zorginstellingen, vooral bij kleinere organisaties die mogelijk minder goed zijn voorbereid.

Laat de mythes los, vertrouw op veerkracht

Het is opvallend dat nog steeds uitgegaan wordt van veel foutieve aannames over het gedrag van mensen in crisissituaties. Wetenschappelijke onderzoeken tonen al jarenlang aan dat mensen niet massaal in paniek raken en antisociaal gedrag vertonen, maar juist veerkrachtig zijn en voor zichzelf en anderen weten te zorgen. Naarmate een storing langer duurt, kan onrust toenemen en in extreme gevallen kan maatschappelijke ontwrichting ontstaan, al komt dit volgens onderzoekers zelden voor. Een beter begrip van het gedrag van mensen helpt om maatregelen te treffen die aansluiten bij datgene wat mensen écht doen en nodig hebben.

Voorbereiden op stroomuitval

De onderzoekers zien drie aspecten waarop organisaties zich kunnen voorbereiden op stroomuitval:

  1. Een organisatie kan technische voorbereidingen treffen, zoals het implementeren van fall-back systemen.
  2. Organisatorische voorbereidingen treffen, zoals het opstellen van crisisplannen en oefenen met alternatieve communicatiemogelijkheden.
  3. En strategische voorbereidingen treffen, zoals het nemen van besluiten over de prioritering van processen en bepalen van sleutelfiguren om de bedrijfscontinuïteit te borgen.

De onderzoekers benadrukken dat het belangrijk is om naast het creëren van bewustwording, het opstellen van plannen en het organiseren van redundantie, de voorbereidingen op stroomuitval ook te richten op het improvisatievermogen en de flexibiliteit van de organisatie. De hoeveelheid aan mogelijke cascade-effecten kan altijd voor verrassingen zorgen.

Lees het rapport

label Fysiek veilige leefomgeving

Nieuwe versie Richtinggevend kader bijzondere verkeersbevoegdheden van kracht

15 januari 2026 (bijgewerkt op 12 mei 2026)

Op 1 mei 2026 is het herziene ‘Richtinggevend kader bijzondere verkeersbevoegdheden’ in werking getreden. Het vorige kader, dat dateerde uit 2015, is herzien door een werkgroep waarin brandweer, politie, ambulance, defensie en particuliere rijopleiders vertegenwoordigd waren. Naast een update en tekstuele aanpassingen bevat het kader nieuwe thema’s, waaronder het rijden in tunnels, omgaan met rijhulpsystemen, middendoor rijden en tegengesteld opvallend naderen (‘tonnen’).

Foto: Shutterstock.

Vlot en veilig, maar ook voorspelbaar door het verkeer gaan

Het ‘Richtinggevend kader bijzondere verkeersbevoegdheden’ geeft aan hoe voorrangsvoertuigbestuurders zich in de ideale situatie zouden moeten gedragen op de weg. Het is een aanvulling op de reguliere rijprocedure. Het kader zorgt ervoor dat bestuurders van voorrangsvoertuigen van verschillende hulpdiensten niet alleen vlot en veilig, maar ook voorspelbaar door het verkeer gaan. Het kader is tevens de basis voor de lesstof van bestuurders van voorrangsvoertuigen en voor het examen van OGS+-instructeurs.

Herziene kader van kracht sinds 1 mei jl.

Sinds 1 mei 2026 is het herziene kader van kracht. Het kader is vastgesteld door Ambulancezorg Nederland, Brandweer Nederland en Defensie.

Lees het kader en bijbehorende informatie

“Kennis en kunde Seveso kunnen breder worden benut binnen risicobeheersing”

Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, mei 2026

Sinds oktober 2025 is Ramon Blaauw teamleider Risicobeheersing in Veiligheidsregio IJsselland. In die hoedanigheid kwam ook de vacature voor vertegenwoordiger van het samenwerkingsverband Oost-5 in het Managementoverleg Industriële Veiligheid (MO IV) onder zijn aandacht. Hij besloot de uitdaging aan te pakken om zijn kennis en ervaring op het raakvlak van brandveiligheid en industriële veiligheid op een ander niveau in te zetten. Zijn streven voor de komende jaren: industriële veiligheid als taakveld voor de veiligheidsregio’s beter ‘op de kaart zetten’ bij bestuurders en IV-kennis en werkwijzen in het totale domein van risicobeheersing breder benutten.

Ramon Blaauw, teamleider Risicobeheersing in Veiligheidsregio IJsselland.

Blaauw geeft sinds oktober leiding aan het 27 fte tellende team Risicobeheersing van Veiligheidsregio IJsselland. Een regio waar hij al meerdere taakvelden aan de linkerkant van de veiligheidsketen doorliep. In 2016 begon hij er als bouwadviseur brandveiligheid, waarna hij zich bekwaamde tot specialist brandveiligheid. “In die functie ontdekte ik al snel dat ik de combinatie van brandveiligheid en industriële veiligheid heel boeiend vond. De taakvelden raken elkaar onder andere bij projecten als opslaggebouwen voor gevaarlijke stoffen. Nadat mijn interesse voor de industriële veiligheid was gewekt, ben ik de SIV-opleiding (Specialist industriële veiligheid, red.) gaan volgen, die ik in 2023 heb afgerond. In mijn eerdere rollen was ik vooral bezig met veiligheid in de categorie risicorelevante bedrijven; vanaf 2023 kantelde mijn aandacht steeds meer naar de zwaardere risicocategorie Seveso. Vervolgens heb ik ruim twee jaar in de Seveso-adviespraktijk gewerkt. Toen de mogelijkheid om teamleider Risicobeheersing te worden op mijn bordje kwam, besloot ik die stap te zetten.”

Hechte samenwerking

Kijkend naar de Oost-5-regio’s (IJsselland, Noord- en Oost-Gelderland, Twente, Gelderland-Midden en Gelderland-Zuid), past volgens Blaauw enige bescheidenheid, want bij elkaar opgeteld zijn in de 5 veiligheidsregio’s circa 50 Seveso-bedrijven actief. Een zwaar IV-profiel zoals het Rijnmondgebied of Zuid-Limburg heeft Oost-Nederland dus niet, maar dat doet niets af aan het belang van kwalitatief goede advisering en toezicht. Het uitgangspunt is daarbij dat de IV-specialisten met hun deskundigheid zo veel mogelijk ‘een goed gesprek’ aangaan met bedrijven om de veiligheid bij Seveso-bedrijven te waarborgen en knelpunten op te lossen. Een ‘partnerschap’ met een coöperatieve benadering waar het kan en opschalen naar strenge handhaving waar het moet als de regels worden ontweken. Wel noodzaakt de geografie met een grote spreiding van Seveso-bedrijven tot meer samenwerking om de binnen de veiligheidsregio’s aanwezige IV-expertise zo doeltreffend en slim mogelijk in te zetten.

“Dat doet het samenwerkingsverband Oost-5 best goed”, stelt Blaauw vast. “Hoewel de gezamenlijke regio’s een omvangrijk werkgebied hebben, van noord naar zuid en van west naar oost, zijn grote afstanden geen enkele belemmering om IV-specialisten over en weer in te zetten voor adviesprojecten en inspecties. Samen vormen ze in wezen één groot gemeenschappelijk team. Maar adviseurs en inspecteurs zijn wel heel veel op pad, dus is er ook grote behoefte aan gezamenlijke contactmomenten zoals kennisdagen, om ervoor te zorgen dat we ook een team blijven en samen kennis en ervaringen te delen.”

Meerwaarde voor risicobeheersing

Het feit dat de IV-specialisten in Oost-5 veel op pad zijn in een groot werkgebied, heeft als keerzijde dat ze, zowel binnen de eigen organisatie als voor de buitenwacht, soms minder goed zichtbaar zijn. Blaauw ziet dat als een aandachtspunt in zijn rollen als teamleider en MO-lid. “Seveso-advisering en -toezicht en het aanwijzen en toezicht op bedrijfsbrandweren zijn in feite de enige wettelijke grondslagen voor het taakveld industriële veiligheid van de veiligheidsregio’s. De regiobesturen aan wie we verantwoording afleggen voor die taken, vinden het vanzelfsprekend dat die taken goed worden uitgevoerd, maar beseffen vaak niet welk netwerk van vakspecialisten met hoogwaardige kennis en deskundigheid achter dat werk schuilgaat. Wat doen die mensen nou eigenlijk precies en hoe dragen zij concreet bij aan het bevorderen van de fysieke veiligheid in de gemeenten en regio? Daar mogen we de regiobesturen best eens wat meer inzicht in geven. Op brandveiligheidsgebied gebeurt dat wel, maar in het taakveld IV naar mijn mening nog onvoldoende. ”

Hetzelfde geldt volgens Blauuw voor de interne organisatie van de veiligheidsregio’s. In zijn beleving zijn de verschillende taakvelden soms min of meer ‘organisatie-eilandjes’, met hun eigen opgaven en hun eigen specialistenteams. Maken die wel optimaal gebruik van elkaars kennis en kunde? In versterking van die synergie zijn in de beleving van Blaauw nog wel stappen te zetten.

“Als IV-specialisten veel op pad zijn, zijn ze minder makkelijk benaderbaar voor collega’s op andere taakvelden, zoals brandpreventie en ruimtelijke veiligheid, terwijl zij wederzijds veel aan elkaars kennis kunnen hebben. Bijvoorbeeld als het gaat om conceptueel denken en risicogericht werken bij advisering. Ik zie nu soms dat collega’s op brandveiligheid voor een bepaald vraagstuk extern op zoek gaan naar mensen met kennis en deskundigheid, terwijl ze binnen hun eigen organisatie ook collega’s hebben die die expertise hebben. Binnen de afdeling Risicobeheersing en binnen de veiligheidsregio als geheel kunnen we elkaars kennis in mijn ogen nog veel beter benutten. Daar wil ik samen met de managementcollega’s en de collega’s van de teams energie in gaan steken. Maar voorlopig heb ik ook zelf nog een weg af te leggen in verdere kennismaking met alle collega’s in dit mooie vakgebied, binnen Oost-5 en ook in de landelijke overlegstructuren.”


“We kunnen nooit genoeg investeren in hulpdiensten die alles oplossen”

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, mei 2026

Anne van Diepen is adviseur Crisisbeheersing bij Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland. In haar werk kijkt zij naar hoe klimaatverandering doorwerkt in risico’s, besluitvorming en de voorbereiding op crises. Daarbij ligt de nadruk op één belangrijke vraag: hoe zorgen we voor een klimaat- en waterveilige regio nu en in de toekomst.

Anne van Diepen
Anne van Diepen.

Klimaatadaptatie is ook een veiligheidsvraagstuk

“Voor onze organisatie betekent klimaatveiligheid dat klimaatadaptatie op een veilige manier wordt gedaan. Daarbij willen we dat organisaties zelf plannen maken om bestand te zijn tegen klimaateffecten, in plaats van alleen te leunen op hulpdiensten. Als het dan toch misgaat, kunnen ze ons bellen.”

“Wij adviseren bijvoorbeeld gemeenten bij klimaatadaptieve maatregelen in de openbare ruimte. Als er nieuwe waterdoorlatende wegen worden aangelegd, moet er nog steeds een zware brandweerauto overheen kunnen. Of als waterkanten natuurinclusiever worden ingericht, moet het water wel bereikbaar blijven voor de bluswatervoorziening. Klimaatadaptatie raakt dus direct aan veiligheid. Daarnaast kijken we vanuit crisisbeheersing naar planvorming. We bereiden ons voor op klimaatverandering en ook op de kans dat meerdere dingen tegelijk gebeuren. Bijvoorbeeld een overstroming gecombineerd met stroomuitval en alle cascade-effecten die daarbij horen.”

Bewustzijn begint ook persoonlijk

“Ik weet wat er gebeurt wanneer in de regio waar ik woon de dijken doorbreken. Dat maakt het ook persoonlijk. Ik heb gekeken: waar woon ik eigenlijk, hoe hoog komt het water daar? Voor mij is klimaatveiligheid ook bewustzijn en voorbereiding. Ik heb een watervoorraad aangelegd en een noodpakket. Dat wordt vaak gekoppeld aan stroomuitval, maar voor mij zit daar ook een klimaataanleiding achter.”

“Water is daarin voor mij een belangrijk thema, omdat de impact zo lang kan duren. Als stroom uitvalt en weer terugkomt, herstelt het leven relatief snel. Maar water kan weken of maanden blijven staan en hele gebieden langdurig ontwrichten.”

We zijn te lang te zeker geweest

“Ik denk dat we in Nederland te naïef zijn geworden. De overheid heeft lang gezegd: wij kunnen water managen, wij houden het droog. Daar mogen we trots op zijn, maar het heeft er ook voor gezorgd dat mensen denken: ik hoef me daar niet mee bezig te houden. Terwijl de overheid dat niet meer kan garanderen. En nu wordt de verantwoordelijkheid meer bij de burger gelegd, maar die is daar helemaal niet op voorbereid.”

“Het probleem speelt ook niet op één plek. Als je naar de waterkaarten kijkt, zie je dat het in heel Nederland speelt en dat het alleen maar groter wordt, zeker omdat we blijven bouwen in kwetsbare gebieden.”

Van ruimtelijke ordening naar veiligheidsvraagstuk

“Wat mij betreft moeten we ruimtelijke inrichting niet meer zien als alleen een vraagstuk van de openbare ruimte, maar als een veiligheidsvraagstuk. Klimaatadaptatie heeft direct invloed op hoe snel iets een crisis wordt. Zolang veiligheid niet structureel wordt meegenomen in besluitvorming, blijven we achter de feiten aanlopen.”

“Je kunt namelijk nooit genoeg investeren in hulpdiensten om alles op te lossen. Voorkomen is altijd effectiever dan oplossen. Voorbeelden zoals Limburg, Doetinchem en Enschede laten zien wat er gebeurt als het misgaat.”

Kleine keuzes maken samen verschil

“Wat ik belangrijk vind om mee te geven: hoe klein je eigen bijdrage ook lijkt, het heeft effect. Ik eet bijvoorbeeld vegan. Dat lijkt als individu misschien onbeduidend, maar als meer mensen kleine keuzes maken en elkaar beïnvloeden, ontstaat er wel degelijk impact.” “Dat geldt ook voor klimaatveiligheid. Het is een groot en complex onderwerp, maar uiteindelijk moeten we het samen doen, en heeft elke keuze, groot of klein, een impact.”

label Veilige energietransitie

Risico’s biogas zijn bekend, kennis nu gebundeld 

4 mei 2026

In het Klimaatakkoord is afgesproken om de productie van groen gas fors te vergroten. Een groot deel van dat groene gas moet uit biogas geproduceerd worden. Dit was voor het NIPV de aanleiding om in een verkenning aandacht te besteden aan biogas: aan de productie, opslag, transport en gebruik van biogas, de veiligheidsrisico’s, wet- en regelgeving en de handelingsperspectieven voor de brandweer bij incidenten met biogas(installaties).

Biogas
Foto: Shutterstock.

Ontstaan biogas

Biogas ontstaat door vergisting van biologisch materiaal, zoals mest, slib en groente-, fruit- en tuinafval. Het gas bestaat grotendeels uit methaan (CH₄) en bevat ook waterstofsulfide (H₂S), wat risico’s met zich meebrengt zoals brand, explosie, verstikking en vergiftiging bij vrijkomen. Deze risico’s zijn vergelijkbaar met die van mestgassen en zijn vooral relevant voor mensen die direct met installaties werken of incidenten met biogasinstallaties moeten bestrijden, maar er bestaan ook externe veiligheidsrisico’s.

Veilig optreden bij incidenten

Voor de brandweer bestaan er al duidelijke handelingsperspectieven, waaronder de Aandachtskaart Biovergistingsinstallaties en scenariokaarten binnen het Scenarioboek Energietransitie. Deze bieden richtlijnen voor veilig optreden bij incidenten.

De mogelijke toename van het aantal biogasinstallaties is geen aanleiding om deze handelingsperspectieven aan te passen. Omdat de aard van de biogasrisico’s niet verandert, zijn de bestaande handelingsperspectieven voor biogas toereikend.

Achtergronddocument

De verkenning bundelt bestaande kennis over biogas, de bijbehorende veiligheidsrisico’s en het optreden bij incidenten. Het rapport moet vooral worden gezien als een achtergronddocument.

Lees het rapport

Netwerkdag LEC Industriële Veiligheid 12 maart: focus op stationaire blussystemen

Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, mei 2026

Een stationair blussysteem, zoals Hi-Ex schuimblusinstallatie, kan een prima ‘line of defence’ zijn voor opslaggebouwen met een hoog brandrisico. Maar dan moeten ze wel doen wat er van ze wordt verwacht. Tijdens de Netwerkdag LEC Industriële Veiligheid op 12 maart jl. maakte een plenaire presentatie tijdens het ochtendprogramma duidelijk dat effectief blussen of falen in belangrijke mate afhankelijk is van keuzes in de ontwerp- en installatiefase.

Foto: LEC Industriële Veiligheid.

‘Ouderwets de diepte in op de inhoud’, was de belofte van de organisatoren van de netwerkdag. Die belofte werd ingelost met niet minder dan zes keuzeworkshops, waarvan enkele over automatische VBB-systemen. Bij de aftrap van de netwerkdag meldde programmamanager Ron Bouwman eerst twee nieuwsfeiten binnen het netwerk. Ten eerste de officiële benoeming van Linda van de Ven tot landelijk regisseur spoorveiligheid namens de veiligheidsregio’s, waarmee het Netwerk Industriële Veiligheid zijn werkveld uitbreidt naar spoorse veiligheidsvraagstukken. Ten tweede de start van het nieuwe traineeship Risicobeheersing, waarvoor de werving op 10 maart is gestart. Nieuw in deze ronde is de uitbreiding met het taakveld brandveiligheid. Aan deze tweede ronde nemen 17 veiligheidsregio’s deel, die gezamenlijk plaats hebben voor 18 trainees.

Programmamanager Ron Bouwman. Foto: LEC Industriële Veiligheid.

Hi-Ex systemen kwetsbaar

Hoofdtopic in het plenaire programma was de presentatie van Jörgen van Trijp en Jeroen Dekkers van Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant over Hi-Ex schuimblusinstallaties. Voorzieningen die kwetsbaar zijn als bij ontwerp en installatie niet de juiste keuzes worden gemaakt. Met casuïstiek van vijf incidenten rond (on)gewenste activering uit de eigen regio, lieten zij zien dat faalrisico’s vooraf niet altijd goed worden ingecalculeerd, waardoor het systeem op het Uur U niet conform de prestatie-eisen functioneert. Zoals kwalitatief onvoldoende afdichting van buiten- of compartimentdeuren, waardoor het schuim uit het compartiment loopt.

Ook blijkt een Hi-Ex systeem soms niet geschikt voor het type opgeslagen producten, waardoor de brand niet goed kan worden beheerst. Dat bleek onder andere bij een grote brand in een aanmaakblokjesfabriek, waar bovendien een fout tijdens een praktijktest leidde tot het falen van het systeem, omdat onvoldoende buitenlucht kon worden aangevoerd om schuim te genereren. Ook een goede verificatie van brandmeldingen blijkt een lastig gegeven, omdat het voor de gearriveerde brandweer bijzonder lastig is vast te stellen wat er in een volgeschuimde loods precies is gebeurd. Het zijn leermomenten die volgens van Trijp en Dekkers de neiging hebben zich te herhalen. Een tweetal onderzoeksrapporten, een van Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant en een van de Vakgroep Brandveiligheid, zouden mogelijk kunnen leiden tot aanpassing van de regelgeving ten aanzien van ontwerpeisen en certificering.

Geerlof Bijsterbosch, Anton Slofstra en Leon Houben. Foto: LEC Industriële Veiligheid.

Rondetafelgesprek

In het rondetafelgesprek sprak Ron Bouwman met directeuren veiligheidsregio Leon Houben en Anton Slofstra en Geerlof Bijsterbosch van de Vakgroep Milieu en Industrie over actuele thema’s. Aan de orde kwam onder andere het borgen van de spoorveiligheid in combinatie met de grote ruimtelijke opgaven voor woningbouw. Slofstra (Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden) is bezorgd over het feit dat in de besluitvorming over die thema’s de fysieke veiligheidsrisico’s niet expliciet worden afgewogen door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, dat van de ‘risicodrempels’ af wil. Hij zegt het bestuurlijk commitment te missen van een ministerie dat voor de veiligheidsregio’s op de bres springt en is blij met de aanstelling van Linda van de Ven die alle partijen rond dit complexe dossier met elkaar gaat verbinden. Leon Houben (Veiligheidsregio Zuid-Limburg) sluit zich bij deze zorgen aan. Hij vindt dat de veiligheidsregio’s in Den Haag te weinig ‘lobbykracht’ hebben, wat mede het gevolg is van het feit dat de 25 veiligheidsregio’s autonoom zijn. Krachtenbundeling is daarom ook in zijn ogen noodzaak.

Meer aanhaken aan de voorkant van plan- en besluitvorming is de sterke wens van de sprekers aan de rondetafel. Dat geldt voor het dossier spoor en ruimte, maar ook voor een ander thema dat steeds nadrukkelijker op het bordje van de specialisten risicobeheersing komt: militaire dreiging en de groei van de defensie-industrie in Nederland. Welke vraagstukken levert dit voor de veiligheidsregio’s op? Zuid-Limburg heeft er al nadrukkelijk mee te maken, nu VDL in Born militaire producten gaat bouwen. Dat maakt het bedrijf, dat voorheen personenauto’s produceerde, plotseling tot een vitaal en strategisch object. Hoe kan de veiligheidsregio hier de vinger aan de pols houden? Om te beginnen door te investeren in relaties en in vertrouwen tussen de partners. “Een bijzondere uitdaging”, stelt Houben vast. “Dit is inhoudelijk heel wat ingewikkelder dan bijvoorbeeld een gebruiksvergunning verlenen.” En zo hebben de veiligheidsregio’s er op het gebied van risicobeheersing en industriële veiligheid weer een nieuw dossier bij op hun toch al goed gevulde takenlijstje.

In het middagprogramma konden de deelnemers naar eigen behoefte kennis ophalen in een van de zes workshops, over de kwaliteitsborging van VBB-installaties, voorbereiding op de uitval van repressieve lines of defence, PFAS-vrije schuimsprinklers, veilige ammoniakopslag volgens de PGS 12, paraatheid op langdurige stroomuitval bij chemische bedrijven en bedrijfsbrandweerzorg in de haven van Rotterdam.


Traineeship Risicobeheersing: “Over twee jaar ben je opgeleid en mag je jezelf specialist noemen”

30 april 2026

Ben je onlangs afgestudeerd en zoek je een functie waarin je kunt bijdragen aan een duurzame en veilige samenleving? Dan is het traineeship Risicobeheersing van de veiligheidsregio’s misschien iets voor jou. Oud-trainee Shelley Heskes vertelt: “Door het werk dat wij doen, hoeven de hulpdiensten hopelijk minder vaak te komen.”

Shelley Heskes. Foto: Megan Zondervan.

Heskes studeerde Integrale Veiligheidskunde en wist aan het eind van haar studie niet zo goed welke kant ze op wilde. Ze had nog geen echte specialisatie, maar was ook wel een beetje klaar met fulltime studeren. “Het traineeship was voor mij de perfecte combinatie: wel beginnen met werken, en tegelijk ook een opleiding mogen doen.”

Inmiddels heeft ze een baan als beleidsmedewerker op de afdeling Veilige Leefomgeving bij Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. “Ik heb me nu gespecialiseerd in iets waarvan ik zelf nooit had gedacht dat dit een beroep is. Er wordt in deze tijd veel gevraagd: we zitten natuurlijk met een woningtekort, een energietransitie die gewoon moet gebeuren en dan is er ook nog de klimaatverandering. Ik houd me vooral bezig met advisering en ik ben inmiddels accountmanager voor vier gemeenten.”

Openstaan om te leren

Heskes startte samen met elf andere trainees, maar iedereen heeft een andere achtergrond en komt uit een andere regio. “Wat we gemeen hebben, is dat we er allemaal open voor staan om te leren en ervaringen op te doen. Ook hebben we het enthousiasme om vragen te stellen en breder te kijken dan ons eigen vakgebied.”

Op een leuke manier leren: alles kan

Tijdens het traineeship staan er vier lijnen centraal: de werklijn in je eigen veiligheidsregio, de persoonlijke lijn die draait om coaching en persoonlijke ontwikkeling, de leerlijn bij het NIPV en de netwerklijn met werkbezoeken, expertsessies en netwerkdagen. “We hebben zoveel leuke dingen gedaan! We zijn bijvoorbeeld op bezoek geweest bij het vliegveld in Maastricht, we hebben achter de schermen gekeken bij de Efteling, en we zijn bij een kernreactor in Noord-Holland gaan kijken: allemaal om te leren hoe zij de veiligheid aanpakken.”

“Daarom zou ik het traineeship ook aanraden: ik heb het gevoel dat alles kan en mag. Als we als trainees aangeven dat we iets willen doen, dan is er superveel mogelijk. Dat ervaar ik ook binnen mijn eigen regio, ik mag altijd meelopen met collega’s of bij andere afdelingen kijken. Je krijgt heel veel kansen die je ook echt allemaal mag aangrijpen om alles uit je traineeship te halen.”

Alle trainees hebben een leerwerkplekbegeleider. “In mijn geval een collega die dezelfde opleiding heeft gevolgd en een soortgelijk takenpakket heeft als waar ik naartoe heb gewerkt. Hij was van het begin mijn aanspreekpunt; echt alles mocht ik aan hem vragen. Zelfs met examenonderdelen heeft hij meegelezen.”

Alle ruimte als het lastig was

Naast het werken in een veiligheidsregio volgen de trainees een opleiding bij het NIPV. “Dit is heel goed te combineren. Soms was het huiswerk heus wel even doorzetten – ik had niet in elk vak een achtergrond waardoor het soms lastig kon zijn. Maar daar mocht ik ook alle tijd voor maken, want ik was 25 procent aan het werk en 75 procent aan het leren. Dat betekent ook echt dat je niet in het diepe wordt gegooid. Als je verder in je traineeship komt, verschuift dit percentage.”

Na de twee jaar in het traineeship heb je heel veel geleerd, en mag je jezelf specialist noemen. Je bent klaargestoomd voor een baan binnen de veiligheidsregio, met de intentie op een vaste baan na het afronden van je traineeship.

Meer informatie

Bekijk uitgebreide informatie over het traineeship Risicobeheersing op de website van Brandweer Nederland.

“We kunnen klimaatverandering niet stoppen, maar we kunnen wel zorgen dat we beter voorbereid zijn”

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, april 2026

Alfons Hofman is beleidsadviseur binnen Brandweerzorg bij Veiligheidsregio Groningen. Vanuit zijn rol werkt hij onder andere aan het inzichtelijk maken van risico’s en het versterken van de voorbereiding op crises. Waaronder de mogelijke gevolgen van klimaatverandering.

Alfons Hofman portretfoto
Alfons Hofman.

Klimaatveiligheid begint aan de voorkant

“Vanuit risicobeheersing kijken we juist naar de voorkant van risico’s. Je wilt goed voorbereid zijn als er daadwerkelijk iets gebeurt. En je wilt kijken waar je aan de voorkant invloed kunt uitoefenen. Klimaat is niet de oorzaak van alles, maar het zorgt er wel voor dat we opnieuw moeten kijken naar risico’s en hoe we daarmee omgaan.”

Binnen Veiligheidsregio Groningen is klimaatveiligheid belegd over meerdere disciplines. “We hebben geen mensen die zich volledig met klimaat bezighouden. Ik pak een deel vanuit brandweerzorg op en collega’s vanuit crisisbeheersing doen dat ook. Klimaatveiligheid komt bijvoorbeeld terug in het regionaal risicoprofiel en in beleidsplannen voor de komende jaren. Daar geven we verder duiding aan door constant de vraag te stellen: wat betekent klimaatveiligheid precies voor onze regio en hoe gaan we de daaraan gerelateerde risico’s beïnvloeden?”

Water als tastbaar risico

Voor Groningen is water traditioneel een belangrijk thema. “Water speelt hier een grote rol. Een deel van Groningen ligt onder zeeniveau en we hebben te maken met kust (primaire keringen) en boezem (regionale keringen) waterkeringen. We hebben in het verleden meerdere keren te maken gehad met hoogwater. In 1998 dreigde de stad Groningen te overstromen door extreme regenval, wat werd voorkomen door gecontroleerd polders onder water te zetten. En in 2012 moesten honderden bewoners worden geëvacueerd omdat de kade langs het Eemskanaal op doorbreken stond door een kritiek hoog waterpeil. En ik vaar zelf ook met een bootje, het water heeft op mij en velen andere ook een aantrekkingskracht. Dat maakt het onderwerp tastbaar.” Volgens Hofman is dat niet voor alle klimaatrisico’s vanzelfsprekend. “Water is concreet en zichtbaar. Voor onderwerpen zoals droogte of hitte is het soms lastiger om dezelfde urgentie te voelen. Daar moet nog een ontwikkeling plaatsvinden. Je ziet dat partners vaak beginnen vanuit water, terwijl klimaatveiligheid natuurlijk breder is.”

Omdat niet elke regio met dezelfde risico’s te maken heeft, is samenwerking essentieel. “In Groningen hebben we minder te maken met natuurbrandrisico’s dan bijvoorbeeld Drenthe of de Veluwe. Dan leunen we op de expertise van andere regio’s. Andersom houden wij ons weer meer bezig met water en energie. Het is belangrijk dat we daarin samenwerken en gebruikmaken van elkaars kennis, want we hebben niet de capaciteit om alles zelf uit te zoeken.”

Complexe risico’s en cascade-effecten

Klimaatverandering zorgt volgens Hofman niet alleen voor andere risico’s, maar ook voor grotere gevolgen. “Alles is afhankelijk van elektriciteit en infrastructuur. Daardoor kunnen de gevolgen van een incident veel groter zijn dan vroeger. Stel dat tijdens een zware storm langdurig de stroom uitvalt in een laaggelegen gebied: gemalen functioneren niet meer, communicatie valt weg en kwetsbare bewoners zijn moeilijk bereikbaar. Dan zie je hoe een waterincident kan doorslaan naar een probleem met zorg, energie en openbare orde. Dat soort cascade-effecten maken duidelijk waarom voorbereiding zo belangrijk is. Niet omdat we elk risico kunnen voorkomen, maar omdat de gevolgen anders snel groter worden dan nodig.”

Volgens Hofman is het daarom belangrijk om niet alleen te kijken naar het voorkomen van incidenten, maar ook naar het beperken van impact. “Ik kan klimaatverandering niet stoppen. Waar ik wel aan kan bijdragen is zorgen dat we goed voorbereid zijn en de impact zo klein mogelijk houden. Bijvoorbeeld door slimmer na te denken over de inrichting van onze leefomgeving en klimaatadaptief te bouwen. Je kunt dijken hoger maken, maar het kan nog steeds een keer misgaan. Dus je moet ook nadenken over wat er gebeurt als het wél misgaat.”

Samenwerken aan oplossingen

Een belangrijke uitdaging is volgens Hofman het verbinden van verschillende opgaven. “We hebben te maken met veel ontwikkelingen tegelijk: de woningbouwopgave, de energietransitie, leefbaarheid en in Groningen ook de aardbevingsproblematiek. Dat komt allemaal samen. De uitdaging is om met de beschikbare capaciteit die we hebben die opgaven met elkaar te verbinden.” Volgens Hofman is het belangrijk om als veiligheidsregio vroegtijdig betrokken te zijn. “Via netwerken zoals de DPRA-werkregio werken we samen met gemeenten, waterschappen en andere partners. Dat helpt om op tijd aan tafel te zitten, bijvoorbeeld bij omgevingsvisies. Dan kun je aan de voorkant meedenken en invloed uitoefenen.”

Focus houden en samen stappen zetten

Tot slot benadrukt Hofman dat focus essentieel is in een complex speelveld. “Er gebeurt ontzettend veel op het gebied van klimaatveiligheid. Je kunt elke dag wel naar bijeenkomsten of netwerken. Maar het is belangrijk om focus te houden en kleine stappen te zetten die ook echt iets opleveren. We willen niet alleen aangeven wat niet kan, maar juist meedenken over wat wél kan. Door samen te werken en kennis te delen kunnen we beter omgaan met de gevolgen van klimaatverandering en zorgen dat we als samenleving beter voorbereid zijn.”