label Maatschappelijke veerkracht

Congres Crisisbeheersing 2026 in teken van samenwerking met de samenleving

20 mei 2026

Op 20 mei kwamen in Spant in Bussum meer dan 500 professionals samen voor het landelijk Congres Crisisbeheersing: crisisbeheersing voor en met de samenleving. Met ruim twintig deelsessies stond het congres in het teken van de samenwerking tussen crisisorganisaties en de maatschappij.

Burgemeester Anja Schouten en dagvoorzitter Daniëlle Steffens.

Tijdens de dag werd gesproken over de verwachtingen van inwoners tijdens crises en de vraag hoe overheden, hulpdiensten en maatschappelijke partners inwoners beter kunnen bereiken en betrekken. Keynote sprekers Anja Schouten, burgemeester van Alkmaar, Anja Schouten, en Daan Roovers, voormalig Denker des Vaderlands en lid van de Eerste Kamer, startten het plenaire gedeelte van het congres.

Kiezen we voor efficiëntie of voor veerkracht?

Zo begon Roovers met een reflectie op bestuurlijke logica. Volgens haar is Nederland sterk gericht op efficiëntie: hoe efficiënter processen worden ingericht, hoe beter dat doorgaans wordt gevonden. In de relatie tussen overheid en samenleving schiet die logica echter tekort. Ze ging in op de paradox van efficiëntie en stelde daarbij de vraag centraal: kiezen we voor efficiëntie of voor veerkracht?

Eerste Impact Award Crisisbeheersing

Tijdens het congres werd voor het eerst de Impact Award Crisisbeheersing uitgereikt. Deze prijs is een initiatief van het NIPV, het ministerie van Justitie en Veiligheid en de Vakraad Risico- en Crisisbeheersing van de RCDV (Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio).

Met deze award wordt jaarlijks aandacht gevraagd voor inspirerende initiatieven binnen het brede domein van crisisbeheersing. Elk jaar zal de award aansluiten bij het overkoepelende thema van het Congres Crisisbeheersing van dat jaar.

Dit jaar waren 3 initiatieven genomineerd waarin burgerparticipatie en maatschappelijke betrokkenheid centraal staan. De award ging naar het burgerinitiatief ‘Praat met je straat’: een lokaal initiatief dat buurtbewoners met elkaar in gesprek wil brengen over weerbaarheid, vertrouwen en samenredzaamheid in de wijk. Het initiatief kreeg onder meer vorm in het Ludenkwartier in Doorn, waar bewoners samen activiteiten organiseren rondom crisisvoorbereiding, buurtverbinding en maatschappelijke weerbaarheid.

De winnaars van de eerste Impact Award Crisisbeheersing.

Koninklijke onderscheiding voor Menno van Duin

Een bijzonder moment tijdens het congres was de uitreiking van een koninklijke onderscheiding aan lector Crisisbeheersing Menno van Duin. Hij werd benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau voor zijn jarenlange bijdrage aan crisisbeheersing en rampenbestrijding in Nederland.

Han ter Heegde, burgemeester van Gooise Meren, reikte de onderscheiding uit. Van Duin geldt als één van de grondleggers van het congres en speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van het vakgebied crisisbeheersing, onder meer als lector Crisisbeheersing en auteur van diverse standaardwerken en evaluatiemethoden.

Menno van Duin ontvangt Koninklijke Onderscheiding
Han ter Heegde en Menno van Duin.

Menno van Duin benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau

20 mei 2026

Lector Crisisbeheersing Menno van Duin is benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De onderscheiding werd op 20 mei uitgereikt tijdens het jaarlijkse Congres Crisisbeheersing, waarvan Van Duin één van de grondleggers is. Han ter Heegde, burgemeester van Gooise Meren, speldde hem de bijbehorende versierselen op.

Menno van Duin ontvangt Koninklijke Onderscheiding
Han ter Heegde en Menno van Duin.

Eerbetoon voor jarenlange inzet

Met de onderscheiding wordt Van Duin geëerd voor zijn uitzonderlijke bijdrage aan de ontwikkeling van crisisbeheersing en rampenbestrijding in Nederland. Gedurende meer dan 40 jaar zette hij zich in voor de versterking van het vakgebied, zowel in wetenschap, onderwijs als praktijk.

Belangrijke bijdrage aan crisisbeheersing

Van Duin begon zijn loopbaan in de jaren tachtig aan de Rijksuniversiteit Leiden en promoveerde in 1992 op het proefschrift ‘Van rampen leren’. Zijn onderzoek vormde een belangrijk fundament voor de verdere professionalisering van crisisbeheersing in Nederland. Na een aantal jaren werkzaam te zijn geweest bij het COT, Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement, trad hij in1995 in dienst bij het Nibra, één van de voorlopers van het huidige NIPV.

In 2010 werd Van Duin benoemd als eerste lector van het gezamenlijke lectoraat Crisisbeheersing van het toenmalige NIFV en de Politieacademie. Als lector Crisisbeheersing speelde Van Duin een belangrijke rol in het verbinden van onderzoek, onderwijs en praktijk. Hij stond bovendien aan de basis van de jaarlijkse reeks ‘Lessen uit crises en mini-crises’ en was medeauteur van het ‘Basisboek Crisisbeheersing’, dat geldt als standaardwerk binnen het vakgebied.

Opleider en innovator

Naast zijn onderzoek leverde Van Duin een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van crisisprofessionals. Als decaan van de Master of Crisis and Public Order Management (MCPM) begeleidde en inspireerde hij generaties bestuurders, onderzoekers en crisisfunctionarissen.
Ook ontwikkelde hij vernieuwende evaluatiemethoden, waaronder de zogenoemde dilemma-methodiek. Deze methode wordt inmiddels breed toegepast binnen evaluaties en beleidsanalyses in de crisisbeheersing.

Maatschappelijke betrokkenheid

Naast zijn werkzaamheden in het veiligheidsdomein vervulde Van Duin diverse maatschappelijke en bestuurlijke nevenfuncties. Zo was hij gemeenteraadslid in zijn woonplaats Capelle aan den IJssel, lid van de Rekenkamercommissie Lopik en actief binnen verschillende redactieraden en wetenschappelijke tijdschriften op het gebied van veiligheid en crisismanagement.

Op 12 mei jl. bereikte Van Duin de pensioengerechtigde leeftijd. Op 26 juni a.s. neemt hij afscheid van het NIPV.

label Fysiek veilige leefomgeving
label Klimaatadaptatie

Natuurbrandveiligheid: de overgangszone tussen vegetatie en bebouwing

20 mei 2026

Door klimaatverandering en intensief ruimtegebruik veranderen de natuurbrandrisico’s in Nederland en neemt de kans op (gelijktijdige) branden met directe impact op de samenleving toe. De natuurbranden van een paar weken geleden laten dit zien. Omdat natuur, bebouwing en mensen dicht op elkaar zitten, kan een brand makkelijk overslaan van vegetatie naar bebouwing, en omgekeerd. Het NIPV onderzoekt daarom de overgangszone tussen vegetatie en bebouwing: om welke gebieden gaat het en welke maatregelen zijn daar mogelijk?

Bovenaanzicht stad, huizen en vegetatie eromheen
Foto: NIPV.

35 experts hebben meegedacht

Als eerste is in het onderzoek gekeken naar een Nederlandse benaming, definitie en kaartmethodiek voor de overgangszone, in het Engels Wildland-Urban Interface (WUI) genoemd. Zo’n 35 experts, afkomstig van veiligheidsregio’s, terreinbeheer, overheid en onderzoek, hebben hierover meegedacht. In drie rondes zijn ideeën verzameld, geprioriteerd en aangescherpt tot breed gedragen conclusies.

De belangrijkste afspraken

  • Er is gekozen voor de term ‘vegetatie-bebouwingsovergangszone (VBO)’. Dit past goed bij de Nederlandse context, waar geen wildernis in de klassieke zin van het woord is.
  • Er is consensus onder de experts over een definitie die aansluit bij de Nederlandse realiteit van verweven functies.
  • Om de overgangszones in ons land in kaart te brengen wordt een combinatie van 3 internationale methoden gebruikt.
  • Om mogelijke overgangszones te bepalen wordt gekeken naar vegetatievlekken van minimaal 1 hectare groot en een buffer van 200 meter rondom de vegetatie.

Impact van natuurbranden zo klein mogelijk houden

Lieuwe de Witte, lector Brandveiligheidskunde: “Dit document zet een eerste stap in het zichtbaar maken van de overgangszones tussen vegetatie en bebouwing in ons land. Kennis hierover is niet alleen essentieel voor gemeenten, provincies, brandweer en natuur- en terreinbeheerders, maar ook voor bewoners. De kennis helpt overheden en beheerders bij het maken van risicobeoordelingen, ruimtelijke keuzes, natuurbeheer en operationele voorbereidingen. Met als uiteindelijk doel de impact van natuurbranden op mens, gebouwen en natuur zo klein mogelijk te houden.”

Vervolgonderzoek

De onderzoekers brengen momenteel in kaart waar in ons land vegetatie-bebouwingsovergangszones zijn. Op basis hiervan kunnen maatregelen en richtlijnen voor deze zones worden opgesteld.


Definitie van de vegetatie-bebouwingsovergangszone (VBO)

De overgangszone waar vegetatie direct grenst aan, of verweven is met, bebouwing, infrastructuur of andere menselijke functies zoals wonen, werken of recreatie. Waardoor er een verhoogde blootstelling aan en kwetsbaarheid voor de impact van vegetatiebranden bestaan.


Onderwijs Onderweg naar nieuwe fase: van praten naar doen 

18 mei 2026

Het programma Onderwijs Onderweg begon als een zoektocht naar wat er precies niet klopte in het onderwijs voor brandweer- en crisisprofessionals. Inmiddels ligt er een gedeelde visie en een stevig fundament voor verandering.  

Frans Schippers.

Al doende leren en samen bouwen 

“We zijn al lerende gaan doen”, vertelt Frans Schippers, voormalig programmadirecteur van Onderwijs Onderweg die recent afscheid heeft genomen. “Daarbij hebben we nadrukkelijk gebruikgemaakt van de deskundigheid van de mensen die het werk uiteindelijk moeten uitvoeren zoals manschappen, crisisbestrijders, leidinggevenden en operationeel leiders. Ook aan de onderwijskant hebben we dat gedaan. De visie is dus niet achter een bureau bedacht, maar samen met onderwijskundigen ontwikkeld. Om iedereen mee te nemen, hebben we gewerkt in etappes. Steeds keken we terug: wat hebben we gedaan? En vooruit: wat staat er nog te gebeuren? Zo gingen we stap voor stap verder, terwijl we onderweg steeds afstemden of we nog dezelfde bestemming voor ogen hadden, of moesten bijsturen.” 

Wat er in beweging is gekomen 

“Het belangrijkste is dat vakraden en opleidingsinstituten zich bewuster zijn geworden van hun eigen rol. Voorheen werd er vaak voor elkaar gedacht en dat pakte niet altijd goed uit. Nu is iedereen beter in staat om bij de eigen verantwoordelijkheid te blijven. Daarnaast is er inmiddels een gedeeld beeld van hoe het onderwijsstelsel idealiter zou moeten werken. Er ligt een gezamenlijke onderwijsvisie, zowel voor het NIPV als voor de regionale opleidingsinstituten. Ook hebben we inzicht gekregen in de financiën. Daarmee ligt er een stevig fundament. De volgende stap is om alles daadwerkelijk in te regelen.” 

Trots op wat er staat 

“Ik ben trots op mijn team, dat echt sterk werk heeft geleverd. Maar ook op het NIPV, dat heeft erkend dat dingen anders moesten en die zoektocht is aangegaan. En hetzelfde geldt voor de veiligheidsregio’s. Zij hebben laten zien dat ze bereid zijn om anders te kijken naar hun rol en soms ook iets los te laten.” 

De volgende stap: van denken naar doen 

“Nu begint het echte werk. Alles wat we hebben bedacht, moet worden uitgevoerd en geborgd in regelgeving, zodat helder is wie waarvoor verantwoordelijk is. Daarnaast moeten we het stelsel steeds goed blijven uitleggen. En we hebben nog een opgave in het verder inzichtelijk maken van de financiële kant: hoe lopen de geldstromen en hoe kunnen we die vereenvoudigen ten gunste van beter onderwijs?” 

Wat levert het op? 

“Als dit programma slaagt, profiteren heel veel mensen daarvan. Dan hebben we ons onderwijs beter georganiseerd, en vooral professioneler gemaakt. Brandweer- en crisisprofessionals kunnen dan opleidingen volgen die echt aansluiten bij hun praktijk, binnen een stelsel dat met hen meebeweegt. En als dat ook nog lukt binnen de financiële kaders, dan is dit programma wat mij betreft geslaagd.” 

Waarmaken wat we hebben bedacht 

“Onderwijs Onderweg was nodig omdat we met ons onderwijs simpelweg niet wendbaar genoeg waren”, vertelt Coby Flier, directeur Onderzoek en Onderwijs van het NIPV. “Aanpassingen duurden te lang, we waren te afhankelijk van externe partijen en er was te veel rolvermenging. Als instituut waren we soms meer een schakel of makelaar dan een partij met een eigen, duidelijke rol. Wat dit programma sterk maakt, is dat het echt samen is opgepakt: door de regio’s als werkgevers én door het NIPV. Want dit kún je alleen samen doen. Inmiddels ligt er, na een grondige analyse, een duidelijke visie, een rollennotitie en een spoorboekje voor het vervolg.” 

Van plannen naar doen 

“Nu breekt een cruciale fase aan: van plannen naar doen. We moeten gaan ontwikkelen vanuit de onderwijsvisie die er ligt en tegelijkertijd zorgen dat de vraag vanuit het werkveld goed georganiseerd is. En ja, dat betekent ook dat we elkaar ruimte moeten gunnen om te leren, te zoeken en soms nog niet alles zeker te weten. Dat vraagt vertrouwen, tijd en middelen. Maar ook professionalisering: in hoe we onderwijs maken, geven en examineren, en in hoe we transparant zijn over kosten en kwaliteit. Over twee jaar verwacht ik dat er geen onduidelijkheid meer is over wat het NIPV biedt, met welke kwaliteit en tegen welke kosten. Dat we eerste vernieuwde, wendbare opleidingen hebben staan én dat het werkveld goed is georganiseerd om daar richting aan te geven. Spannend? Zeker. Want het echte werk begint nu pas. We zullen ook samen moeten blijven dragen. Tot nu toe hebben we gebouwd en getest. Nu mogen we het waarmaken.” 

Dit artikel is een ingekorte versie van het bericht op het online platform Onderwijs Onderweg. Lees het volledige artikel op het platform.  

Het meerlaagsveiligheidsmodel als kader voor klimaatrisico’s

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, mei 2026

“De laatste twee jaar passen veiligheidsregio’s het meerlaagsveiligheidsmodel toe op een bredere set klimaatdreigingen. Het model is oorspronkelijk ontwikkeld voor hoogwater, maar is toepasbaar op alle typen klimaatdreigingen. Ook op hitte”, zegt Saskia van den Broek, directeur van de veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland en portefeuillehouder klimaatveiligheid in de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV).  “Het model richt zich op vijf lagen van risico- en crisisbeheersing: bewustzijn, preventie, gevolgbeperking, crisisbeheersing, nafase en herstel. Het principe is dat deze lagen elkaar versterken.”

Saskia van den Broek
Saskia van den Broek

Preventie als integraal onderdeel van crisisbeheersing

“We moeten ons aan de voorkant veel meer voorbereiden op klimaatdreigingen, zoals extreme hitte. Wanneer hitte vaker voorkomt, is alleen inzetten op de crisisrespons niet genoeg. Als het langere tijd heet is en het steeds vaker zo heet wordt, kun je dat niet meer alleen oplossen door hulpverleners op dat moment mensen zo goed mogelijk te laten helpen. Dan gaat het om maatregelen die in het model vallen onder bewustzijn en preventie. Bijvoorbeeld door bij de inrichting van steden al rekening te houden met hitte.”

Anticiperen op schaarste

“We weten ook dat in veel scenario’s als gevolg van klimaatdreigingen op veel plekken tegelijk capaciteit nodig zal zijn. En dat er schaarste zal ontstaan in het aanbod van hulpdiensten. Zoals recent ook het geval was tijdens de verschillende natuurbranden die tegelijk plaatsvonden. Hitte is ook nooit lokaal, maar treft vaak heel Nederland of in ieder geval een groot deel ervan. Hier ligt een duidelijke gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ik denk dat daar nog veel te doen is voor alle partijen samen. Gemeenten en provincies hebben hierin een grote rol. Maar ook veiligheidsregio’s, bijvoorbeeld door te adviseren over hittebestendig bouwen.”

Elkaar weten te vinden in de preventieve fase

“Ik denk dat veiligheidsregio’s zich goed bewust zijn van het belang van preventie. Tegelijk vraagt de rol aan de voorkant nog verdere ontwikkeling. Veiligheidsregio’s nemen of krijgen die rol namelijk nog niet altijd. Daardoor zijn we nog niet overal structureel betrokken bij preventieve vraagstukken.

We moeten nog veel in gesprek. Met gemeenten, maar ook met andere partijen, zoals de Rijksoverheid. Zo kunnen we beter in beeld komen en die rol beter vervullen. Die samenwerking is nog niet vanzelfsprekend. Dat gebeurt nog onvoldoende, denk ik. Daar ligt de grootste uitdaging.”

Als onderdeel van het programma klimaatveiligheid zijn de Handreikingen Veilige Klimaatadaptatie deel 1 en deel 2 gepubliceerd. Dit zijn praktische hulpmiddelen voor managers en adviseurs en geeft concrete tips en voorbeelden, overzichten van relevante documentatie en handvatten voor advies over klimaatveiligheid.

Bekijk ook de gehele video ‘Alle kaarten op tafel’, gemaakt in opdracht van het veiligheidsberaad.

label Maatschappelijke veerkracht

Buitenlandse voorbeelden bieden inspiratie voor Nederlandse noodsteunpunten

13 mei 2026

Het NIPV heeft een snelle kennismobilisatie uitgevoerd naar buitenlandse voorbeelden van noodsteunpunten. Daarbij is gekeken naar initiatieven in onder meer Oekraïne, Duitsland en Nieuw-Zeeland en de humanitaire servicepunten van het Rode Kruis. De snelle kennismobilisatie biedt inzichten die bruikbaar zijn voor de landelijke pilots noodsteunpunten die in 2026 in alle 25 veiligheidsregio’s van start gaan.

Pilots noodsteunpunten
Foto: NIPV.

Inzichten uit binnen- en buitenland

In de kennismobilisatie is onderzocht hoe noodsteunpunten in andere landen zijn georganiseerd, welke functies zij vervullen en hoe zij worden ingezet tijdens crises en rampen. Ook is gekeken naar locaties, middelen en samenwerkingsvormen.

Uit de vergelijking met de Nederlandse aanpak komt een aantal belangrijke inzichten naar voren:

  1. Nederland blijkt zich, net als landen als Estland, Zweden en Duitsland, nog grotendeels in een voorbereidende en experimentele fase te bevinden. In Duitsland bestaan de zogenoemde noodvuurtorens al sinds 2015, maar deze zijn nog beperkt in de praktijk ingezet. Oekraïne vormt daarop een uitzondering: daar zijn noodsteunpunten door de oorlogsomstandigheden vrijwel continu operationeel.
  2. Daarnaast valt op dat Nederland op grote schaal experimenteert met noodsteunpunten. In alle veiligheidsregio’s worden minimaal twee pilots uitgevoerd. Dat biedt kansen om veel praktijkervaring op te doen en werkwijzen te ontwikkelen. Tegelijkertijd laat de studie zien dat een nieuwe organisatiestructuur ook kan leiden tot extra complexiteit en meer coördinatiebehoefte.
  3. Een ander inzicht is dat in andere landen minder strikt onderscheid wordt gemaakt tussen coördinatiepunten en noodsteunpunten. De nadruk ligt daar vooral op lokale ondersteuning van inwoners. In alle onderzochte voorbeelden wordt het verbinden van steunpunten met hulpdiensten en overheden wel als essentieel beschouwd.

Meer dan alleen informatievoorziening

De kennismobilisatie laat ook zien dat steunpunten in de praktijk vaak meer functies krijgen dan vooraf bedacht. Informatievoorziening is overal belangrijk, maar inwoners hebben tijdens crises vaak ook behoefte aan praktische hulp, medische ondersteuning en contact met verwanten. Volgens de onderzoekers vraagt dit om flexibiliteit en aanpassingsvermogen in de organisatie van noodsteunpunten.

Verder benadrukt de kennismobilisatie het belang van aansluiting bij bestaande sociale infrastructuren, zoals scholen, bibliotheken en religieuze gebouwen. Zulke plekken kunnen bijdragen aan ontmoeting, onderlinge hulp en het versterken van de veerkracht van gemeenschappen.

Praktische lessen voor de toekomst

Landelijk projectleider Charlotte van Ruijven: “Ik ben erg blij met deze eerste kennismobilisatie. Deze laat zien hoe noodsteunpunten in landen als Oekraïne en Duitsland zijn ingericht. Dat biedt inspiratie voor de pilots in Nederland.” Onderzoeker Laurens van der Varst vult aan: “De studie toont dat erg pragmatisch en hands-on invulling wordt gegeven aan deze vorm van noodhulp. De uitdaging is wel zo’n nieuw stelsel ‘gereed en paraat’ te houden.”

Pilots noodsteunpunten

In 2026 worden in 25 veiligheidsregio’s in samenwerking met gemeenten praktijkoefeningen uitgevoerd met een noodsteun- en een coördinatiepunt. De pilotfase Noodsteunpunten is een gezamenlijk programma van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Veiligheidsberaad. In opdracht van de overkoepelend projectleider landelijke project pilots noodsteunpunten voert het NIPV vier snelle kennismobilisaties en een overkoepelende reflectie uit. De snelle kennismobilisaties dragen bij aan een onderliggende kennisinfrastructuur rondom de pilots.


Definitie noodsteunpunt

Onder een noodsteunpunt wordt in deze kennismobilisatie een vorm van tijdelijke hulp aan inwoners bij rampen of crises verstaan, in aanvulling op de reguliere rampenbestrijding en hulpverlening, die plaatsvindt in enig georganiseerd verband, door overheid, maatschappelijke organisaties en/of vrijwilligers vanuit een fysieke locatie.


label Maatschappelijke veerkracht

Nederland investeert in voorbereidingen op grootschalige, langdurige stroomuitval

13 mei 2026

Nederlandse organisaties zijn zich aan het voorbereiden op grootschalige, langdurige stroomuitval. Het NIPV en Veiligheidsregio Kennemerland publiceren een vervolgonderzoek naar de maatschappelijke gevolgen van stroomuitval en de paraatheid van (crisis)organisaties.

Foto: NIPV.

De urgentie om voorbereid te zijn neemt toe onder Nederlandse organisaties. In april 2025 werden Spanje en Portugal getroffen door een grootschalige stroomuitval die ongeveer 18 uur duurde. Miljoenen huishoudens zaten zonder elektriciteit, telecommunicatie viel uit en het openbaar vervoer kwam tot stilstand. Ziekenhuizen kregen te maken met dreigende brandstoftekorten voor noodaggregaten.

Begin dit jaar vond een langdurige stroomuitval plaats in Berlijn, waar tienduizenden huishoudens dagenlang zonder stroom zaten in strenge winterse weeromstandigheden.

Deze gebeurtenissen versterken het urgentiegevoel bij veel Nederlandse organisaties om zich voor te bereiden op stroomuitval. Geopolitieke spanningen en hybride oorlogsactiviteiten dragen hier aan bij. In oefeningen maar ook handreikingen ten behoeve van het vergroten van weerbaarheid van burgers, organisaties en bedrijven, wordt stroomuitval daarom steeds vaker als leidend scenario gebruikt.

Grote impact door verweven systemen

Hoewel het Nederlandse elektriciteitsnet zeer betrouwbaar is, kan de kans op stroomuitval niet worden uitgesloten. Grootschalige, langdurige stroomuitval kan verstrekkende gevolgen hebben. De samenleving is sterk afhankelijk van elektriciteit en veel systemen zijn met elkaar verbonden. Hierdoor kunnen al snel zogenoemde cascade-effecten ontstaan: een kettingreactie van verstoringen in meerdere sectoren, zoals telecommunicatie, zorg, transport en de waterketen.

De impact van een stroomuitval hangt vooral af van de duur, omvang en omstandigheden, zoals het weer. Hoe langer de uitval duurt, hoe groter de maatschappelijke ontwrichting kan worden.

Stroomuitval is een complex crisisscenario. Niet alleen burgers worden getroffen, maar ook hulpdiensten en overheden zelf, wat de crisisrespons bemoeilijkt. Veel organisaties besteden daarom ook aandacht aan de continuïteit van de crisisorganisatie.

Verwachtingen en zorgen

In het onderzoek staat beschreven waar professionals zich de meeste zorgen over maken. Een groot deel van de respondenten maakt zich zorgen over mensen in een kwetsbare positie als een stroomuitval zich zou voordoen. Zicht krijgen op wie in een kwetsbare positie zitten en hoe zij bereikt kunnen worden, is een uitdagende klus. Ook in onderzoek naar de stroomuitval in Berlijn komt dit als één van de belangrijkste bevindingen naar voren

Ook is communicatie, zowel externe crisiscommunicatie als interne communicatie naar het eigen personeel, voor velen een zorg. Communicatie vormt een groot knelpunt: juist tijdens een stroomuitval vallen veel communicatiemiddelen weg, terwijl de behoefte aan informatie groot is.

Daarnaast bestaan vragen over de aanvoer van brandstof voor noodaggregaten, de continuïteit van zorginstellingen en de afhankelijkheid van elektrische voertuigen. Het opschalen en aflossen van personeel kan problematisch zijn tijdens een stroomuitval. Werknemers kunnen door de situatie thuis of door beperkte bereikbaarheid niet altijd direct inzetbaar zijn. Verder bestaan er zorgen over de continuïteit van zorginstellingen, vooral bij kleinere organisaties die mogelijk minder goed zijn voorbereid.

Laat de mythes los, vertrouw op veerkracht

Het is opvallend dat nog steeds uitgegaan wordt van veel foutieve aannames over het gedrag van mensen in crisissituaties. Wetenschappelijke onderzoeken tonen al jarenlang aan dat mensen niet massaal in paniek raken en antisociaal gedrag vertonen, maar juist veerkrachtig zijn en voor zichzelf en anderen weten te zorgen. Naarmate een storing langer duurt, kan onrust toenemen en in extreme gevallen kan maatschappelijke ontwrichting ontstaan, al komt dit volgens onderzoekers zelden voor. Een beter begrip van het gedrag van mensen helpt om maatregelen te treffen die aansluiten bij datgene wat mensen écht doen en nodig hebben.

Voorbereiden op stroomuitval

De onderzoekers zien drie aspecten waarop organisaties zich kunnen voorbereiden op stroomuitval:

  1. Een organisatie kan technische voorbereidingen treffen, zoals het implementeren van fall-back systemen.
  2. Organisatorische voorbereidingen treffen, zoals het opstellen van crisisplannen en oefenen met alternatieve communicatiemogelijkheden.
  3. En strategische voorbereidingen treffen, zoals het nemen van besluiten over de prioritering van processen en bepalen van sleutelfiguren om de bedrijfscontinuïteit te borgen.

De onderzoekers benadrukken dat het belangrijk is om naast het creëren van bewustwording, het opstellen van plannen en het organiseren van redundantie, de voorbereidingen op stroomuitval ook te richten op het improvisatievermogen en de flexibiliteit van de organisatie. De hoeveelheid aan mogelijke cascade-effecten kan altijd voor verrassingen zorgen.

Lees het rapport

label Fysiek veilige leefomgeving

Nieuwe versie Richtinggevend kader bijzondere verkeersbevoegdheden van kracht

15 januari 2026 (bijgewerkt op 12 mei 2026)

Op 1 mei 2026 is het herziene ‘Richtinggevend kader bijzondere verkeersbevoegdheden’ in werking getreden. Het vorige kader, dat dateerde uit 2015, is herzien door een werkgroep waarin brandweer, politie, ambulance, defensie en particuliere rijopleiders vertegenwoordigd waren. Naast een update en tekstuele aanpassingen bevat het kader nieuwe thema’s, waaronder het rijden in tunnels, omgaan met rijhulpsystemen, middendoor rijden en tegengesteld opvallend naderen (‘tonnen’).

Foto: Shutterstock.

Vlot en veilig, maar ook voorspelbaar door het verkeer gaan

Het ‘Richtinggevend kader bijzondere verkeersbevoegdheden’ geeft aan hoe voorrangsvoertuigbestuurders zich in de ideale situatie zouden moeten gedragen op de weg. Het is een aanvulling op de reguliere rijprocedure. Het kader zorgt ervoor dat bestuurders van voorrangsvoertuigen van verschillende hulpdiensten niet alleen vlot en veilig, maar ook voorspelbaar door het verkeer gaan. Het kader is tevens de basis voor de lesstof van bestuurders van voorrangsvoertuigen en voor het examen van OGS+-instructeurs.

Herziene kader van kracht sinds 1 mei jl.

Sinds 1 mei 2026 is het herziene kader van kracht. Het kader is vastgesteld door Ambulancezorg Nederland, Brandweer Nederland en Defensie.

Lees het kader en bijbehorende informatie

“Kennis en kunde Seveso kunnen breder worden benut binnen risicobeheersing”

Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, mei 2026

Sinds oktober 2025 is Ramon Blaauw teamleider Risicobeheersing in Veiligheidsregio IJsselland. In die hoedanigheid kwam ook de vacature voor vertegenwoordiger van het samenwerkingsverband Oost-5 in het Managementoverleg Industriële Veiligheid (MO IV) onder zijn aandacht. Hij besloot de uitdaging aan te pakken om zijn kennis en ervaring op het raakvlak van brandveiligheid en industriële veiligheid op een ander niveau in te zetten. Zijn streven voor de komende jaren: industriële veiligheid als taakveld voor de veiligheidsregio’s beter ‘op de kaart zetten’ bij bestuurders en IV-kennis en werkwijzen in het totale domein van risicobeheersing breder benutten.

Ramon Blaauw, teamleider Risicobeheersing in Veiligheidsregio IJsselland.

Blaauw geeft sinds oktober leiding aan het 27 fte tellende team Risicobeheersing van Veiligheidsregio IJsselland. Een regio waar hij al meerdere taakvelden aan de linkerkant van de veiligheidsketen doorliep. In 2016 begon hij er als bouwadviseur brandveiligheid, waarna hij zich bekwaamde tot specialist brandveiligheid. “In die functie ontdekte ik al snel dat ik de combinatie van brandveiligheid en industriële veiligheid heel boeiend vond. De taakvelden raken elkaar onder andere bij projecten als opslaggebouwen voor gevaarlijke stoffen. Nadat mijn interesse voor de industriële veiligheid was gewekt, ben ik de SIV-opleiding (Specialist industriële veiligheid, red.) gaan volgen, die ik in 2023 heb afgerond. In mijn eerdere rollen was ik vooral bezig met veiligheid in de categorie risicorelevante bedrijven; vanaf 2023 kantelde mijn aandacht steeds meer naar de zwaardere risicocategorie Seveso. Vervolgens heb ik ruim twee jaar in de Seveso-adviespraktijk gewerkt. Toen de mogelijkheid om teamleider Risicobeheersing te worden op mijn bordje kwam, besloot ik die stap te zetten.”

Hechte samenwerking

Kijkend naar de Oost-5-regio’s (IJsselland, Noord- en Oost-Gelderland, Twente, Gelderland-Midden en Gelderland-Zuid), past volgens Blaauw enige bescheidenheid, want bij elkaar opgeteld zijn in de 5 veiligheidsregio’s circa 50 Seveso-bedrijven actief. Een zwaar IV-profiel zoals het Rijnmondgebied of Zuid-Limburg heeft Oost-Nederland dus niet, maar dat doet niets af aan het belang van kwalitatief goede advisering en toezicht. Het uitgangspunt is daarbij dat de IV-specialisten met hun deskundigheid zo veel mogelijk ‘een goed gesprek’ aangaan met bedrijven om de veiligheid bij Seveso-bedrijven te waarborgen en knelpunten op te lossen. Een ‘partnerschap’ met een coöperatieve benadering waar het kan en opschalen naar strenge handhaving waar het moet als de regels worden ontweken. Wel noodzaakt de geografie met een grote spreiding van Seveso-bedrijven tot meer samenwerking om de binnen de veiligheidsregio’s aanwezige IV-expertise zo doeltreffend en slim mogelijk in te zetten.

“Dat doet het samenwerkingsverband Oost-5 best goed”, stelt Blaauw vast. “Hoewel de gezamenlijke regio’s een omvangrijk werkgebied hebben, van noord naar zuid en van west naar oost, zijn grote afstanden geen enkele belemmering om IV-specialisten over en weer in te zetten voor adviesprojecten en inspecties. Samen vormen ze in wezen één groot gemeenschappelijk team. Maar adviseurs en inspecteurs zijn wel heel veel op pad, dus is er ook grote behoefte aan gezamenlijke contactmomenten zoals kennisdagen, om ervoor te zorgen dat we ook een team blijven en samen kennis en ervaringen te delen.”

Meerwaarde voor risicobeheersing

Het feit dat de IV-specialisten in Oost-5 veel op pad zijn in een groot werkgebied, heeft als keerzijde dat ze, zowel binnen de eigen organisatie als voor de buitenwacht, soms minder goed zichtbaar zijn. Blaauw ziet dat als een aandachtspunt in zijn rollen als teamleider en MO-lid. “Seveso-advisering en -toezicht en het aanwijzen en toezicht op bedrijfsbrandweren zijn in feite de enige wettelijke grondslagen voor het taakveld industriële veiligheid van de veiligheidsregio’s. De regiobesturen aan wie we verantwoording afleggen voor die taken, vinden het vanzelfsprekend dat die taken goed worden uitgevoerd, maar beseffen vaak niet welk netwerk van vakspecialisten met hoogwaardige kennis en deskundigheid achter dat werk schuilgaat. Wat doen die mensen nou eigenlijk precies en hoe dragen zij concreet bij aan het bevorderen van de fysieke veiligheid in de gemeenten en regio? Daar mogen we de regiobesturen best eens wat meer inzicht in geven. Op brandveiligheidsgebied gebeurt dat wel, maar in het taakveld IV naar mijn mening nog onvoldoende. ”

Hetzelfde geldt volgens Blauuw voor de interne organisatie van de veiligheidsregio’s. In zijn beleving zijn de verschillende taakvelden soms min of meer ‘organisatie-eilandjes’, met hun eigen opgaven en hun eigen specialistenteams. Maken die wel optimaal gebruik van elkaars kennis en kunde? In versterking van die synergie zijn in de beleving van Blaauw nog wel stappen te zetten.

“Als IV-specialisten veel op pad zijn, zijn ze minder makkelijk benaderbaar voor collega’s op andere taakvelden, zoals brandpreventie en ruimtelijke veiligheid, terwijl zij wederzijds veel aan elkaars kennis kunnen hebben. Bijvoorbeeld als het gaat om conceptueel denken en risicogericht werken bij advisering. Ik zie nu soms dat collega’s op brandveiligheid voor een bepaald vraagstuk extern op zoek gaan naar mensen met kennis en deskundigheid, terwijl ze binnen hun eigen organisatie ook collega’s hebben die die expertise hebben. Binnen de afdeling Risicobeheersing en binnen de veiligheidsregio als geheel kunnen we elkaars kennis in mijn ogen nog veel beter benutten. Daar wil ik samen met de managementcollega’s en de collega’s van de teams energie in gaan steken. Maar voorlopig heb ik ook zelf nog een weg af te leggen in verdere kennismaking met alle collega’s in dit mooie vakgebied, binnen Oost-5 en ook in de landelijke overlegstructuren.”


“We kunnen nooit genoeg investeren in hulpdiensten die alles oplossen”

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, mei 2026

Anne van Diepen is adviseur Crisisbeheersing bij Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland. In haar werk kijkt zij naar hoe klimaatverandering doorwerkt in risico’s, besluitvorming en de voorbereiding op crises. Daarbij ligt de nadruk op één belangrijke vraag: hoe zorgen we voor een klimaat- en waterveilige regio nu en in de toekomst.

Anne van Diepen
Anne van Diepen.

Klimaatadaptatie is ook een veiligheidsvraagstuk

“Voor onze organisatie betekent klimaatveiligheid dat klimaatadaptatie op een veilige manier wordt gedaan. Daarbij willen we dat organisaties zelf plannen maken om bestand te zijn tegen klimaateffecten, in plaats van alleen te leunen op hulpdiensten. Als het dan toch misgaat, kunnen ze ons bellen.”

“Wij adviseren bijvoorbeeld gemeenten bij klimaatadaptieve maatregelen in de openbare ruimte. Als er nieuwe waterdoorlatende wegen worden aangelegd, moet er nog steeds een zware brandweerauto overheen kunnen. Of als waterkanten natuurinclusiever worden ingericht, moet het water wel bereikbaar blijven voor de bluswatervoorziening. Klimaatadaptatie raakt dus direct aan veiligheid. Daarnaast kijken we vanuit crisisbeheersing naar planvorming. We bereiden ons voor op klimaatverandering en ook op de kans dat meerdere dingen tegelijk gebeuren. Bijvoorbeeld een overstroming gecombineerd met stroomuitval en alle cascade-effecten die daarbij horen.”

Bewustzijn begint ook persoonlijk

“Ik weet wat er gebeurt wanneer in de regio waar ik woon de dijken doorbreken. Dat maakt het ook persoonlijk. Ik heb gekeken: waar woon ik eigenlijk, hoe hoog komt het water daar? Voor mij is klimaatveiligheid ook bewustzijn en voorbereiding. Ik heb een watervoorraad aangelegd en een noodpakket. Dat wordt vaak gekoppeld aan stroomuitval, maar voor mij zit daar ook een klimaataanleiding achter.”

“Water is daarin voor mij een belangrijk thema, omdat de impact zo lang kan duren. Als stroom uitvalt en weer terugkomt, herstelt het leven relatief snel. Maar water kan weken of maanden blijven staan en hele gebieden langdurig ontwrichten.”

We zijn te lang te zeker geweest

“Ik denk dat we in Nederland te naïef zijn geworden. De overheid heeft lang gezegd: wij kunnen water managen, wij houden het droog. Daar mogen we trots op zijn, maar het heeft er ook voor gezorgd dat mensen denken: ik hoef me daar niet mee bezig te houden. Terwijl de overheid dat niet meer kan garanderen. En nu wordt de verantwoordelijkheid meer bij de burger gelegd, maar die is daar helemaal niet op voorbereid.”

“Het probleem speelt ook niet op één plek. Als je naar de waterkaarten kijkt, zie je dat het in heel Nederland speelt en dat het alleen maar groter wordt, zeker omdat we blijven bouwen in kwetsbare gebieden.”

Van ruimtelijke ordening naar veiligheidsvraagstuk

“Wat mij betreft moeten we ruimtelijke inrichting niet meer zien als alleen een vraagstuk van de openbare ruimte, maar als een veiligheidsvraagstuk. Klimaatadaptatie heeft direct invloed op hoe snel iets een crisis wordt. Zolang veiligheid niet structureel wordt meegenomen in besluitvorming, blijven we achter de feiten aanlopen.”

“Je kunt namelijk nooit genoeg investeren in hulpdiensten om alles op te lossen. Voorkomen is altijd effectiever dan oplossen. Voorbeelden zoals Limburg, Doetinchem en Enschede laten zien wat er gebeurt als het misgaat.”

Kleine keuzes maken samen verschil

“Wat ik belangrijk vind om mee te geven: hoe klein je eigen bijdrage ook lijkt, het heeft effect. Ik eet bijvoorbeeld vegan. Dat lijkt als individu misschien onbeduidend, maar als meer mensen kleine keuzes maken en elkaar beïnvloeden, ontstaat er wel degelijk impact.” “Dat geldt ook voor klimaatveiligheid. Het is een groot en complex onderwerp, maar uiteindelijk moeten we het samen doen, en heeft elke keuze, groot of klein, een impact.”