label Fysiek veilige leefomgeving
label Veilige energietransitie

Nieuw: werk deze zomer aan jouw vakbekwaamheid

20 maart 2026

In een periode waarin het doorgaans rustiger is op de werkvloer, organiseert het NIPV tijdens de zomermaanden een reeks verdiepende bijscholingen. Verbeter je vakbekwaamheid als instructeur, Officier van Dienst, Hoofdofficier van Dienst en Adviseur Gevaarlijke Stoffen.

Nieuw: werk deze zomer aan jouw vakbekwaamheid
Foto: NIPV

Waarom bijscholen in de zomer? 

Als opleidingsinstituut willen we graag beter gebruikmaken van de landelijke spreiding van de zomervakanties. Op dit moment volgen we binnen het onderwijs de vakantieperiode van de regio-zuid. De extra weken van de regio’s noord en midden bieden echter ook ruimte om bijscholingen te organiseren. Daarom is het mogelijk om komende zomer een aantal bijscholingen via open inschrijving te volgen.  

Kortom, een periode van minder drukte en meer aandacht. Een mooie kans en ideaal moment dus om te investeren in uw vak, kennis en blijvende vakbekwaamheid. 

Programma

Het zomerprogramma biedt een divers en inspirerend aanbod voor verschillende functies en disciplines binnen het veiligheidsdomein: 

Gun jezelf tijd voor vakmanschap en meld je aan via de opleidingspagina’s.

label Fysiek veilige leefomgeving

College van Commandanten Brandweren Luchthaventerreinen (CCBL) en NIPV versterken samenwerking 

19 maart 2026

Het College van Commandanten Brandweren Luchthaventerreinen (CCBL) en het NIPV werken al jaren nauw samen om het luchthavenbrandweerpersoneel goed op te leiden voor het optreden bij incidenten met vliegtuigen. Beide organisaties hebben samen in kaart gebracht welke wettelijke taken en verantwoordelijkheden hierbij horen, met als doel te komen tot een toekomstbestendige samenwerking. De samenwerking is nu officieel vastgelegd in een overeenkomst tussen beide partijen. De overeenkomst is ondertekend door de Nederlandse Vereniging van Luchthavens (NVL) namens het CCBL.

De samenwerkingsovereenkomst is ondertekend door Anniek Verheijde, Manager Emergency Respons Amsterdam Airport Schiphol namens de NVL, en Coby Flier, directeur Onderzoek en Onderwijs bij het NIPV.

Met het ondertekenen van de overeenkomst kiezen CCBL en het NIPV bewust voor een langdurige samenwerking die gericht is op kwaliteit, innovatie en continuïteit in opleiden en examens. Beide organisaties werken samen aan het realiseren van een onderwijs- en examenstelsel dat niet alleen voldoet aan de huidige eisen, maar ook flexibel inspeelt op toekomstige ontwikkelingen in de luchtvaart en brandveiligheid. 

Continue cyclus van verbetering

Marc Ploegman, decaan operationele brandweeropleidingen bij het NIPV, legt uit waarom deze overeenkomst belangrijk is. “De samenwerking is gebaseerd op een continue cyclus van verbetering: samen blijven we de lesstof en examinering evalueren, verbeteren, actualiseren en verder ontwikkelen. Het CCBL brengt deskundigheid mee over (inter)nationale ontwikkelingen in de luchtvaart en over het optreden van de luchthavenbrandweer. Op basis daarvan bepaalt het CCBL de kerntaken in het kwalificatiedossier voor de verschillende functies. Het NIPV heeft de expertise en het mandaat om examenmateriaal te ontwikkelen, dat wordt opgebouwd vanuit deze kerntaken. Het Bureau Toezicht Examinering en Certificering (TEC) benoemt en traint de examinatoren en zorgt voor accreditatie van de examenobjecten. Deze verantwoordelijkheden zijn nauw met elkaar verbonden en vragen om goede samenwerking, zodat alles regelmatig kan worden bijgewerkt. Door deze samenwerking in een overeenkomst vast te leggen, blijven de investeringen voor alle partijen beheersbaar en blijven de kosten voor opleiding en examinering betaalbaar.” 

Een crashtender van de brandweer Schiphol. Foto: NIPV.    
label Fysiek veilige leefomgeving
label Informatiegestuurde veiligheid

Groen licht voor de brandweer

19 maart 2026

Een brandweervoertuig dat met loeiende sirenes een kruispunt nadert, vraagt om oplettendheid van alle kanten. Projectleider Herman ter Beek van het NIPV werkt aan een systeem dat dat voor iedereen makkelijker maakt. “De stoplichten in de relevante rijrichting gaan op groen. Dat is veiliger voor alle weggebruikers.”

Foto: Ramon Versteeg.

Al 20 veiligheidsregio’s doen mee

Het Talking Traffic-project, uitgevoerd door NIPV in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), is primair bedoeld om binnenstedelijke verkeersstromen te verbeteren. Voor brandweervoertuigen biedt het twee concrete voorzieningen: een groene golf bij intelligente verkeersregelinstallaties (iVRI’s) en een vroege waarschuwing via navigatiemeldingen. Van de 25 brandweerregio’s in Nederland doen er 20 mee. Zij ontvangen ook financiële ondersteuning van IenW voor het aanpassen van het wagenpark. Praktijkproeven in Helmond en Deventer gaan vooraf aan de landelijke uitrol, die dit voorjaar van start gaat.

In een video op LinkedIn vertelt brandweerman en medewerker team incidentbestrijding Ramón Hakvoort (Veiligheidsregio IJsselland) hoe Talking Traffic werkt in de praktijk. Zijn ervaring: “Je kunt sneller en veilig aanrijden. Dat merk je echt.”

Het voertuig praat met het stoplicht

Ieder brandweervoertuig is via de Voertuig Positie Service (VPS) continu zichtbaar voor het systeem. Dat positiesignaal reist via een cloudplatform naar het verkeerslicht op de route naar het incident. “Stoplichten gaan op groen, navigatie waarschuwt andere weggebruikers. Mensen kunnen rustig de rijbaan vrijmaken”, legt Ter Beek uit. Ook met een groene golf blijft eigen oordeel nodig: “Mensen moeten om zich heen blijven kijken.”

Het NIPV beheert het VPS-systeem al langer en heeft inmiddels ook de aanbesteding voor de cloudserviceprovider afgerond. De uitrol vindt regio voor regio plaats. “Bij validatie van de proefgegevens volgt de verdere uitrol”, zegt Ter Beek. “We kijken of de stoplichten inderdaad op groen gaan.”

Slagbomen en bruggen: de volgende stap

Nog niet alle verkeerslichtinstallaties zijn al slim. De komende jaren worden ze aangepast zodat de brandweer uiteindelijk veiliger langs alle verkeerslichten kan rijden. De groene golf is trouwens niet het eindpunt. In een later stadium wil het project ook bollards, slagbomen, toegangshekken, toegangspoorten en bruggen koppelen aan het positiesignaal van brandweervoertuigen. “Op termijn komen er meer mogelijkheden in beeld”, zegt Ter Beek. De techniek daarvoor is nog in ontwikkeling, maar de richting is helder: een infrastructuur die steeds beter meedenkt met de eenheden die haar gebruiken.

label Veilige energietransitie

Veiligheid van gesmolten zoutbatterijen 

17 maart 2026

In het kader van de energietransitie verschuift de energieproductie naar hernieuwbare energieopwekking. De hoeveelheid energie die kan worden opgewekt uit bijvoorbeeld zon en wind is weersafhankelijk. Om schommelingen in vraag en aanbod op te vangen, komen verschillende energieopslagtechnologieën in beeld. Eén daarvan betreft gesmolten zoutbatterijen. Deze technologie biedt nieuwe kansen voor energieopslag, maar heeft ook specifieke aandachtspunten voor een veilig gebruik. 

Groene kristallen van nikkelchloride. Foto: Schutterstock.

Alternatief voor lithium-ion batterijen 

Elektrochemische gesmolten zoutbatterijen bestaan al geruime tijd. Maar door de energietransitie en hun specifieke eigenschappen krijgen ze hernieuwde aandacht als alternatief voor lithium-ion batterijen. Tegelijkertijd brengen ze andersoortige veiligheidsrisico’s met zich mee.  

Het NIPV heeft daarom onderzocht welke typen gesmolten zoutbatterijen beschikbaar zijn, hoe ze werken en wat ze betekenen voor de veiligheid. Uit het onderzoek blijkt dat er in Nederland momenteel twee categorieën commercieel beschikbaar zijn: 

  1. Elektrochemische gesmolten zoutbatterijen 
    Deze worden ingezet voor elektriciteitsopslag. Ze werken bij hoge temperaturen, waarbij de elektrolyt uit gesmolten zout bestaat. 
  1. Warmtebatterijen op basis van gesmolten zout 
    Dit zijn thermische opslagsystemen waarbij gesmolten zout wordt gebruikt als warmteopslagmedium. De opgeslagen warmte kan later weer worden benut voor industriële processen of energievoorziening. 

Thermal runaway niet van toepassing, maar wél andere risico’s 

Een belangrijk verschil met lithium-ion batterijen is dat het bekende faalmechanisme, thermal runaway, bij gesmolten zoutbatterijen niet van toepassing is.  Een interne kortsluiting leidt namelijk niet tot een zichzelf versterkend reactieproces. Bij incidenten met gesmolten zoutbatterijen wordt géén grootschalige (toxische) rook- of gasvorming verwacht, in tegenstelling tot scenario’s met lithium-ion batterijen. 

Dat betekent echter niet dat deze systemen geheel zonder risico zijn. De belangrijkste risico’s zijn: 

  • Lekkage van zeer heet gesmolten zout door thermische spanningen of corrosie. 
  • Contact tussen heet zout en (koel)water kan leiden tot een thermische schok. Het zout kan plotseling stollen en enkele meters opspatten, terwijl het nog zeer heet is.
  • Zeer heet gesmolten zout kan voor branden in de omgeving zorgen 
  • Letsel door aanraking, met name brandwonden

Herkenning en interpretatie tijdens een incident 

Het onderzoek richtte zich op het verkrijgen van inzicht in de technologie en de bijbehorende veiligheidsaspecten. We hebben relevante aandachtspunten in het onderzoek benoemd die van belang zijn voor de incidentbestrijding: 

  1. Hoge warmtebeeldwaarden zijn bij dit type systeem vaak ‘normaal’ tijdens het reguliere gebruik en vormen, anders dan bij lithium-ion, geen directe indicatie van een gevaarlijke situatie of thermal runaway.
  2. Voorkom contact tussen water en heet gesmolten zout.
  3. Houd rekening met mogelijke lekkage van uiterst heet gesmolten zout en secundaire branden in de omgeving.
  4. Aanraking met gesmolten zout of hete onderdelen kan brandwonden veroorzaken.
  5. De bestrijding richt zich primair op uitschakelen van het systeem (door of onder regie van de operator), zodat het zout gecontroleerd kan afkoelen en stollen.

Lees het rapport

label Informatiegestuurde veiligheid

Positieve ervaringen met NL-Alert tijdens drukke jaarwisseling

12 maart 2026

Het NIPV heeft in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid onderzoek gedaan naar de ervaringen van burgers met het NL-Alert-bericht tijdens de jaarwisseling 2025-2026. Aanleiding voor het NL-Alert-bericht was de extreme drukte op de meldkamer (112).

NL-Alert-melding tijdens de jaarwisseling. Foto: ANP.

Onderzoek inzet NL-Alert tijdens jaarwisseling 2025-2026

Het doel van het onderzoek was om inzicht te krijgen in hoe mensen deze inzet van NL-Alert hebben ervaren en in hoeverre zij hun gedrag hierop hebben aangepast. De centrale onderzoeksvraag luidde: wat zijn de ervaringen van mensen met de inzet van NL-Alert tijdens de jaarwisseling vanwege de extreme drukte op de meldkamer (112)? Daarbij is gekeken naar de waardering van het bericht, de duidelijkheid van de informatie en het handelingsperspectief voor burgers.

Groot bereik en positieve waardering

Uit het onderzoek blijkt dat 92 procent van de respondenten op de hoogte was van de NL-Alert die tijdens de jaarwisseling 2025-2026 werd verstuurd. De inzet van NL-Alert werd over het algemeen positief beoordeeld. Respondenten zagen het nut en de noodzaak van het bericht in en waardeerden het moment waarop de NL-Alert werd ontvangen. Ook de preventieve inzet, gericht op het ontlasten van de meldkamer, werd als passend ervaren.

Duidelijkheid van informatie verbeteren

Onder respondenten was meer verdeeldheid over de vraag of het duidelijk was door het NL-Alert-bericht waar nadere informatie gevonden kon worden. Voor de helft van de respondenten was dit duidelijk. Daarnaast gaven meerdere respondenten aan dat het niet altijd even duidelijk was welke hulpdiensten in welke situatie dan wél gebeld moesten worden.

Effect op gedrag van burgers

Bijna een derde van de respondenten informeerde na ontvangst van de NL-Alert anderen, vooral gezinsleden en familieleden. Slechts een kleine groep respondenten bevond zich tijdens de jaarwisseling in een situatie waarin zij overwogen de hulpdiensten te bellen. Van deze groep gaf 80 procent aan dat de NL-Alert invloed had op die afweging.

Conclusie

NL-Alert wordt normaal gesproken ingezet bij crisissituaties die om direct handelen vragen, een fysieke bedreiging vormen of mogelijk voor grote maatschappelijke onrust of ontwrichting zorgen. Dit onderzoek laat zien dat mensen positief reageren op een NL-Alert die meer preventief wordt ingezet. Desondanks moet NL-Alert (vooral) een alarmmiddel blijven voor echte acute noodsituaties. Door actiever in te zetten op risicocommunicatie, kan mogelijk voorkomen worden dat NL-Alert in dergelijke situaties ingezet moet worden.  De informatievoorziening kan verbeterd worden door duidelijkheid te scheppen wanneer welk nummer van de hulpdiensten (112, niet-spoednummer of helemaal niet bellen) voor welke calamiteit gebeld mag worden.

Lees het rapport

label Fysiek veilige leefomgeving

De voorbereiding van Seveso-inrichtingen op een grootschalige en langdurige stroomuitval

12 maart 2026

Een Seveso-inrichting is een bedrijf waar een (grote hoeveelheid) gevaarlijke stof aanwezig is, mag zijn of kan ontstaan. Bij een grootschalige en langdurige stroomuitval komen ook Seveso-inrichtingen voor continuïteitsuitdagingen te staan. In opdracht van het LEC Industriële Veiligheid heeft het NIPV onderzocht welke maatregelen Seveso-inrichtingen al hebben genomen ter voorbereiding op een dergelijke stroomuitval. En met welke generieke maatregelen zij zich aanvullend kunnen voorbereiden.

Hoogspanningsmasten in de Eemshaven
Foto: ANP.

Onderzoeksmethode

Het onderzoek bestond uit interviews, een uitgebreide vragenlijst en een interactieve werksessie met experts van industrie, veiligheidsregio’s en netbeheerders. In het onderzoek wordt onder een grootschalige en langdurige stroomuitval verstaan: een stroomuitval in een groter gebied (meer dan één veiligheidsregio betrokken) over een periode van 72 uur.

Belangrijkste bevindingen

  • De beschikbaarheid van diesel is essentieel voor nood(stroom)voorzieningen. Dieselvoorraden zijn soms beperkt, en er wordt lang niet altijd rekening mee gehouden dat mogelijke dieselleveranciers niet bereikbaar zijn tijdens een grootschalige en langdurige stroomuitval.
  • Veel meld-, blus- en veiligheidssystemen werken beperkt of niet gedurende 72 uur zonder reguliere stroomvoorziening.
  • De meeste inrichtingen hebben geen werknemersprotocol dat voorziet in afspraken over personele inzet, bereikbaarheid en communicatie voor een periode van 72 uur zonder reguliere stroomvoorziening.

Generieke maatregelen ter voorbereiding op grootschalige en langdurige stroomuitval

In de interactieve werksessie zijn de deelnemers tot een lijst met generieke maatregelen gekomen die kunnen bijdragen aan de voorbereiding op een grootschalige en langdurige stroomuitval. Hierbij is er onderscheid gemaakt tussen maatregelen voor drie fasen.

Maatregelen die:

  • nu al kunnen worden genomen (preparatiefase)
  • kunnen worden genomen op het moment dat de stroom uitvalt (acute fase)
  • kunnen worden genomen op het moment dat de inrichting na stroomuitval haar chemische processen onder controle heeft (gecontroleerde fase).

Tot slot

Seveso-inrichtingen kunnen het onderzoeksrapport gebruiken om hun voorbereiding op een grootschalige en langdurige stroomuitval zelf te toetsen. En daar waar nodig op basis van deze nieuwe inzichten aan te passen.

Lees het rapport

De voorbereiding van Seveso-inrichtingen op een grootschalige en langdurige stroomuitval

12 maart 2026

Bij een grootschalige en langdurige stroomuitval komen ook Seveso-inrichtingen voor continuïteitsuitdagingen te staan. In opdracht van het LEC Industriële Veiligheid heeft het NIPV onderzocht welke maatregelen Seveso-inrichtingen al hebben genomen ter voorbereiding op een dergelijke stroomuitval. En met welke generieke maatregelen zij zich aanvullend kunnen voorbereiden.

Hoogspanningsmasten in de Eemshaven
Foto: ANP.

Onderzoeksmethode

Het onderzoek bestond uit interviews, een uitgebreide vragenlijst en een interactieve werksessie met experts van industrie, veiligheidsregio’s en netbeheerders. In het onderzoek wordt onder een grootschalige en langdurige stroomuitval verstaan: een stroomuitval in een groter gebied (meer dan één veiligheidsregio betrokken) over een periode van 72 uur.

Belangrijkste bevindingen

  • De beschikbaarheid van diesel is essentieel voor nood(stroom)voorzieningen. Dieselvoorraden zijn soms beperkt, en er wordt lang niet altijd rekening mee gehouden dat mogelijke dieselleveranciers niet bereikbaar zijn tijdens een grootschalige en langdurige stroomuitval.
  • Veel meld-, blus- en veiligheidssystemen werken beperkt of niet gedurende 72 uur zonder reguliere stroomvoorziening.
  • De meeste inrichtingen hebben geen werknemersprotocol dat voorziet in afspraken over personele inzet, bereikbaarheid en communicatie voor een periode van 72 uur zonder reguliere stroomvoorziening.

Generieke maatregelen ter voorbereiding op grootschalige en langdurige stroomuitval

In de interactieve werksessie zijn de deelnemers tot een lijst met generieke maatregelen gekomen die kunnen bijdragen aan de voorbereiding op een grootschalige en langdurige stroomuitval. Hierbij is er onderscheid gemaakt tussen maatregelen voor drie fasen.

Maatregelen die:

  • nu al kunnen worden genomen (preparatiefase)
  • kunnen worden genomen op het moment dat de stroom uitvalt (acute fase)
  • kunnen worden genomen op het moment dat de inrichting na stroomuitval haar chemische processen onder controle heeft (gecontroleerde fase).

Tot slot

Seveso-inrichtingen kunnen het onderzoeksrapport gebruiken om hun voorbereiding op een grootschalige en langdurige stroomuitval zelf te toetsen. En daar waar nodig op basis van deze nieuwe inzichten aan te passen.

Lees het rapport


label Fysiek veilige leefomgeving
label Klimaatadaptatie

Landelijke aanpak natuurbrandbestrijding: samen sterker dan 25 regio’s apart

11 maart 2026

De Nederlandse brandweer heeft de afgelopen jaren veel kennis en ervaring opgebouwd rondom natuurbrandbestrijding. “Maar die kennis werkt alleen als regio’s ook écht samen kunnen optreden bij grote of gelijktijdige natuurbranden. Lokaal wat kan, landelijk wat moet”, zegt Olav Strotmann. De Vakraad Incidentbestrijding van de RCDV en het NIPV organiseerden op 4 maart samen de Natuurbranddialoog 2026. Dagvoorzitter Strotmann blikt terug.

Progressive hose laying in Galicië, Spanje. Foto: Sam de Joode.

Al veel geleerd van het verleden

Strotmann is portefeuillehouder natuurbrandbestrijding en voorzitter van de Vakraad Incidentbestrijding, het landelijke gremium dat besluiten neemt over samenwerking en projecten op het gebied van incidentbestrijding. Zijn portefeuille gaat specifiek over hoe we een natuurbrand bestrijden. De Natuurbranddialoog ziet Strotmann als startpunt voor een landelijke aanpak en actie op repressief gebied. “Maar er zit al heel veel voorwerk aan vast. Op heel veel plekken is al iets gedaan op het gebied van natuurbrandbestrijding.”

Meedraaien in Galicië

Voor een belangrijk voorbeeld gaan we terug naar de zomer van 2025. Veertig Nederlandse brandweerlieden gingen in twee groepen naar Spanje, als onderdeel van het prepositioning-programma van de Europese Commissie. Ze draaiden mee met de lokale brandweer in de regio Galicië en werden ingezet bij echte natuurbranden.

Ze leerden bijvoorbeeld:

  • werken met handgereedschap om vegetatie voor de brand weg te halen
  • vuur inzetten om vuur te bestrijden en zo verdere uitbreiding te stoppen
  • hoe je grote branden benadert vanuit meerdere posities tegelijk.

Strotmann ziet wel een aandachtspunt. “Veel regio’s hebben meegewerkt aan die ervaringen, veel professionals zijn teruggekeerd naar hun eigen regio. En dan bestaat het risico dat het net anders doorontwikkeld wordt. Prima, tot het moment dat je moet samenwerken.”

Dit gaat niet over alles hetzelfde doen

Een landelijke aanpak betekent niet dat alles overal hetzelfde moet worden, benadrukt Strotmann. “Alle regio’s hebben hun eigen voertuigen, hun eigen manier van werken en die is allemaal heel goed toepasbaar op de eigen situatie”, zegt hij. Nederland heeft bijvoorbeeld duinen, bos en veengebied. Elk gebied vraagt om een andere aanpak. “Elke regio maakt haar eigen keuzes, koopt eigen materieel en traint op haar eigen manier. En dat moet zo blijven.”

In elkaar ritsen

Waar het wel om gaat volgens Strotmann, zijn gemeenschappelijke uitgangspunten waar elke regio op kan voortbouwen. Geen blauwdruk, maar afspraken die in elkaar kunnen ritsen als het aankomt op samenwerken.

“Als er een grote duinbrand bij Wassenaar is en een regio uit Brabant komt voor assistentie, dan is het belangrijk dat die dezelfde procedures hanteert, dezelfde veiligheidsafspraken”, legt Strotmann uit. “Want dat moment komt. En dan moet het gewoon werken.”

Wat er misgaat als slangen niet op elkaar passen

Neem progressive hose laying, het aanleggen van een slangenlijn over grote afstanden om water naar een brand te brengen. “Ze leerden het in Spanje en Veiligheidsregio Noord-Holland-Noord is er al volop mee bezig. Maar als een regio die bijstand verleent een andere slangdiameter gebruikt, sluiten de slangen simpelweg niet op elkaar aan. Wat doe je dan?”

Handgereedschap aanvullen

In Spanje leerden de brandweerlieden ook meer te voet natuurbranden bestrijden. Nederland heeft al twee handcrews die specialistisch natuurbranden bestrijden, Handcrew Overijssel en Handcrew Zuid. Strotmann: “Dit zijn zware eenheden van twintig man die langdurig en autonoom kunnen worden ingezet bij grote branden. Voor een klein land is dat al meer dan voldoende”, zegt Strotmann.

De toekomst zit hem volgens Strotmann niet in het oprichten van nieuwe zware eenheden, maar in het slimmer uitrusten van bestaande eenheden. “Door te leren werken met handgereedschap om brandstof weg te halen en brandgangen te maken, breid je de gereedschapskist uit en maak je slim gebruik van handgereedschappen. Beter is het om aan de voorkant goede afspraken hierover te maken.”

Weten waar iedereen is als het vuurfront draait

Veilig en schaalbaar werken zijn de belangrijkste punten waar Strotmann afspraken over wil maken. Bij de prepositioning in Spanje werkten Nederlandse teams samen met tientallen luchteenheden en handcrews in een groot gebied. “Als organisatie wil je informatie hebben van alle ingezette eenheden, en dat ze allemaal vanuit hetzelfde operationele beeld werken, zodat de opschaling snel en effectief kan verlopen.”

Een vluchtroute is geen luxe

Ook op het gebied van veilig werken valt nog veel te winnen. Natuurbranden gedragen zich anders dan brandweermensen gewend zijn. De brand bij de Edese heide liet dat zien. “Dan moet je je veiligheidsprincipes goed hebben”, zegt Strotmann.
Het netwerk Natuurbrandbeheersing heeft al uitgesproken het internationale LACES-principe te willen gebruiken, waarbij altijd een veilige vluchtroute en een veilige plek beschikbaar moeten zijn. “Dat kan een non-negotiable worden, voor elke regio, bij elke inzet.”

Strakke kaders, maar niet van bovenaf opgelegd

Lessen uit het verleden wil Strotmann nu gebruiken om landelijk strakke kaders af te spreken. “Alles wat in het verleden is gebeurd, was nodig en goed om te staan waar we nu staan. Maar het verleden verplicht ons ook om het nu beter te doen.” De ambitie is helder: een brandweer die weet hoe natuurbranden te bestrijden. Die dat schaalbaar is, veilig opereert en regio’s ondersteunt in plaats van oplegt.

De actiepunten liggen er, nu aan de slag

Tijdens de Natuurbranddialoog werkten zo’n 160 deelnemers aan een landelijke aanpak voor natuurbrandbestrijding. Dat deden zij onder meer in workshops over techniek, tactiek, operationele informatie en veiligheid. Elke workshop kwam tot 4 actiepunten die nu in het landelijke domein verder worden opgepakt. Alle deelnemers krijgen een terugkoppeling over de verdere aanpak. “Andere collega’s informeren we graag via kanalen zoals dit”, sluit Strotmann af.

Marthyne Kunst nieuwe algemeen directeur NIPV

10 maart 2026

Het Dagelijks Bestuur van het NIPV heeft Marthyne Kunst benoemd tot algemeen directeur van het instituut. Zij zal per 1 juni aan deze nieuwe uitdaging beginnen.

Marthyne Kunst
Marthyne Kunst.

Kunst is geen onbekende in het veiligheidsdomein. Ze werkte zo’n tien jaar als advocaat bij een middelgroot advocatenkantoor en maakte in 1999 de overstap naar het Openbaar Ministerie. Daar startte zij als officier van justitie. Al snel vervulde zij leidinggevende functies, waaronder de laatste zes jaar die van hoofdofficier van het arrondissement Oost-Nederland.

Zelf ziet ze uit naar de wereld van publieke veiligheid: “Met heel veel plezier heb ik mij jarenlang aan de strafrechtkant ingezet voor een veilige en rechtvaardige samenleving. Ik vind het eervol en uitdagend om straks als directeur van het NIPV op een andere manier een bijdrage te mogen leveren aan een veilige en weerbare samenleving.”

Verdere intensivering van de samenwerking binnen ons stelsel

Ton Heerts, voorzitter van het Dagelijks Bestuur van het NIPV: “In vele opzichten zijn wij verheugd met deze aanstelling. Haar profiel past bij waar wij als publiek kennisinstituut voor staan: hoogwaardig én betrouwbaar. Bovendien vraagt de toenemende complexiteit van de veiligheidsopgaven om verdere intensivering van de samenwerking binnen ons stelsel. Marthyne heeft aangetoond verbindend en samenwerkingsgericht te zijn en is ervaren in complexe bestuurlijke krachtenvelden. Ik kijk ernaar uit om onder haar leiding de komende jaren verder te bouwen aan een gezamenlijke koers voor het instituut, waarin expertise, collectiviteit en samenwerking elkaar versterken.

Heerts vervolgt: “Ook dank ik Coby Flier, directeur Onderzoek en Onderwijs, voor haar tijdelijke waarneming van het algemeen directeurschap in de afgelopen maanden, die zij nog tot 1 juni voortzet. Dit heeft ons de mogelijkheid geboden het wervings- en selectieproces zorgvuldig te laten verlopen.”

label Maatschappelijke veerkracht

Inzichten tijdens pril stadium: vier belangrijke dilemma’s rond noodsteunpunten

10 maart 2026

De overheid werkt aan een landelijk netwerk van noodsteunpunten om de maatschappelijke weerbaarheid bij crises te versterken. In een snelle kennismobilisatie brengt het NIPV de belangrijkste vragen en dilemma’s rond deze ontwikkeling in kaart.

Verzamelplaatsbord. Foto: Shutterstock.

Noodsteunpunten nog in ontwikkeling

Noodsteunpunten kunnen fungeren als plekken die worden ingericht door gemeenten met als hoofdfunctie het bieden van hulp aan inwoners tijdens crises. De ontwikkeling van noodsteunpunten bevindt zich nog in een pril stadium; er is nog veel onduidelijk over hun precieze rol, vorm en toegevoegde waarde. In de kennismobilisatie onderzocht het NIPV op basis van een beknopt document- en literatuurstudie en interviews hoe betrokkenen momenteel naar de ontwikkelingen rond noodsteunpunten kijken. Het onderzoek werd uitgevoerd tussen oktober 2025 en februari 2026.

Vijf belangrijke vragen

Het rapport laat zien dat er nog veel open vragen zijn over de rol en inrichting van noodsteunpunten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de zogenoemde vijf W’s:

  • Waarom: op welke specifieke vraag bieden noodsteunpunten een antwoord binnen de bredere weerbaarheidsopgave?
  • Wat: in welke behoeften van inwoners moeten noodsteunpunten voorzien?
  • Waar: op welke locaties functioneren noodsteunpunten het best – vast, mobiel of digitaal?
  • Wie: wie bemenst de noodsteunpunten: ambtenaren, professionele hulpverleners, vrijwilligers, maatschappelijke organisaties of een combinatie daarvan?
  • Wanneer: in welke typen crises en op welk moment worden noodsteunpunten ingezet?

De pilotfase biedt volgens het NIPV de mogelijkheid om met verschillende varianten te experimenteren en zo beter te begrijpen wat in de praktijk werkt.

Vier dilemma’s

Naast deze vragen signaleert het rapport vier belangrijke dilemma’s in het gesprek over noodsteunpunten:

  1. Top-down versus bottom-up: hoe verhoudt een landelijke structuur zich tot lokale initiatieven van inwoners en organisaties?
  2. Anticipatie versus veerkracht: moet vooral vooraf worden geïnvesteerd in maatregelen, of kan tijdens crises worden voortgebouwd op bestaande veerkracht in de samenleving?
  3. Uniformiteit versus pluriformiteit: moeten noodsteunpunten overal hetzelfde zijn, of juist worden aangepast aan lokale omstandigheden?
  4. Knooppunt versus verzamelpunt: zijn noodsteunpunten vooral bedoeld als informatiepunt of ook als ontmoetingsplek voor inwoners die hulp zoeken?

De dilemma’s laten zien welke vragen nog openstaan, waarbij voor elke mogelijke antwoordrichting goede argumenten te vinden zijn.

Proces draagt bij aan weerbaarheid

Volgens de onderzoekers van het NIPV kan het ontwikkelproces rond noodsteunpunten zelf al bijdragen aan maatschappelijke weerbaarheid. Gemeenten en veiligheidsregio’s gaan in gesprek met inwoners, betrekken mensen in een kwetsbare positie en werken aan gedeeld risicobewustzijn en verantwoordelijkheidsgevoel. Ook als noodsteunpunten uiteindelijk weinig worden ingezet, kan dit proces de relatie tussen overheid en samenleving versterken. Daar hebben we niet alleen in een crisis iets aan, maar ook in het alledaagse.  

Vervolg

Het NIPV blijft de ontwikkelingen in opdracht van de landelijke projectorganisatie voor de pilots met noodsteunpunten in 2026 volgen met aanvullende snelle kennismobilisaties.

De pilotfase biedt gemeenten en veiligheidsregio’s de ruimte om met verschillende varianten te experimenteren en daarvan te leren. De inzichten uit deze pilots en het vervolgonderzoek van het NIPV moeten de komende jaren duidelijk maken hoe noodsteunpunten het best kunnen worden ingericht en hoe zij inwoners tijdens crises kunnen ondersteunen.

Lees het rapport