label Informatiegestuurde veiligheid

Positieve ervaringen met NL-Alert tijdens drukke jaarwisseling

12 maart 2026

Het NIPV heeft in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid onderzoek gedaan naar de ervaringen van burgers met het NL-Alert bericht tijdens de jaarwisseling. Aanleiding voor het NL-Alert bericht was de extreme drukte op de meldkamer (112).

NL-Alert melding tijdens de jaarwisseling. Bron: ANP

Onderzoek inzet NL-Alert tijdens jaarwisseling

Het doel van het onderzoek was om inzicht te krijgen in hoe mensen deze inzet van NL-Alert hebben ervaren en in hoeverre zij hun gedrag hierop hebben aangepast. De centrale onderzoeksvraag luidde: wat zijn de ervaringen van mensen met de inzet van NL-Alert tijdens de jaarwisseling vanwege de extreme drukte op de meldkamer (112)? Daarbij is gekeken naar de waardering van het bericht, de duidelijkheid van de informatie en het handelingsperspectief voor burgers.

Groot bereik en positieve waardering

Uit het onderzoek blijkt dat 92% van de respondenten op de hoogte was van het NL-Alert dat tijdens de jaarwisseling werd verstuurd. De inzet van NL-Alert werd over het algemeen positief beoordeeld. Respondenten zagen het nut en de noodzaak van het bericht in en waardeerden het moment waarop het NL-Alert werd ontvangen. Ook de preventieve inzet, gericht op het ontlasten van de meldkamer, werd als passend ervaren.

Duidelijkheid van informatie verbeteren

Onder respondenten was meer verdeeldheid over de vraag of het duidelijk was door het NL-Alert bericht waar nadere informatie gevonden kon worden. Voor de helft van de respondenten was dit duidelijk. Daarnaast gaven meerdere respondenten aan dat het niet altijd even duidelijk was welke hulpdiensten in welke situatie dan wél gebeld moesten worden.

Effect op gedrag van burgers

Bijna een derde van de respondenten informeerde na ontvangst van het NL-Alert anderen, vooral gezinsleden en familieleden. Slechts een kleine groep respondenten bevond zich tijdens de jaarwisseling in een situatie waarin zij overwogen de hulpdiensten te bellen. Van deze groep gaf 80 procent aan dat het NL-Alert invloed had op die afweging.

Conclusie

NL-Alert wordt normaal gesproken ingezet bij crisissituaties die om direct handelen vragen, een fysieke bedreiging vormen of mogelijk voor grote maatschappelijke onrust of ontwrichting zorgen. Dit onderzoek laat zien dat mensen positief reageren op een NL-Alert die meer preventief wordt ingezet. Desondanks moet NL-Alert (vooral) een alarmmiddel blijven voor echte acute noodsituaties. Door actiever in te zetten op risicocommunicatie, kan mogelijk voorkomen worden dat NL-Alert in dergelijke situaties ingezet moet worden.  De informatievoorziening kan verbeterd worden door duidelijkheid te scheppen wanneer welk nummer van de hulpdiensten (112, niet-spoednummer of helemaal niet bellen) voor welke calamiteit gebeld mag worden.

Lees het rapport

label Fysiek veilige leefomgeving

De voorbereiding van Seveso-inrichtingen op een grootschalige en langdurige stroomuitval

12 maart 2026

Een Seveso-inrichting is een bedrijf waar een (grote hoeveelheid) gevaarlijke stof aanwezig is, mag zijn of kan ontstaan. Bij een grootschalige en langdurige stroomuitval komen ook Seveso-inrichtingen voor continuïteitsuitdagingen te staan. In opdracht van het LEC Industriële Veiligheid heeft het NIPV onderzocht welke maatregelen Seveso-inrichtingen al hebben genomen ter voorbereiding op een dergelijke stroomuitval. En met welke generieke maatregelen zij zich aanvullend kunnen voorbereiden.

Hoogspanningsmasten in de Eemshaven
Foto: ANP.

Onderzoeksmethode

Het onderzoek bestond uit interviews, een uitgebreide vragenlijst en een interactieve werksessie met experts van industrie, veiligheidsregio’s en netbeheerders. In het onderzoek wordt onder een grootschalige en langdurige stroomuitval verstaan: een stroomuitval in een groter gebied (meer dan één veiligheidsregio betrokken) over een periode van 72 uur.

Belangrijkste bevindingen

  • De beschikbaarheid van diesel is essentieel voor nood(stroom)voorzieningen. Dieselvoorraden zijn soms beperkt, en er wordt lang niet altijd rekening mee gehouden dat mogelijke dieselleveranciers niet bereikbaar zijn tijdens een grootschalige en langdurige stroomuitval.
  • Veel meld-, blus- en veiligheidssystemen werken beperkt of niet gedurende 72 uur zonder reguliere stroomvoorziening.
  • De meeste inrichtingen hebben geen werknemersprotocol dat voorziet in afspraken over personele inzet, bereikbaarheid en communicatie voor een periode van 72 uur zonder reguliere stroomvoorziening.

Generieke maatregelen ter voorbereiding op grootschalige en langdurige stroomuitval

In de interactieve werksessie zijn de deelnemers tot een lijst met generieke maatregelen gekomen die kunnen bijdragen aan de voorbereiding op een grootschalige en langdurige stroomuitval. Hierbij is er onderscheid gemaakt tussen maatregelen voor drie fasen.

Maatregelen die:

  • nu al kunnen worden genomen (preparatiefase)
  • kunnen worden genomen op het moment dat de stroom uitvalt (acute fase)
  • kunnen worden genomen op het moment dat de inrichting na stroomuitval haar chemische processen onder controle heeft (gecontroleerde fase).

Tot slot

Seveso-inrichtingen kunnen het onderzoeksrapport gebruiken om hun voorbereiding op een grootschalige en langdurige stroomuitval zelf te toetsen. En daar waar nodig op basis van deze nieuwe inzichten aan te passen.

Lees het rapport

De voorbereiding van Seveso-inrichtingen op een grootschalige en langdurige stroomuitval

12 maart 2026

Bij een grootschalige en langdurige stroomuitval komen ook Seveso-inrichtingen voor continuïteitsuitdagingen te staan. In opdracht van het LEC Industriële Veiligheid heeft het NIPV onderzocht welke maatregelen Seveso-inrichtingen al hebben genomen ter voorbereiding op een dergelijke stroomuitval. En met welke generieke maatregelen zij zich aanvullend kunnen voorbereiden.

Hoogspanningsmasten in de Eemshaven
Foto: ANP.

Onderzoeksmethode

Het onderzoek bestond uit interviews, een uitgebreide vragenlijst en een interactieve werksessie met experts van industrie, veiligheidsregio’s en netbeheerders. In het onderzoek wordt onder een grootschalige en langdurige stroomuitval verstaan: een stroomuitval in een groter gebied (meer dan één veiligheidsregio betrokken) over een periode van 72 uur.

Belangrijkste bevindingen

  • De beschikbaarheid van diesel is essentieel voor nood(stroom)voorzieningen. Dieselvoorraden zijn soms beperkt, en er wordt lang niet altijd rekening mee gehouden dat mogelijke dieselleveranciers niet bereikbaar zijn tijdens een grootschalige en langdurige stroomuitval.
  • Veel meld-, blus- en veiligheidssystemen werken beperkt of niet gedurende 72 uur zonder reguliere stroomvoorziening.
  • De meeste inrichtingen hebben geen werknemersprotocol dat voorziet in afspraken over personele inzet, bereikbaarheid en communicatie voor een periode van 72 uur zonder reguliere stroomvoorziening.

Generieke maatregelen ter voorbereiding op grootschalige en langdurige stroomuitval

In de interactieve werksessie zijn de deelnemers tot een lijst met generieke maatregelen gekomen die kunnen bijdragen aan de voorbereiding op een grootschalige en langdurige stroomuitval. Hierbij is er onderscheid gemaakt tussen maatregelen voor drie fasen.

Maatregelen die:

  • nu al kunnen worden genomen (preparatiefase)
  • kunnen worden genomen op het moment dat de stroom uitvalt (acute fase)
  • kunnen worden genomen op het moment dat de inrichting na stroomuitval haar chemische processen onder controle heeft (gecontroleerde fase).

Tot slot

Seveso-inrichtingen kunnen het onderzoeksrapport gebruiken om hun voorbereiding op een grootschalige en langdurige stroomuitval zelf te toetsen. En daar waar nodig op basis van deze nieuwe inzichten aan te passen.

Lees het rapport


label Fysiek veilige leefomgeving
label Klimaatadaptatie

Landelijke aanpak natuurbrandbestrijding: samen sterker dan 25 regio’s apart

11 maart 2026

De Nederlandse brandweer heeft de afgelopen jaren veel kennis en ervaring opgebouwd rondom natuurbrandbestrijding. “Maar die kennis werkt alleen als regio’s ook écht samen kunnen optreden bij grote of gelijktijdige natuurbranden. Lokaal wat kan, landelijk wat moet”, zegt Olav Strotmann. Hij wil dat de brandweer nu de stap zet van leren, naar samen dóen.

Progressive hose laying in Galicië, Spanje. Bron: Sam de Joode

Dit artikel is geschreven voor brandweernederland.nl naar aanleiding van de Natuurbranddialoog 2026 op 4 maart, georganiseerd door de Vakraad Incidentbestrijding en het NIPV. Olav Strotmann, voorzitter van de Vakraad Incidentbestrijding en portefeuillehouder natuurbrandbestrijding, trad op als dagvoorzitter.

Al veel geleerd van het verleden

Strotmann is voorzitter van de Vakraad Incidentbestrijding, het landelijke gremium dat besluiten neemt over samenwerking en projecten op het gebied van incidentbestrijding. Zijn portefeuille gaat specifiek over hoe we een natuurbrand bestrijden. De Natuurbranddialoog ziet Strotmann als startpunt voor een landelijke aanpak en actie op repressief gebied. “Maar er zit al heel veel voorwerk aan vast. Op heel veel plekken is al iets gedaan op het gebied van natuurbrandbestrijding.”

Meedraaien in Galicië

Voor een belangrijk voorbeeld gaan we terug naar de zomer van 2025. Veertig Nederlandse brandweerlieden gingen in twee groepen naar Spanje, als onderdeel van het prepositioning-programma van de Europese Commissie. Ze draaiden mee met de lokale brandweer in de regio Galicië en werden ingezet bij echte natuurbranden.

Ze leerden bijvoorbeeld:

  • werken met handgereedschap om vegetatie voor de brand weg te halen
  • vuur inzetten om vuur te bestrijden en zo verdere uitbreiding te stoppen
  • hoe je grote branden benadert vanuit meerdere posities tegelijk.

Strotmann ziet wel een aandachtspunt. “Veel regio’s hebben meegewerkt aan die ervaringen, veel professionals zijn teruggekeerd naar hun eigen regio. En dan bestaat het risico dat het net anders doorontwikkeld wordt. Prima, tot het moment dat je moet samenwerken.”

Dit gaat niet over alles hetzelfde doen

Een landelijke aanpak betekent niet dat alles overal hetzelfde moet worden, benadrukt Strotmann. “Alle regio’s hebben hun eigen voertuigen, hun eigen manier van werken en die is allemaal heel goed toepasbaar op de eigen situatie”, zegt hij. Nederland heeft bijvoorbeeld duinen, bos en veengebied. Elk gebied vraagt om een andere aanpak. “Elke regio maakt haar eigen keuzes, koopt eigen materieel en traint op haar eigen manier. En dat moet zo blijven.”

In elkaar ritsen

Waar het wel om gaat volgens Strotmann, zijn gemeenschappelijke uitgangspunten waar elke regio op kan voortbouwen. Geen blauwdruk, maar afspraken die in elkaar kunnen ritsen als het aankomt op samenwerken.

“Als er een grote duinbrand bij Wassenaar is en een regio uit Brabant komt voor assistentie, dan is het belangrijk dat die dezelfde procedures hanteert, dezelfde veiligheidsafspraken”, legt Strotmann uit. “Want dat moment komt. En dan moet het gewoon werken.”

Wat er misgaat als slangen niet op elkaar passen

Neem progressive hose laying, het aanleggen van een slangenlijn over grote afstanden om water naar een brand te brengen. “Ze leerden het in Spanje en Veiligheidsregio Noord-Holland-Noord is er al volop mee bezig. Maar als een regio die bijstand verleent een andere slangdiameter gebruikt, sluiten de slangen simpelweg niet op elkaar aan. Wat doe je dan?”

Handgereedschap aanvullen

In Spanje leerden de brandweerlieden ook meer te voet natuurbranden bestrijden. Nederland heeft al twee handcrews die specialistisch natuurbranden bestrijden, Handcrew Overijssel en Handcrew Zuid. Strotmann: “Dit zijn zware eenheden van twintig man die langdurig en autonoom kunnen worden ingezet bij grote branden. Voor een klein land is dat al meer dan voldoende”, zegt Strotmann.

De toekomst zit hem volgens Strotmann niet in het oprichten van nieuwe zware eenheden, maar in het slimmer uitrusten van bestaande eenheden. “Door te leren werken met handgereedschap om brandstof weg te halen en brandgangen te maken, breid je de gereedschapskist uit en maak je slim gebruik van handgereedschappen. Beter is het om aan de voorkant goede afspraken hierover te maken.”

Weten waar iedereen is als het vuurfront draait

Veilig en schaalbaar werken zijn de belangrijkste punten waar Strotmann afspraken over wil maken. Bij de prepositioning in Spanje werkten Nederlandse teams samen met tientallen luchteenheden en handcrews in een groot gebied. “Als organisatie wil je informatie hebben van alle ingezette eenheden, en dat ze allemaal vanuit hetzelfde operationele beeld werken, zodat de opschaling snel en effectief kan verlopen.”

Een vluchtroute is geen luxe

Ook op het gebied van veilig werken valt nog veel te winnen. Natuurbranden gedragen zich anders dan brandweermensen gewend zijn. De brand bij de Edese heide liet dat zien. “Dan moet je je veiligheidsprincipes goed hebben”, zegt Strotmann.
Het netwerk Natuurbrandbeheersing heeft al uitgesproken het internationale LACES-principe te willen gebruiken, waarbij altijd een veilige vluchtroute en een veilige plek beschikbaar moeten zijn. “Dat kan een non-negotiable worden, voor elke regio, bij elke inzet.”

Strakke kaders, maar niet van bovenaf opgelegd

Lessen uit het verleden wil Strotmann nu gebruiken om landelijk strakke kaders af te spreken. “Alles wat in het verleden is gebeurd, was nodig en goed om te staan waar we nu staan. Maar het verleden verplicht ons ook om het nu beter te doen.” De ambitie is helder: een brandweer die weet hoe natuurbranden te bestrijden. Die dat schaalbaar is, veilig opereert en regio’s ondersteunt in plaats van oplegt.

De actiepunten liggen er, nu aan de slag

Tijdens de Natuurbranddialoog werkten zo’n 160 deelnemers aan een landelijke aanpak voor natuurbrandbestrijding. Dat deden zij onder meer in workshops over techniek, tactiek, operationele informatie en veiligheid. Elke workshop kwam tot 4 actiepunten die nu in het landelijke domein verder worden opgepakt. Alle deelnemers krijgen een terugkoppeling over de verdere aanpak. “Andere collega’s informeren we graag via kanalen zoals dit,” sluit Strotmann af.

Marthyne Kunst nieuwe algemeen directeur NIPV

10 maart 2026

Het Dagelijks Bestuur van het NIPV heeft Marthyne Kunst benoemd tot algemeen directeur van het instituut. Zij zal per 1 juni aan deze nieuwe uitdaging beginnen.

Marthyne Kunst
Marthyne Kunst.

Kunst is geen onbekende in het veiligheidsdomein. Ze werkte zo’n tien jaar als advocaat bij een middelgroot advocatenkantoor en maakte in 1999 de overstap naar het Openbaar Ministerie. Daar startte zij als officier van justitie. Al snel vervulde zij leidinggevende functies, waaronder de laatste zes jaar die van hoofdofficier van het arrondissement Oost-Nederland.

Zelf ziet ze uit naar de wereld van publieke veiligheid: “Met heel veel plezier heb ik mij jarenlang aan de strafrechtkant ingezet voor een veilige en rechtvaardige samenleving. Ik vind het eervol en uitdagend om straks als directeur van het NIPV op een andere manier een bijdrage te mogen leveren aan een veilige en weerbare samenleving.”

Verdere intensivering van de samenwerking binnen ons stelsel

Ton Heerts, voorzitter van het Dagelijks Bestuur van het NIPV: “In vele opzichten zijn wij verheugd met deze aanstelling. Haar profiel past bij waar wij als publiek kennisinstituut voor staan: hoogwaardig én betrouwbaar. Bovendien vraagt de toenemende complexiteit van de veiligheidsopgaven om verdere intensivering van de samenwerking binnen ons stelsel. Marthyne heeft aangetoond verbindend en samenwerkingsgericht te zijn en is ervaren in complexe bestuurlijke krachtenvelden. Ik kijk ernaar uit om onder haar leiding de komende jaren verder te bouwen aan een gezamenlijke koers voor het instituut, waarin expertise, collectiviteit en samenwerking elkaar versterken.

Heerts vervolgt: “Ook dank ik Coby Flier, directeur Onderzoek en Onderwijs, voor haar tijdelijke waarneming van het algemeen directeurschap in de afgelopen maanden, die zij nog tot 1 juni voortzet. Dit heeft ons de mogelijkheid geboden het wervings- en selectieproces zorgvuldig te laten verlopen.”

label Maatschappelijke veerkracht

Inzichten tijdens pril stadium: vier belangrijke dilemma’s rond noodsteunpunten

10 maart 2026

De overheid werkt aan een landelijk netwerk van noodsteunpunten om de maatschappelijke weerbaarheid bij crises te versterken. In een snelle kennismobilisatie brengt het NIPV de belangrijkste vragen en dilemma’s rond deze ontwikkeling in kaart.

Verzamelplaatsbord. Foto: Shutterstock.

Noodsteunpunten nog in ontwikkeling

Noodsteunpunten kunnen fungeren als plekken die worden ingericht door gemeenten met als hoofdfunctie het bieden van hulp aan inwoners tijdens crises. De ontwikkeling van noodsteunpunten bevindt zich nog in een pril stadium; er is nog veel onduidelijk over hun precieze rol, vorm en toegevoegde waarde. In de kennismobilisatie onderzocht het NIPV op basis van een beknopt document- en literatuurstudie en interviews hoe betrokkenen momenteel naar de ontwikkelingen rond noodsteunpunten kijken. Het onderzoek werd uitgevoerd tussen oktober 2025 en februari 2026.

Vijf belangrijke vragen

Het rapport laat zien dat er nog veel open vragen zijn over de rol en inrichting van noodsteunpunten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de zogenoemde vijf W’s:

  • Waarom: op welke specifieke vraag bieden noodsteunpunten een antwoord binnen de bredere weerbaarheidsopgave?
  • Wat: in welke behoeften van inwoners moeten noodsteunpunten voorzien?
  • Waar: op welke locaties functioneren noodsteunpunten het best – vast, mobiel of digitaal?
  • Wie: wie bemenst de noodsteunpunten: ambtenaren, professionele hulpverleners, vrijwilligers, maatschappelijke organisaties of een combinatie daarvan?
  • Wanneer: in welke typen crises en op welk moment worden noodsteunpunten ingezet?

De pilotfase biedt volgens het NIPV de mogelijkheid om met verschillende varianten te experimenteren en zo beter te begrijpen wat in de praktijk werkt.

Vier dilemma’s

Naast deze vragen signaleert het rapport vier belangrijke dilemma’s in het gesprek over noodsteunpunten:

  1. Top-down versus bottom-up: hoe verhoudt een landelijke structuur zich tot lokale initiatieven van inwoners en organisaties?
  2. Anticipatie versus veerkracht: moet vooral vooraf worden geïnvesteerd in maatregelen, of kan tijdens crises worden voortgebouwd op bestaande veerkracht in de samenleving?
  3. Uniformiteit versus pluriformiteit: moeten noodsteunpunten overal hetzelfde zijn, of juist worden aangepast aan lokale omstandigheden?
  4. Knooppunt versus verzamelpunt: zijn noodsteunpunten vooral bedoeld als informatiepunt of ook als ontmoetingsplek voor inwoners die hulp zoeken?

De dilemma’s laten zien welke vragen nog openstaan, waarbij voor elke mogelijke antwoordrichting goede argumenten te vinden zijn.

Proces draagt bij aan weerbaarheid

Volgens de onderzoekers van het NIPV kan het ontwikkelproces rond noodsteunpunten zelf al bijdragen aan maatschappelijke weerbaarheid. Gemeenten en veiligheidsregio’s gaan in gesprek met inwoners, betrekken mensen in een kwetsbare positie en werken aan gedeeld risicobewustzijn en verantwoordelijkheidsgevoel. Ook als noodsteunpunten uiteindelijk weinig worden ingezet, kan dit proces de relatie tussen overheid en samenleving versterken. Daar hebben we niet alleen in een crisis iets aan, maar ook in het alledaagse.  

Vervolg

Het NIPV blijft de ontwikkelingen in opdracht van de landelijke projectorganisatie voor de pilots met noodsteunpunten in 2026 volgen met aanvullende snelle kennismobilisaties.

De pilotfase biedt gemeenten en veiligheidsregio’s de ruimte om met verschillende varianten te experimenteren en daarvan te leren. De inzichten uit deze pilots en het vervolgonderzoek van het NIPV moeten de komende jaren duidelijk maken hoe noodsteunpunten het best kunnen worden ingericht en hoe zij inwoners tijdens crises kunnen ondersteunen.

Lees het rapport

label Informatiegestuurde veiligheid

Nieuwe infographic Preparatie van de nafase

6 maart 2026

Bij een crisis of ramp ligt de focus tijdens de acute fase op het bestrijden van het incident. Toch is het minstens zo belangrijk om in de acute fase vooruit te kijken naar wat daarna komt: de nafase. Om die overgang soepeler te laten verlopen, ontwikkelden het NIPV en het Landelijk Overleg Coördinatoren Bevolkingszorg (LOCB), in opdracht van het Landelijk Netwerk Bevolkingszorg (LNB), een praktische infographic. 

Preparatie nafase
Beeld uit de infographic Preparatie van de nafase.

Initiatief en doel infographic 

Deze infographic biedt de kolommen en crisispartners een overzicht van thema’s en aandachtspunten per discipline met als doel: 

  • Inzicht krijgen in welke processen er lopen in de acute fase en door blijven lopen in de nafase
  • Te zorgen voor een zo compleet en zorgvuldig mogelijke overgang naar de nafase
  • Te zorgen dat de overdracht naar de nafase multidisciplinair aandacht krijgt.

De officier van dienst bevolkingszorg (OvD-Bz) en/of de algemeen commandant bevolkingszorg (AC-Bz) coördineren de voorbereiding van een goede overdracht van de acute fase naar de nafase, die onder verantwoordelijkheid valt van het bevoegd gezag, meestal de getroffen gemeente. Voor een goede en volledige overdracht is het belangrijk dat de OvD-Bz en AC-Bz dit samen met de andere kolommen en partners van een multidisciplinair crisisteam doen. 

Vooruitdenken tijdens de acute fase 

De kolommen wordt in deze infographic gevraagd stil te staan bij de drie eerste vragen: 

  1. Welke thema’s spelen mogelijk in de nafase (zoals herstel, communicatie, veiligheid, nazorg en verantwoording)? 
  2. Wie zijn de contactpersonen voor de nafase?
  3. Welke bijzonderheden en acties moeten nu al worden vastgelegd?

Vervolgens biedt de infographic hun een verdieping van de vragen, thema’s en mogelijke vervolgacties.  

Mickel Beckers, gemeentesecretaris gemeente Langsingerland en portefeuillehouder Preparatie Nafase bij het LNB: “De nafase vraagt om samenwerking die al begint tijdens de hectiek van de acute fase. Deze infographic ondersteunt kolommen en partners om elkaar tijdig te vinden en gezamenlijk de basis te leggen voor een sterke overgang naar herstel.” 

Bekijk de infographic

label Fysiek veilige leefomgeving

Leidinggeven in de chaos 

4 maart 2026

Als afdelingsmanager Risicoadvisering, hoofdofficier van dienst, (inmiddels) leider CoPI (commando plaats incident) bij Veiligheidsregio Hollands Midden en Safety Officer bij USAR.nl geeft zij dagelijks richting aan complexe crisissituaties. In haar nieuwe functie van leider CoPI staat Claudia Prins-van Baar midden in het crisisveld. 

Claudia Prins.

Van vrijwilliger naar crisisleider 

Claudia Prins’ motivatie om de opleiding Leider CoPI te volgen, wortelt diep. Al vanaf haar achttiende is zij actief als vrijwilliger bij de brandweer. “Leidinggeven heeft me altijd al geïntrigeerd”, vertelt ze. “Op een gegeven moment zie je dat incidenten onderdeel zijn van een groter geheel. Dan komt de vraag: hoe geef je richting aan een crisisorganisatie tijdens een groot incident? En wat maakt dat iets wel of niet werkt?” Die nieuwsgierigheid naar het grotere plaatje en naar effectief leiderschap vormde de belangrijkste drijfveer om zich verder te ontwikkelen richting leider CoPI. 

Verwachtingen versus verdieping 

De opleiding sloot goed aan bij haar verwachtingen. Door haar jarenlange operationele ervaring was de CoPI-omgeving bekend terrein. Toch bracht de opleiding een belangrijke verdieping. “In de praktijk weet je vaak wát er moet gebeuren. In de opleiding ga je veel meer de diepte in: het doorgronden, het bewust toepassen en het zien van samenhang en afhankelijkheden tussen de hulpverleningsorganisaties en partners.” 

Waar de functie van leider CoPI soms wordt weggezet als ‘alleen een voorzittersrol’, ontdekte Prins juist de complexiteit erachter. “Er zit veel meer complexiteit en nuance achter dan ik in eerste instantie dacht. Die vond ik ontzettend interessant.” 

De stap naar de functie kwam niet vanzelf. “Je moet gewoon solliciteren op een piketrol. Natuurlijk weten mensen wat je ambitie is, maar het moet wel bij je passen. Het gaat ook om de vraag: hoe verhoudt deze functie zich tot wie je nu bent en wie je wilt worden?” 

Leiderschap: sturen én loslaten 

Een belangrijke les uit de opleiding is het spanningsveld tussen inhoud en leiderschap. “Je leert hoe je voorkomt dat je je bemoeit met de expertise van de hulpverleningsdiensten. Je laat anderen hun vak uitoefenen.” Als leider CoPI neem je het incident mee als bagage en ervaring, maar laat anderen hun vak uitoefenen.” Dat vraagt om loslaten, maar ook om begrenzen. “Ruimte geven waar het kan, maar ook zeggen: we moeten wel door.” 

Volgens Prins werkt ervaring hierbij in je voordeel. “Je hebt al veel gezien en gedaan, daardoor raak je minder snel van je stuk. Je moet overzicht creëren in de chaos, en dat vraagt iets van je als mens en als leider.” 

Van structuur tot zelfreflectie 

Herkenbaar waren voor Prins de BOB-structuur en de invloed van teamdynamiek: hoe je onder tijdsdruk mensen effectief inzet en de balans vindt tussen ruimte geven en begrenzen. Nieuw was voor haar Crisis-gogme dat helpt om overzicht te creëren en incidenten te analyseren. “Dat helpt enorm om het goede gesprek te voeren in de CoPI-bak.” 

Daarnaast werd ze zich nog bewuster van haar eigen invloed. “Je wordt direct gespiegeld. Wat jij doet, heeft effect op het team. Ben jij chaos, dan zie je dat terug. Straal je rust uit, dan volgt het team.” 

Wat is een ‘goed einde’? 

Wat Prins zo aanspreekt in haar rol, is leidinggeven onder druk, met als doel iedereen zo goed mogelijk door de crisis heen te loodsen. Maar wat is eigenlijk een goed einde? “Dat wordt bepaald door de coördinatie. Doelmatigheid en doeltreffendheid spelen daarin een grote rol: is het goed gegaan, of is het goed gedaan?” 

Daarover blijven reflecteren is essentieel, vindt zij. “Het gaat niet over goed of fout. Iedereen handelt met de beste intenties. De vraag is: hebben we gedaan wat nodig was?” 

Inzichten voor de praktijk 

De belangrijkste inzichten die Prins meeneemt naar haar werkpraktijk zijn helder: 

  • Ruimte geven aan de expertise van elk CoPI -lid, met duidelijke grenzen
  • Onder tijdsdruk gezamenlijk tot besluiten komen
  • En als leider CoPI mensen goed kunnen lezen

“Sociale competenties zijn cruciaal. Je hanteert net weer een andere leiderschapsstijl Je werkt met verschillende disciplines, elk met hun eigen taal en nuances. Die verschillen herkennen en benutten, dát maakt goede samenwerking mogelijk. 

Een les die blijft hangen: leidinggeven in crisis draait niet alleen om besluiten nemen, maar vooral de denkkracht van het team te benutten. En op zo’n wijze dat ze de volgende keer weer met je willen werken.” 

Meer informatie en aanmelding 

Opleiding Leider commando plaats incident (CoPI)

Opleiding Regionaal operationeel leider

label Fysiek veilige leefomgeving

NIPV start Europees project voor richtlijn nazorg en herstel na crises 

2 maart 2026

Per 1 maart 2026 start het NIPV met het tweejarige project Richtlijn nazorg en herstel. Het project wordt uitgevoerd in opdracht van het Europese Union Civil Protection Mechanism (UCPM) en heeft als doel de nationale veerkracht in Nederland structureel te versterken. 

Foto: ANP.

Meer aandacht voor de nafase 

De periode na een ramp of crisis, de zogenoemde nafase, is binnen de crisisbeheersing lange tijd onderbelicht geweest. Terwijl dreigingen in ernst en complexiteit toenemen, zoals gewapende conflicten, klimaatverandering en pandemieën, blijken traditionele herstelmodellen (die vooral uitgaan van overheidsrespons) niet langer voldoende. 

Met dit project ontwikkelt het NIPV samen met partners een integrale nationale richtlijn voor herstel na rampen en crises, met nadruk op inclusiviteit en langdurige maatschappelijke weerbaarheid. Daarbij staat een whole-of-society-benadering centraal: overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven, kennisinstellingen en burgers werken samen aan herstel. 

Marije Bakker, senior onderzoeker-adviseur Crisisbeheersing: “De nafase verdient net zoveel aandacht als de acute respons. Juist in de periode na een crisis wordt duidelijk wat mensen en gemeenschappen écht nodig hebben om weer verder te kunnen. Met deze richtlijn maken we van nazorg en herstel een volwaardig onderdeel van crisisbeheersing.”

Vijf kerngebieden van herstel 

De richtlijn richt zich op vijf samenhangende categorieën: 

  • Basisnoodhulp 
  • Informatievoorziening 
  • Emotionele en sociale ondersteuning 
  • Praktische ondersteuning 
  • Gezondheidszorg 

    Wetenschappelijk onderzoek, beleidsinzichten en praktijkervaring worden gecombineerd om tot breed toepasbare en effectieve richtlijnen te komen voor uiteenlopende crisisscenario’s. 

    Amy Matser, lector Datagedreven publieke veiligheid: “Door data, praktijkervaring en wetenschappelijke kennis te combineren, kunnen we beter onderbouwen wat werkt in verschillende crisissituaties. Dat helpt om herstel gerichter, inclusiever en effectiever te organiseren.” 

    Samen ontwikkelen en testen 

    Een belangrijke rol is weggelegd voor zogenoemde Co-Creation Stakeholder Boards (CSB’s). Hierin werken veiligheidsregio’s, maatschappelijke organisaties en andere relevante partners samen aan het ontwikkelen en toetsen van de richtlijn in de praktijk. De aanpak sluit aan bij een breder all-hazard-raamwerk waarbij herstel wordt benaderd vanuit één samenhangende visie op verschillende typen crises. 

    Michel Dückers, bijzonder hoogleraar Crises, Veiligheid en Gezondheid: “Herstel gaat niet alleen over het herstellen van schade, maar over het versterken van maatschappelijke veerkracht op de lange termijn. Door samen te werken over organisatiegrenzen heen verkleinen we de kans dat mensen en wat er voor hen toe doet buiten beeld raken in tijden van crisis.” 

    Bijdrage aan Europese doelstellingen 

    Met dit project draagt het NIPV bij aan de doelstellingen van de EU op het gebied van civiele bescherming. Tegelijkertijd wordt de samenwerking tussen publieke, private en maatschappelijke partijen in Nederland versterkt. 

    Het project legt daarmee de basis voor beter gecoördineerde en effectievere hersteloperaties en voor een samenleving die beter is voorbereid op toekomstige uitdagingen. 

    Meer informatie

    Voor vragen of meer informatie, neem contact met ons op via info@nipv.nl.

    Werving voor traineeship Risicobeheersing gaat van start

    Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, maart 2026

    In de tweede week van maart start de werving van kandidaten voor het traineeship Risicobeheersing bij de veiligheidsregio’s. De wijziging van de benaming omgevingsveiligheid naar risicobeheersing wijst er al op dat het traineeship vakinhoudelijk wordt verbreed; brandveiligheid wordt als derde taakveld toegevoegd aan industriële veiligheid en omgevingsveiligheid.

    Het tweede traineeship is uitgebreid met de specialisatie brandveiligheid. Foto: LEC Industriële Veiligheid.

    Achttien traineeplaatsen

    Bij het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV) hebben zich dertien veiligheidsregio’s aangemeld voor deelname aan het tweede traineeshipprogramma. Zij hebben gezamenlijk achttien traineeplaatsen voor jonge hbo-talenten die zich willen bekwamen tot specialist industriële veiligheid, omgevingsveiligheid of brandveiligheid.

    De verbreding met het taakveld brandveiligheid is er gekomen op verzoek van enkele deelnemende regio’s, legt traineeshipcoördinator Chantal Torn van het LEC IV uit. “Ten aanzien van het specialisme brandveiligheid hebben veiligheidsregio’s dezelfde uitdagingen als bij industriële en omgevingsveiligheid; het is moeilijk om op de arbeidsmarkt voor openstaande vacatures ervaren kandidaten te vinden. De betreffende regio’s hopen met het bieden van traineeplaatsen mensen voor dit specialisme te interesseren en aan zich te binden.”

    Succes eerste traineeship

    De kans dat de regio’s daarin slagen is volgens Torn behoorlijk groot: “Alle kandidaten die deelnamen aan het eerste traineeship hebben na afloop van hun tweejarige opleidingsprogramma een plek aangeboden gekregen bij een veiligheidsregio in het taakveld van hun keuze. Dat betekent: twaalf enthousiaste jonge collega’s erbij, die dankzij hun traineeship, met een mooie mix van theorie en praktijk, al flink wat werkervaring hebben opgedaan en al een eigen collegiaal netwerk om zich heen hebben opgebouwd. Het succes van het eerste traineeship is dus evident! Voor de traineeplaatsen brandveiligheid hopen we op instroom van kandidaten uit hbo-bouwkunde-opleidingen, omdat voor advisering en toezicht op de brandveiligheid van bouwwerken ook bouwkundige kennis nodig is.”

    Op inhoud wordt het tweede traineeship dus verbreed, terwijl er ook qua organisatie en uitvoering enige wijzingen worden doorgevoerd. Wat blijft, vanwege gebleken succes, is het driedaagse introductieprogramma, waarin de trainees elkaar leren kennen en basiskennis opdoen over de taken en werkzaamheden van de veiligheidsregio’s. Vervolgens start een langer durende ‘brede’ basisopleiding, waarbij de kandidaten kennismaken met alle drie de vakgebieden: industriële veiligheid, omgevingsveiligheid en brandveiligheid. Pas in het vierde tijdblok van het traineeship kiezen de trainees een vakgebied waarin zij zich daadwerkelijk willen specialiseren.

    Persoonlijke leerlijn

    Torn: “We willen in het tweede traineeship in een iets eerder stadium beginnen met lessen die aansluiten bij de praktijk, zodat trainees sneller aan de slag kunnen met praktijktaken als onderdeel van hun leerwerkprogramma. Net als in het eerste traineeship bieden we ook nu een persoonlijke ‘leerlijn’ aan waarin trainees zich, naast hun collectieve lesprogramma, ook individueel tot specialist kunnen ontwikkelen met behulp van persoonlijke coaching. We gaan daarvoor in deze tweede ronde samenwerken met een ander coachingsbedrijf, dat meer ervaring heeft met het werkveld van de veiligheidsregio’s. We kijken vol verwachting uit naar kandidaten met een afgeronde hbo-opleiding, die willen deelnemen aan het tweede traineeship. Het nieuws is in onderwijskringen kennelijk al doorgedrongen, want al vóór de officiële openstelling hebben we twee cv’s van belangstellenden ontvangen.”