Samenwerken aan meerlaagsveiligheid als wenkend perspectief voor klimaatveiligheid

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Dit is een samenvatting van het artikel in Water Governance

Nederland krijgt steeds vaker te maken met extreem weer. Hitte, langdurige droogte, hevige regenval en overstromingen komen niet alleen vaker voor, maar worden ook steeds extremer. De vraag is daarom niet óf deze gebeurtenissen zich opnieuw voordoen, maar hoe goed we erop zijn voorbereid.

Meerlaagsveiligheidsmodel.

In een nieuw artikel in Water Governance laten Joanne Vinke-de Kruijf, adjunct hoogleraar Climate-Resilient Infrastructure Systems aan de Universiteit Twente, en Charlotte van Ruijven, programmamanager Klimaatveiligheid bij het Nederlands Instituut voor Publieke Veiligheid (NIPV), zien dat de voorbereiding op klimaatrisico’s niet alleen draait om crisisbeheersing. Volgens hen ligt de sleutel in betere samenwerking tussen veiligheidsregio’s, gemeenten, provincies en waterschappen. Het meerlaagsveiligheidsmodel biedt daarvoor een kansrijk perspectief.

Veiligheidsregio’s kunnen het niet alleen

Veiligheidsregio’s spelen een centrale rol bij crisisbeheersing, maar hebben vooral een adviserende positie als het gaat om het voorkomen van klimaatrisico’s. De daadwerkelijke uitvoeringskracht ligt grotendeels bij gemeenten, provincies, waterschappen en andere terreinbeheerders. Tegelijkertijd beschikken veiligheidsregio’s over unieke kennis van risico’s, scenario’s en maatschappelijke impact. Die kennis wordt volgens de auteurs nog onvoldoende benut bij ruimtelijke inrichting en klimaatadaptatie.

Van waterveiligheid naar klimaatveiligheid

Het artikel laat zien dat het meerlaagsveiligheidsmodel, oorspronkelijk ontwikkeld voor waterveiligheid, ook uitstekend toepasbaar is op andere klimaatrisico’s zoals hitte, droogte en natuurbranden.

Het model onderscheidt vijf lagen:

  • Bewustwording van klimaatrisico’s;
  • Preventie: risico’s zoveel mogelijk voorkomen;
  • Gevolgbeperking door een klimaatrobuuste leefomgeving;
  • Crisisbeheersing wanneer incidenten zich voordoen;
  • Herstel, waarbij niet alleen wordt teruggebouwd, maar ook wordt geleerd voor de toekomst.

Juist de samenhang tussen deze lagen maakt het model waardevol. Keuzes die vandaag worden gemaakt bij ruimtelijke ontwikkeling hebben immers direct invloed op de inzet van hulpdiensten tijdens toekomstige crises én op het herstel daarna.

Klimaatadaptatie kan ook nieuwe risico’s creëren

Een opvallende boodschap uit het artikel is dat klimaatadaptatiemaatregelen niet automatisch leiden tot meer veiligheid. Vergroening van gebouwen kan bijvoorbeeld bijdragen aan verkoeling, maar tijdens droge perioden ook het risico op brand vergroten. Wadi’s die regenwater opvangen kunnen de bereikbaarheid van hulpdiensten beperken wanneer brandweervoertuigen een wijk niet meer goed kunnen bereiken.

Daarom pleiten de auteurs ervoor om veiligheidsregio’s vroegtijdig te betrekken bij ruimtelijke plannen en klimaatadaptatieprojecten. Zo kunnen mogelijke neveneffecten vooraf worden meegenomen.

Veerkracht begint met samenwerking

Volgens de auteurs draait klimaatveiligheid uiteindelijk om veerkracht. Dit is het vermogen van een samenleving om risico’s te weerstaan, gevolgen op te vangen, snel te herstellen én zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden.

Dat vraagt om intensieve samenwerking tussen organisaties die traditioneel vanuit verschillende verantwoordelijkheden werken. Gemeenten richten zich op ruimtelijke ontwikkeling, waterschappen op waterbeheer en veiligheidsregio’s op crisisbeheersing. Door deze perspectieven eerder bij elkaar te brengen ontstaat een completer beeld van risico’s en kunnen effectievere maatregelen worden genomen. Praktijkervaringen laten zien dat gezamenlijke workshops en gebiedsanalyses niet alleen leiden tot betere oplossingen, maar ook tot meer wederzijds begrip en risicobewustzijn.

Van adviseren naar gezamenlijk ontwerpen

De auteurs concluderen dat samenwerking verder moet gaan dan het uitwisselen van adviezen. Klimaatveiligheid vraagt om gezamenlijke processen waarin overheden en andere partijen samen risico’s, kwetsbaarheden en mogelijke oplossingen verkennen.

Dat is geen eenvoudige opgave. Iedere organisatie werkt vanuit eigen wetgeving, belangen en werkwijzen. Toch is juist die samenwerking noodzakelijk om de uitvoeringskracht te vergroten. Ontwerpend onderzoek, gezamenlijke experimenten en vroegtijdige betrokkenheid bij gebiedsontwikkelingen kunnen daarbij helpen.

De boodschap is helder: klimaatveiligheid is niet de verantwoordelijkheid van één organisatie. Alleen door waterbeheer, ruimtelijke ordening en publieke veiligheid structureel met elkaar te verbinden, kan Nederland zich voorbereiden op de klimaatrisico’s van de toekomst.

Lees het rapport

Update Ontwikkelfonds: herverdeling middelen voor Manschap 3.0

Juni 2026

Nieuwe inzichten en ontwikkelingen vragen om aanpassing van prioriteiten. In dit geval heeft de vakraad Incidentbestrijding in afstemming met de vakraad Leren & Ontwikkelen besloten om middelen en capaciteit vanuit het Ontwikkelfonds voor dit jaar anders in te zetten. De keuze is gemaakt om dit jaar een aantal projecten binnen het Ontwikkelfonds niet uit te voeren. Hierdoor komt budget vrij dat ingezet kan worden voor de verdere implementatie van THV binnen het programma Manschap 3.0. Dit programma richt zich op de toekomstbestendige ontwikkeling van het brandweervak en vraagt op dit moment om extra inzet en middelen. Het is belangrijk om te benadrukken dat deze beslissing is genomen door de vakraden, op basis van inhoudelijke afwegingen en prioriteiten binnen het werkveld.

Brandweermensen met elkaar in gesprek bij een tankautospuit.
Brandweermensen met elkaar in gesprek bij een tankautospuit.

Wat betekent dit concreet voor 2026?

Door het verleggen van capaciteit komen in 2026 een aantal geplande activiteiten te vervallen binnen het Ontwikkelfonds:

  • evaluatie leergang Coördinator Verkenningseenheden (CVE)
  • project gebouwbrandbestrijding in en rond duurzame gebouwen
  • onderhoud van e-modules vakbekwaam blijven
  • bijscholing voor instructeurs brandbestrijding (in verband met de herziening richting Manschap)
  • kennisdag Brandbestrijding

Vervolg

Het Ontwikkelfonds blijft een belangrijk instrument om te investeren in de ontwikkeling van het brandweeronderwijs. Tegelijkertijd vraagt de actuele situatie om flexibiliteit en het maken van keuzes. Zo wordt er nu ook hard gewerkt om zo spoedig mogelijk voor het zittende personeel de wijzigingen en impact vanuit THV ten aanzien van vakbekwaam blijven klaar te zetten voor de regio’s. Zodra er nieuwe ontwikkelingen zijn binnen het programma of rondom de herstart van projecten, wordt hierover gecommuniceerd.

Ondertussen wordt ook al gekeken naar de invulling voor 2027. Dit programma zal naar verwachting beperkter van omvang zijn en wordt momenteel in afstemming met de vakraden verder ontwikkeld.

Scriptie over gebruik van biobased coatings in houten gevels winnaar NIPV-VVBA-scriptieprijs 2026

25 juni 2026

Laura Dohmen van de TU Eindhoven heeft met haar masterscriptie over de toepassing van biobased coatings in houten gevels de NIPV-VVBA-scriptieprijs 2026 gewonnen. “De scriptie behandelt een actueel en relevant onderwerp dat goed aansluit bij de groeiende aandacht voor duurzaamheid in de bouw. Uit het onderzoek blijkt dat biobased coatings kunnen bijdragen aan de brandveiligheid van houten gevels, maar dat ze vooral in combinatie met andere maatregelen moeten worden toegepast. Juist deze genuanceerde conclusie maakt het onderzoek spraakmakend en relevant voor de praktijk”, aldus het juryrapport.

V.l.n.r. Benno Geerdink, Deerns (namens de VVBA), Esmée van Panhuis, Laura Dohmen, Merel van Benthem en Ricardo Weewer, NIPV.

Ontsteking vertragen en branduitbreiding beperken

In een helder opgezet en zorgvuldig uitgevoerd onderzoek laat Dohmen zien dat biobased coatings daadwerkelijk een bijdrage kunnen leveren, met name door het vertragen van ontsteking en het beperken van branduitbreiding. Daarbij geeft ze, op basis van kleinschalige experimenten, inzicht in het brandgedrag van behandeld hout, waarmee de studie zowel inhoudelijk als praktisch waardevolle resultaten oplevert. De bevindingen maken duidelijk dat biobased coatings nog niet op het niveau zijn om traditionele brandbeveiligingsmaatregelen te vervangen. Hun toepassing ligt vooral in combinatie met andere maatregelen, waarbij terughoudendheid nu nog op zijn plaats is.

Nieuw: publieksprijs

De scriptieprijs van het NIPV en de Vereniging van Brandveiligheidsadviseurs (VVBA) is op 25 juni voor de veertiende keer uitgereikt tijdens het Internationaal Congres Fire Safety & Science. Dit jaar werd er voor de eerste keer ook een publieksprijs uitgereikt. De scriptie van Laura Dohmen kreeg ook de meeste stemmen van de congresdeelnemers.

Innovatieve en spraakmakende master- of bachelorthesis

De NIPV-VVBA-scriptieprijs is ingesteld voor de meest innovatieve, spraakmakende, relevante of fundamentele master- of bachelorthesis over brandveiligheid. Aan de prijs is een bedrag verbonden van € 1.200, te besteden aan een Fire Safety Engineering (FSE) gerelateerd onderwerp, zoals een cursus, studiereis of studieboeken.

Lees de winnende scripties

Download de winnende scripties en de scripties van de andere genomineerden op de website van de Stichting Fellow FSE.

Lessen voor toekomstige natuurbranden in Nederland

25 juni 2026

Op 3 april 2025 ontstond in de middag een natuurbrand op de Edese heide. Het vuur breidde zich mede door de weersomstandigheden snel uit. De brandweer schaalde al gauw op naar ‘zeer grote brand’. Een aantal kennisinstituten onderzocht of er lessen uit deze brand zijn te trekken voor toekomstige natuurbranden. Een belangrijke les: natuurbranden in Nederland vragen om een brede, integrale kennisontwikkeling met ruimte voor het leren van ervaringen en het omgaan met onzekerheden.

Brand op Edese heide, april 2025
Brand op Edese heide in april 2025. Foto: Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden.

Aanleiding voor het onderzoek

In Nederland komen steeds vaker en langer periodes van droogte voor. Hierdoor nemen het aantal en de intensiteit van natuurbranden toe. En wordt de impact op onze dichtbevolkte samenleving steeds groter. Het is belangrijk om te leren van huidige branden om de ongewenste gevolgen van toekomstige natuurbranden te beperken. Daarom heeft het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aan een aantal kennisinstituten gevraagd om de brand op de Edese heide te onderzoeken. Het onderzoek is uitgevoerd door Deltares, KNMI, NIPV, Wageningen Universiteit, de provincies Gelderland en Noord-Brabant en Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden.

Onderzoeksaanpak

Het onderzoek bestond uit vier deelprojecten, waarbij experts van de betrokken partijen de natuurbrand steeds vanuit een ander perspectief belichtten: het brandverloop, de brandweerinzet, de impact op de maatschappij en de impact op de natuur. Vervolgens zijn de conclusies en lessen uit de verschillende perspectieven gebundeld, verdiept en vertaald naar een aantal overkoepelende leerpunten.

5 overkoepelende leerpunten

De belangrijkste overkoepelende leerpunten zijn:

  1. De brand op de Edese heide is exemplarisch voor een natuurbrand
    Een overzicht van lessen uit natuurbranden in Nederland en de opvolging hiervan zijn gewenst.
  2. Een natuurbrand kent een aantal onzekerheden
    Er moet bij natuurbranden meer rekening worden gehouden met onzekerheden, en met risicoacceptatie.
  3. Natuurbranden verdienen een bredere blik
    Het is wenselijk om, naast het brandweerperspectief, aandacht te besteden aan de maatschappelijke impact van natuurbranden. En om de negatieve framing te nuanceren door ook oog te hebben voor kansen voor natuurbeheer.
  4. Er is behoefte aan aanvullende kennis over natuurbranden
    Een centrale kennisdatabase en gezamenlijk geformuleerde onderzoeksvragen helpen om gerichter aan kennisontwikkeling te werken.
  5. Het bundelen van expertises levert meerwaarde op
    Meerwaarde ontstaat vooral door het samenbrengen en verbinden van expertises. Juist de samenhang vormt een gezamenlijke basis voor praktijk, bestuur en wetenschap.

Lees het rapport

Release LCMS 2026 Q3 30.5 – Oefenomgeving

24 juni 2026

Op dinsdag 30 juni wordt de release LCMS 2026 Q3 – 30.5 uitgerold op de Oefenomgeving van het LCMS. In het liveblog onderaan dit bericht houden we je tijdens de uitrol op de hoogte van de voortgang. 

Planning release 

Er is sprake van downtime. Houd daarom rekening met het volgende: 

  • Zowel de Oefen- als de Operationele omgeving zijn op dinsdag 30 juni vanaf 09:00 uur niet beschikbaar. 
  • De Operationele omgeving is naar verwachting vanaf 12:00 uur weer beschikbaar. 
  • Maak voor een geplande oefening in de middag tijdelijk gebruik van de Operationele omgeving. Vermeld daarbij duidelijk ‘Oefening’ in de naam van de activiteit. 
  • De Oefenomgeving is naar verwachting vanaf 16:00 uur weer beschikbaar. 

Inhoud release 

In dit bericht vind je meer informatie over de inhoud van de release. 

Vragen? 

Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan contact op met de beheerder van jouw organisatie.

Release Oefenomgeving 30 juni
Gestart: 24 juni 2026, 11:00 Aangepast: 24 juni 2026, 11:02

Release Oefenomgeving 30 juni

Via dit liveblog volg je de voortgang van de Release LCMS 2026 Q3 30.5 op de Oefenomgeving.

Blus- en koelwater bij batterijbranden vaak verontreinigd  

24 juni 2026

Blus- en koelwater dat vrijkomt bij de bestrijding van branden met lithium-ion batterijen en elektrische voertuigen bevat vaak schadelijke stoffen waarbij vaak sprake is van vervuild afvalwater. Dat blijkt uit onderzoek van het NIPV.   

Dompelcontainer voor elektrische auto’s. Foto: Bergnet.

Het NIPV onderzocht door middel van een literatuurstudie en praktijkmetingen de vervuiling van blus- en koelwater bij branden met batterijen en elektrische voertuigen. Bluswater is het bij het blussen vrijkomende water dat in de omgeving terechtkomt. Onder koelwater wordt verstaan: water in een bak of dompelcontainer waarin instabiele batterijen of elektrische voertuigen ter koeling worden ondergedompeld.

Behoefte aan duidelijkheid  

De kennis ontbrak over de samenstelling en mogelijke vervuiling van blus- en koelwater na batterijbranden van elektrische voertuigen. Brandweermedewerkers troffen bij sommige batterijbranden sterk verhoogde pH-waarden aan, terwijl die bij andere incidenten niet werden aangetroffen. Tegelijkertijd verschenen internationale onderzoeksresultaten waaruit bleek dat bluswater bij batterijbranden hoge concentraties zware metalen kan bevatten.  

Ook internationaal en in de wetenschap blijkt er geen eenduidigheid te bestaan over de vervuiling van het blus- en koelwater. Met deze studie draagt het NIPV bij aan de (internationale) kennisopbouw over de aard en mate van vervuiling van gebruikt koel- en bluswater. 

Schadelijke stoffen aangetroffen  

Er is literatuuronderzoek uitgevoerd en er zijn acht metingen verricht. Er wordt daardoor inzicht gegeven in de concentraties van vooraf geselecteerde schadelijke stoffen bij het vervuilde koel- en/of bluswater na branden met batterijen en elektrische autobranden waarbij het li-ion batterijpakket betrokken is geweest.

Uit de literatuurstudie blijkt dat bij batterijbranden milieubelastende stoffen kunnen vrijkomen en dat concentraties vaak boven gangbare milieukundige grenswaarden liggen. Het gaat hierbij om zware metalen (nikkel, mangaan, kobalt en koper), lithium, fluoride en PFAS. Tevens is in veel gevallen sprake van een hoge pH-waarde, wat wijst op licht tot matig basische eigenschappen van het water.   

De praktijkmetingen bestonden uit monsternames van het koelwater uit dompelcontainers voor elektrische auto’s.  In alle onderzochte praktijkmonsters werden verhoogde concentraties aangetroffen van zware metalen (nikkel, mangaan en kobalt), lithium, fluoride en PFAS ten opzichte van normen voor oppervlaktewater en drinkwater.  

De concentraties kunnen echter sterk verschillen per incident. Die verschillen hangen onder meer samen met de mate waarin batterijcellen zijn beschadigd en de hoeveelheid contact tussen water en de batterij. Wanneer water direct in contact komt met beschadigde batterijcellen, kunnen hogere concentraties vervuilende stoffen ontstaan.  

Aandacht voor milieu en veiligheid  

Het NIPV concludeert dat het vrijkomen van gebruikt blus- en koelwater bij batterijbranden met elektrische voertuigen lokaal kan leiden tot schade aan het milieu. Brandweerorganisaties, bergingsbedrijven en andere betrokken partijen doen er goed aan om bij het blussen en koelen van brandende batterijen van elektrische voertuigen rekening te houden met mogelijke lokale verspreiding van schadelijke stoffen in het milieu.  

Het onderzoek benadrukt ook het belang van passende persoonlijke beschermingsmiddelen en arbeidshygiënische maatregelen door de brandweer bij werkzaamheden waarbij contact met blus- en koelwater mogelijk is. 

Lees het rapport en de factsheet

Resultaten Belevingsonderzoek repressief brandweerpersoneel 2025

23 juni 2026

Hoe beleven beroeps en vrijwillige repressieve brandweermensen hun vak? Hoe kijken ze naar ontwikkelingen in hun werk en in de brandweerorganisatie? Dat heeft het NIPV onderzocht, in opdracht van het Veiligheidsberaad. Het rapport met de landelijke resultaten is nu beschikbaar.

Brandweermensen stappen brandweerauto in, op weg naar een uitruk
Foto: NIPV.

Onderzochte thema’s

In totaal hebben 3.898 brandweermensen (17 procent van al het repressief brandweerpersoneel) deelgenomen aan het belevingsonderzoek. De onderzochte thema’s zijn: betrokkenheid en beleving van het brandweerwerk, vrijwilligersbeleid, organisatiecultuur, verhouding werkvloer en leiding, regelruimte, vakbekwaamheid, werkdruk en veilig en gezond werken.

Alles bij elkaar genomen zijn de respondenten tevreden met hun werkzaamheden bij de brandweer, zij beoordelen die met een 7,6. Ook zijn ze tevreden met de organisatie van de brandweer in hun veiligheidsregio (6,8). Uit het onderzoek komen ook aanknopingspunten om de tevredenheid te optimaliseren. Het algemeen beeld van 2025 komt overeen met dat van de eerdere onderzoeken uit 2017 en 2021.

Vragenlijst en groepsgesprekken

Het belevingsonderzoek bestond uit twee delen: een digitale vragenlijst en groepsgesprekken. Om de inzichten uit de vragenlijst te verdiepen zijn er 3 online groepsgesprekken (focusgroepen) georganiseerd. Hieraan hebben 22 repressieve brandweermensen deelgenomen.

Stuurgroep

Het NIPV heeft het onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Veiligheidsberaad, onder begeleiding van een breed samengestelde stuurgroep. In deze stuurgroep zaten vertegenwoordigers van de vakbonden (FNV/CNV), de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV), de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV), de bestuurlijke adviescommissie (BAC) Brandweer en het Ministerie van Justitie en Veiligheid.


Algemeen beeld belevingsonderzoek 2025

De resultaten laten het volgende zien:

  • Ongeveer de helft van de brandweermensen vindt dat de brandweer zich in de goede richting ontwikkelt.
  • Brandweermensen voelen waardering van familie, vrienden en kennissen voor hun (vrijwilligers)werk bij de brandweer.
  • De meerderheid beveelt de brandweer aan als een fijne plek om te werken.
  • Brandweermensen zijn tevreden over de werkzaamheden bij de brandweer, zij beoordelen die met een 7,6.
  • De tevredenheid met de organisatie van de brandweer in de regio komt uit op een 6,8.

In een factsheet staan de belangrijkste resultaten per onderzocht thema.


Jaarverslag 2025: werken aan actuele maatschappelijke veiligheidsvraagstukken

22 juni 2026

Tijdens de halfjaarlijkse bijeenkomst van het Algemeen Bestuur van het NIPV, bestaande uit de voorzitters van de 25 veiligheidsregio’s, is vandaag onder meer het jaarverslag 2025 vastgesteld.

2025 was een jaar waarin we samen met onze partners in het veiligheidsdomein werkten aan actuele maatschappelijke veiligheidsvraagstukken vanuit de vier pijlers onderzoek, onderwijs, informatievoorziening en ondersteuning.

Zo deden we op het thema weerbaarheid onderzoek naar de maatschappelijke effecten van langdurige stroomuitval en het belang van noodsteunpunten. Deze opgedane inzichten vertaalden we onder andere naar kennisbijeenkomsten en masterclasses. Ook zetten we samen met de veiligheidsregio’s een belangrijke stap in het programma Onderwijs Onderweg en is na de analyse- en planfase een start gemaakt met de uitvoeringsfase. Daarnaast namen de veiligheidsregio’s een nieuwe elektronische leeromgeving en examensysteem in gebruik.

Tijdens de NAVO-top zorgden we, naast de operationele ondersteuning en inzet van landelijke middelen, ervoor dat crisispartners konden samenwerken via het Landelijk Crisis Management Systeem (LCMS). Dat gebeurde op grote schaal, met een recordaantal gebruikers tegelijkertijd en positieve feedback. Daarnaast ondersteunden de landelijke brandweerspecialismen, waaronder digitale verkenning, technische hulpverlening, logistiek en natuurbrandbeheersing, de veiligheidsregio’s bij grote incidenten. Het NIPV faciliteert deze specialismen met expertise, systemen, mensen en middelen.

Bedrijfsvoering, directiewissel en belofte

Het afgelopen jaar stond ook in het teken van het verder versterken van de samenwerking met de veiligheidsregio’s, het Rijk en andere crisispartners. Daarbij is gewerkt aan een scherpere afbakening van de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van het NIPV, zodat rollen, verantwoordelijkheden en verwachtingen nog beter op elkaar aansluiten.

Tot slot droeg Coby Flier per 1 juni het waarnemend algemeen directeurschap over aan Marthyne Kunst. Tijdens de vergadering van vandaag legde Marthyne Kunst ten overstaan van het Algemeen Bestuur de belofte af. Deze werd afgenomen door voorzitter Ton Heerts.

Lees het jaarverslag

Update van het programma

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Dag allen,

We kijken terug op een periode met veel verschillende activiteiten. Van bijeenkomsten voor het project bovenregionale scenario ontwikkeling tot een bijeenkomst voor de weerkamer en de meldkamers bij het KNMI. En we hebben met elkaar aandacht besteed aan Heat Action Day op 2 juni.

Heat Action Day door veiligheidsregio’s.

Campagne Klimaatveiligheid

In de maand mei tot en met Heat Action Day op 2 juni hebben we via verschillende kanalen extra aandacht gevraagd voor het belang van klimaatveiligheid. Door persoonlijke verhalen te delen over wat klimaatveiligheid betekent, door een kennisquiz te lanceren en door in te spelen op Heat Action Day. Onze posts op LinkedIn zijn circa 90.000 bekeken door professionals binnen het veiligheidsdomein, bij relevante ministeries, bij veiligheidsregio’s, waterschappen en andere relevante organisaties. Met functies binnen risicobeheersing of expertise binnen klimaat, weerbaarheid of nationale gezondheid. De klimaatquiz op https://nipv.nl/programma-klimaatveiligheid/klimaatveiligheid/ is circa 1.000 keer gestart waarbij 86% van de vragen goed werd beantwoord. En leverde een flink aantal bezoekers op de campagnepagina op.

Campagne klimaatveiligheid op LinkedIn.

Er werd daarnaast door veel veiligheidsregio’s gehoor gegeven aan de oproep om Heat Action Day te gebruiken om aandacht te vragen voor klimaatveiligheid. Onze aangeleverde content werd door een groot deel van de veiligheidsregio’s geplaatst en gedeeld. Wat een mooi resultaat!

Landelijke uitgangspunten crisisbeheersing

In 2026 hebben we onszelf de uitdaging gesteld om toe te werken naar landelijke uitgangspunten voor de crisisbeheersing van veiligheidsregio’s op hitte, droogte, wateroverlast en overstroming. Waarom? Er zijn nationale crisisplannen, er zijn regionale crisisplannen, alleen precies daartussenin zit nog een leemte. Daarbij is het maken van een bovenregionaal crisisplan niet de optie waar we de meeste potentie zien, want wie is er dan immers van? Wel zien we potentie om te komen tot een aantal landelijke uitgangspunten die door iedere regio opgenomen worden in de eigen crisisplannen. Dan delen we de uitgangspunten en is er regionale ruimte voor eigen aanpak en invulling. Hiervoor zetten we nu de eerste stap. Onder leiding van onderzoekers Marte Luesink en Edith Leentvaar van het lectoraat crisisbeheersing van het NIPV worden kritieke kantelpunten samen met experts vanuit onder andere de veiligheidsregio’s, RIVM, Rode Kruis, waterschappen en KNMI  in kaart te bracht. Dit levert na de zomer al producten op waarvan gebruik gemaakt kan worden. Daarna volgt de verdere uitwerking naar de landelijke uitgangspunten. Daarover later meer.

Nu we alweer in juni 2026 zijn aanbeland, is het ook zaak om te kijken hoe we omgaan met de opbrengsten van het programma en het borgen van de onderdelen van het programma. Denk daarbij aan het hebben van een aanspreekpunt en het verzenden van bijvoorbeeld deze nieuwsbrieven. Dit wordt al besproken in de taskforce klimaatveiligheid en kernteam, maar heb je daar ideeën bij? We horen graag van je!

Heb een hele fijne zomer, tot snel!

Hartelijke groet,

Charlotte van Ruijven

Programmamanager Klimaatveiligheid

Weerkamer, meldkamer en crisisorganisatie versterken samenwerking bij extreem weer

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, juni 2026

Hoe zorgen we ervoor dat meteorologen, meldkamers en crisisorganisaties elkaar snel weten te vinden wanneer extreem weer dreigt? Die vraag stond centraal tijdens een bijeenkomst op 3 juni van het KNMI, veiligheidsregio’s en andere partners. De aanleiding is actueel: Nederland krijgt steeds vaker te maken met weersextremen zoals extreme neerslag, hitte en ijzel. Juist dan zijn goede samenwerking, heldere communicatielijnen en begrip van elkaars rol essentieel.

Code rood, 4 februari 2026.

Van weersverwachting naar handelingsperspectief

Tijdens de bijeenkomst gaf het KNMI een inkijk in de werkwijze van de weerkamer en de ontwikkeling van de waarschuwingssystematiek. Daarbij werd toegelicht hoe waarschuwingen tot stand komen en welke rol impactverwachtingen spelen bij het afgeven van de bekende kleurcodes geel, oranje en rood.

Ook werd aandacht besteed aan het KNMI-risicobeeld, waarmee professionele partners al enkele dagen vooruit inzicht krijgen in mogelijke weersdreigingen. Daarbij werd benadrukt dat de publiekswaarschuwingen slechts een deel van de beschikbare informatie vormen. Via onder meer de wekelijkse afstemming met veiligheidsregio’s en partners wordt vaak al eerder aanvullende informatie gedeeld om organisaties in staat te stellen zich voor te bereiden.

Lessen uit de ijzelsituatie in Noord-Nederland

Vanuit de praktijk deelden twee calamiteitencoördinatoren (CaCo’s) uit Noord-Nederland hun ervaringen tijdens de grootschalige ijzelsituatie van februari 2025. Zij namen de aanwezigen mee in de gebeurtenissen van die nacht, waarin intensief werd afgestemd met het KNMI, KCR2 en Rijkswaterstaat.

De situatie leidde uiteindelijk tot een NL-Alert voor ruim 1,3 miljoen inwoners. De presentatie maakte duidelijk hoe belangrijk het is dat meldkamers weten welke partners betrokken zijn, welke informatie beschikbaar is en via welke lijnen opgeschaald kan worden. Tegelijkertijd bleek dat er nog winst te behalen valt in het onderling bekend zijn met elkaars processen en verantwoordelijkheden.

Waarde van het uitwisselen van perspectieven

Een belangrijke conclusie van de middag was dat het uitwisselen van perspectieven veel oplevert. Meteorologen, meldkamerfunctionarissen en crisisprofessionals kijken vanuit verschillende rollen naar dezelfde situatie. Door die perspectieven samen te brengen ontstaat meer begrip voor elkaars informatiebehoefte en handelingsperspectief.

Deelnemers gaven aan dat het waardevol zou zijn om dit soort bijeenkomsten vaker te organiseren en daarbij recente weersextremen gezamenlijk te analyseren. Ook werd het belang benadrukt van een goede verbinding tussen veiligheidsregio’s, meldkamers, het Veiligheidsinformatie Knooppunt (VIK) en landelijke partners zoals het KNMI en het WIT (Weer Impact Team).

Samen voorbereid op de toekomst

De bijeenkomst onderstreepte dat klimaat- en weerrisico’s vragen om voortdurende samenwerking. Niet alleen tijdens een incident, maar juist ook in de voorbereiding daarop. Door kennis, ervaringen en perspectieven te delen, kunnen weerkamer, meldkamer en crisisorganisatie elkaar beter versterken en gezamenlijk bijdragen aan een veiliger Nederland.