label Fysiek veilige leefomgeving

Leidinggeven in de chaos 

4 maart 2026

Als afdelingsmanager Risicoadvisering, hoofdofficier van doenst, (inmiddels) leider CoPI (commando plaats incident) bij Veiligheidsregio Hollands Midden en Safety Officer bij USAR.nl geeft zij dagelijks richting aan complexe crisissituaties. In haar nieuwe functie als leider CoPI staat Claudia Prins-van Baar midden in het crisisveld. 

Claudia Prins.

Van vrijwilliger naar crisisleider 

Claudia Prins’ motivatie om de opleiding Leider CoPI te volgen, wortelt diep. Al vanaf haar achttiende is zij actief als vrijwilliger bij de brandweer. “Leidinggeven heeft me altijd al geïntrigeerd”, vertelt ze. “Op een gegeven moment zie je dat incidenten onderdeel zijn van een groter geheel. Dan komt de vraag: hoe geef je richting aan een crisisorganisatie tijdens een groot incident? En wat maakt dat iets wel of niet werkt?” Die nieuwsgierigheid naar het grotere plaatje en naar effectief leiderschap vormde de belangrijkste drijfveer om zich verder te ontwikkelen richting leider CoPI. 

Verwachtingen versus verdieping 

De opleiding sloot goed aan bij haar verwachtingen. Door haar jarenlange operationele ervaring was de CoPI-omgeving bekend terrein. Toch bracht de opleiding een belangrijke verdieping. “In de praktijk weet je vaak wát er moet gebeuren. In de opleiding ga je veel meer de diepte in: het doorgronden, het bewust toepassen en het zien van samenhang en afhankelijkheden tussen de hulpverleningsorganisaties en partners.” 

Waar de functie van leider CoPI soms wordt weggezet als ‘alleen een voorzittersrol’, ontdekte Prins juist de complexiteit erachter. “Er zit veel meer complexiteit en nuance achter dan ik in eerste instantie dacht. Die vond ik ontzettend interessant.” 

De stap naar de functie kwam niet vanzelf. “Je moet gewoon solliciteren op een piketrol. Natuurlijk weten mensen wat je ambitie is, maar het moet wel bij je passen. Het gaat ook om de vraag: hoe verhoudt deze functie zich tot wie je nu bent en wie je wilt worden?” 

Leiderschap: sturen én loslaten 

Een belangrijke les uit de opleiding is het spanningsveld tussen inhoud en leiderschap. “Je leert hoe je voorkomt dat je je bemoeit met de expertise van de hulpverleningsdiensten. Je laat anderen hun vak uitoefenen.” Als leider CoPI neem je het incident mee als bagage en ervaring, maar laat anderen hun vak uitoefenen.” Dat vraagt om loslaten, maar ook om begrenzen. “Ruimte geven waar het kan, maar ook zeggen: we moeten wel door.” 

Volgens Prins werkt ervaring hierbij in je voordeel. “Je hebt al veel gezien en gedaan, daardoor raak je minder snel van je stuk. Je moet overzicht creëren in de chaos, en dat vraagt iets van je als mens en als leider.” 

Van structuur tot zelfreflectie 

Herkenbaar waren voor Prins de BOB-structuur en de invloed van teamdynamiek: hoe je onder tijdsdruk mensen effectief inzet en de balans vindt tussen ruimte geven en begrenzen. Nieuw was voor haar Crisis-gogme dat helpt om overzicht te creëren en incidenten te analyseren. “Dat helpt enorm om het goede gesprek te voeren in de CoPI-bak.” 

Daarnaast werd ze zich nog bewuster van haar eigen invloed. “Je wordt direct gespiegeld. Wat jij doet, heeft effect op het team. Ben jij chaos, dan zie je dat terug. Straal je rust uit, dan volgt het team.” 

Wat is een ‘goed einde’? 

Wat Prins zo aanspreekt in haar rol, is leidinggeven onder druk, met als doel iedereen zo goed mogelijk door de crisis heen te loodsen. Maar wat is eigenlijk een goed einde? “Dat wordt bepaald door de coördinatie. Doelmatigheid en doeltreffendheid spelen daarin een grote rol: is het goed gegaan, of is het goed gedaan?” 

Daarover blijven reflecteren is essentieel, vindt zij. “Het gaat niet over goed of fout. Iedereen handelt met de beste intenties. De vraag is: hebben we gedaan wat nodig was?” 

Inzichten voor de praktijk 

De belangrijkste inzichten die Prins meeneemt naar haar werkpraktijk zijn helder: 

  • Ruimte geven aan de expertise van elk CoPI -lid, met duidelijke grenzen
  • Onder tijdsdruk gezamenlijk tot besluiten komen
  • En als leider CoPI mensen goed kunnen lezen

“Sociale competenties zijn cruciaal. Je hanteert net weer een andere leiderschapsstijl Je werkt met verschillende disciplines, elk met hun eigen taal en nuances. Die verschillen herkennen en benutten, dát maakt goede samenwerking mogelijk. 

Een les die blijft hangen: leidinggeven in crisis draait niet alleen om besluiten nemen, maar vooral de denkkracht van het team te benutten. En op zo’n wijze dat ze de volgende keer weer met je willen werken.” 

Meer informatie en aanmelding 

Opleiding Leider commando plaats incident (CoPI)

Opleiding Regionaal operationeel leider

label Fysiek veilige leefomgeving

NIPV start Europees project voor richtlijn nazorg en herstel na crises 

2 maart 2026

Per 1 maart 2026 start het NIPV met het tweejarige project Richtlijn nazorg en herstel. Het project wordt uitgevoerd in opdracht van het Europese Union Civil Protection Mechanism (UCPM) en heeft als doel de nationale veerkracht in Nederland structureel te versterken. 

Foto: ANP.

Meer aandacht voor de nafase 

De periode na een ramp of crisis, de zogenoemde nafase, is binnen de crisisbeheersing lange tijd onderbelicht geweest. Terwijl dreigingen in ernst en complexiteit toenemen, zoals gewapende conflicten, klimaatverandering en pandemieën, blijken traditionele herstelmodellen (die vooral uitgaan van overheidsrespons) niet langer voldoende. 

Met dit project ontwikkelt het NIPV samen met partners een integrale nationale richtlijn voor herstel na rampen en crises, met nadruk op inclusiviteit en langdurige maatschappelijke weerbaarheid. Daarbij staat een whole-of-society-benadering centraal: overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven, kennisinstellingen en burgers werken samen aan herstel. 

Marije Bakker, senior onderzoeker-adviseur Crisisbeheersing: “De nafase verdient net zoveel aandacht als de acute respons. Juist in de periode na een crisis wordt duidelijk wat mensen en gemeenschappen écht nodig hebben om weer verder te kunnen. Met deze richtlijn maken we van nazorg en herstel een volwaardig onderdeel van crisisbeheersing.”

Vijf kerngebieden van herstel 

De richtlijn richt zich op vijf samenhangende categorieën: 

  • Basisnoodhulp 
  • Informatievoorziening 
  • Emotionele en sociale ondersteuning 
  • Praktische ondersteuning 
  • Gezondheidszorg 

    Wetenschappelijk onderzoek, beleidsinzichten en praktijkervaring worden gecombineerd om tot breed toepasbare en effectieve richtlijnen te komen voor uiteenlopende crisisscenario’s. 

    Amy Matser, lector Datagedreven publieke veiligheid: “Door data, praktijkervaring en wetenschappelijke kennis te combineren, kunnen we beter onderbouwen wat werkt in verschillende crisissituaties. Dat helpt om herstel gerichter, inclusiever en effectiever te organiseren.” 

    Samen ontwikkelen en testen 

    Een belangrijke rol is weggelegd voor zogenoemde Co-Creation Stakeholder Boards (CSB’s). Hierin werken veiligheidsregio’s, maatschappelijke organisaties en andere relevante partners samen aan het ontwikkelen en toetsen van de richtlijn in de praktijk. De aanpak sluit aan bij een breder all-hazard-raamwerk waarbij herstel wordt benaderd vanuit één samenhangende visie op verschillende typen crises. 

    Michel Dückers, bijzonder hoogleraar Crises, Veiligheid en Gezondheid: “Herstel gaat niet alleen over het herstellen van schade, maar over het versterken van maatschappelijke veerkracht op de lange termijn. Door samen te werken over organisatiegrenzen heen verkleinen we de kans dat mensen en wat er voor hen toe doet buiten beeld raken in tijden van crisis.” 

    Bijdrage aan Europese doelstellingen 

    Met dit project draagt het NIPV bij aan de doelstellingen van de EU op het gebied van civiele bescherming. Tegelijkertijd wordt de samenwerking tussen publieke, private en maatschappelijke partijen in Nederland versterkt. 

    Het project legt daarmee de basis voor beter gecoördineerde en effectievere hersteloperaties en voor een samenleving die beter is voorbereid op toekomstige uitdagingen. 

    Meer informatie

    Voor vragen of meer informatie, neem contact met ons op via info@nipv.nl.

    Werving voor traineeship Risicobeheersing gaat van start

    Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, maart 2026

    In de tweede week van maart start de werving van kandidaten voor het traineeship Risicobeheersing bij de veiligheidsregio’s. De wijziging van de benaming omgevingsveiligheid naar risicobeheersing wijst er al op dat het traineeship vakinhoudelijk wordt verbreed; brandveiligheid wordt als derde taakveld toegevoegd aan industriële veiligheid en omgevingsveiligheid.

    Het tweede traineeship is uitgebreid met de specialisatie brandveiligheid. Foto: LEC Industriële Veiligheid.

    Achttien traineeplaatsen

    Bij het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV) hebben zich dertien veiligheidsregio’s aangemeld voor deelname aan het tweede traineeshipprogramma. Zij hebben gezamenlijk achttien traineeplaatsen voor jonge hbo-talenten die zich willen bekwamen tot specialist industriële veiligheid, omgevingsveiligheid of brandveiligheid.

    De verbreding met het taakveld brandveiligheid is er gekomen op verzoek van enkele deelnemende regio’s, legt traineeshipcoördinator Chantal Torn van het LEC IV uit. “Ten aanzien van het specialisme brandveiligheid hebben veiligheidsregio’s dezelfde uitdagingen als bij industriële en omgevingsveiligheid; het is moeilijk om op de arbeidsmarkt voor openstaande vacatures ervaren kandidaten te vinden. De betreffende regio’s hopen met het bieden van traineeplaatsen mensen voor dit specialisme te interesseren en aan zich te binden.”

    Succes eerste traineeship

    De kans dat de regio’s daarin slagen is volgens Torn behoorlijk groot: “Alle kandidaten die deelnamen aan het eerste traineeship hebben na afloop van hun tweejarige opleidingsprogramma een plek aangeboden gekregen bij een veiligheidsregio in het taakveld van hun keuze. Dat betekent: twaalf enthousiaste jonge collega’s erbij, die dankzij hun traineeship, met een mooie mix van theorie en praktijk, al flink wat werkervaring hebben opgedaan en al een eigen collegiaal netwerk om zich heen hebben opgebouwd. Het succes van het eerste traineeship is dus evident! Voor de traineeplaatsen brandveiligheid hopen we op instroom van kandidaten uit hbo-bouwkunde-opleidingen, omdat voor advisering en toezicht op de brandveiligheid van bouwwerken ook bouwkundige kennis nodig is.”

    Op inhoud wordt het tweede traineeship dus verbreed, terwijl er ook qua organisatie en uitvoering enige wijzingen worden doorgevoerd. Wat blijft, vanwege gebleken succes, is het driedaagse introductieprogramma, waarin de trainees elkaar leren kennen en basiskennis opdoen over de taken en werkzaamheden van de veiligheidsregio’s. Vervolgens start een langer durende ‘brede’ basisopleiding, waarbij de kandidaten kennismaken met alle drie de vakgebieden: industriële veiligheid, omgevingsveiligheid en brandveiligheid. Pas in het vierde tijdblok van het traineeship kiezen de trainees een vakgebied waarin zij zich daadwerkelijk willen specialiseren.

    Persoonlijke leerlijn

    Torn: “We willen in het tweede traineeship in een iets eerder stadium beginnen met lessen die aansluiten bij de praktijk, zodat trainees sneller aan de slag kunnen met praktijktaken als onderdeel van hun leerwerkprogramma. Net als in het eerste traineeship bieden we ook nu een persoonlijke ‘leerlijn’ aan waarin trainees zich, naast hun collectieve lesprogramma, ook individueel tot specialist kunnen ontwikkelen met behulp van persoonlijke coaching. We gaan daarvoor in deze tweede ronde samenwerken met een ander coachingsbedrijf, dat meer ervaring heeft met het werkveld van de veiligheidsregio’s. We kijken vol verwachting uit naar kandidaten met een afgeronde hbo-opleiding, die willen deelnemen aan het tweede traineeship. Het nieuws is in onderwijskringen kennelijk al doorgedrongen, want al vóór de officiële openstelling hebben we twee cv’s van belangstellenden ontvangen.”


    Veiligheidsregio’s gaan kwaliteit taken industriële veiligheid monitoren

    Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, februari 2026

    Hoe staat het ervoor met de uitvoering van de industriële veiligheids (IV)/Seveso-taken van de veiligheidsregio’s? Wat gaat goed en wat kan beter? Om die vragen te kunnen beantwoorden, gaan de veiligheidsregio’s met ingang van dit jaar de kwaliteit van hun advisering, vergunningverlening, toezicht en handhaving (A-VTH) monitoren. Door de uitvoeringstaken aan de hand van uniforme ‘prestatie-indicatoren’ langs de meetlat te leggen, krijgen de veiligheidsregio’s inzicht in hun prestaties en houvast om hun IV-taken verder te professionaliseren. Bovendien is de jaarlijkse monitoringrapportage een mooi instrument om van elkaar te leren en kennis en best practices met elkaar te delen.

    Foto: Megin Zondervan.

    Eerste fase van start gegaan

    Het initiatief voor de kwaliteitsmonitoring ligt bij het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV) en Netwerk Industriële Veiligheid (IV). Met een tweetal start-up-bijeenkomsten in november en januari is de eerste fase van het project van start gegaan. In die fase wordt geïnventariseerd in hoeverre nu al op onderdelen gegevens over de uitvoering van de A-VTH-taken worden vastgelegd en worden uniforme prestatie-indicatoren vastgesteld. Zulke indicatoren om de kwaliteit te meten en te toetsen waren er tot nu toe nog niet. In de volgende fasen worden een monitoringplan, te gebruiken tools en een format voor rapportage ontwikkeld en worden afspraken gemaakt over hoe de resultaten kunnen dienen als input voor verbetering.

    Professionalisering VTH

    De aanleiding voor het monitoringproject is een grote professionaliseringsslag in het VTH-stelsel van de omgevingsdiensten in de afgelopen jaren. In 2021 oordeelden de commissie-Van Aartsen en de Algemene Rekenkamer dat vergunningverlening, toezicht en handhaving bij de omgevingsdiensten haperden, als gevolg van versnippering, vrijblijvendheid en gebrek aan regie en expertise. Het rapport was de aanzet tot het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH-stelsel, met als inzet de kwaliteit van de dienstverlening te verhogen en de samenwerking met partners te versterken.

    De veiligheidsregio’s, als VTH-partners van de omgevingsdiensten, werden niet in het onderzoek van de commissie-Van Aartsen betrokken. Het Netwerk IV is echter van mening dat ook de veiligheidsregio’s de kwaliteit en professionaliteit van hun advies- en VTH-taken verder kunnen verbeteren. Monitoring is de eerste stap om invulling te geven aan die ambitie.

    Doelstellingen

    De opzet van de monitoring is dat de veiligheidsregio’s jaarlijks de kwaliteit van hun A-VTH-taken meten en vastleggen, met meerdere doelstellingen. Ten eerste geven de resultaten inzicht in de kwaliteit, zodat verantwoording kan worden afgelegd aan het bestuur van de veiligheidsregio, samenwerkingspartners en andere belanghebbenden. Bovendien kan aan de hand van de resultaten worden vastgesteld in hoeverre de kwaliteit van de werkzaamheden verbetering behoeft en welke goed lopende processen behouden kunnen worden. Een volgend doel is dat de regio’s onderling kun kwaliteit kunnen vergelijken en van elkaar kunnen leren ten aanzien van werkprocessen en best practices. Ten slotte leidt het werken met uniforme indicatoren tot uniforme werkprocessen, waardoor de samenwerking tussen regio’s wordt bevorderd.

    Als de kaders, waaronder de prestatie-indicatoren, zijn vastgesteld, kan worden gestart met monitoring. In 2027 moet de eerste rapportage een feit zijn. Gestart wordt met een eenvoudige rapportage. In de volgende projectfasen wordt onderzocht of meer geavanceerde software nodig is om de monitoring uit te voeren en te rapporteren.


    Linda van de Ven aan de slag als landelijk regisseur spoorveiligheid

    Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, maart 2026

    ‘Spoorveiligheid is geen vanzelfsprekendheid.’ Met die zinsnede opende Linda van de Ven haar sollicitatie op de functie van landelijk regisseur spoorveiligheid. En met succes, want op 1 april gaat zij aan de slag in haar nieuwe job, met als missie de spoorveiligheid stevig ‘op de rails’ te zetten; in het veiligheidsdomein, de spoorsector én bij de Haagse beleidsmakers.

    Linda van de Ven. Foto: LEC Industriële Veiligheid.

    Spoorveiligheid mag dan (nog) geen vanzelfsprekendheid zijn, het spoor zelf is dat wel. Linda van de Ven becijfert dat er binnen Nederland meer gemeenten mét dan zónder spoorinfrastructuur op hun grondgebied zijn. Een fijnmazig netwerk van ruim 3.000 kilometer, met rond de 400 stations voor personenvervoer en circa 100 emplacementen voor goederenvervoer. Die combinatie van intensief personen- én goederenvervoer zorgt voor complexe en groeiende veiligheidsvraagstukken.

    Van de Ven: “Wat de situatie in Nederland onderscheidt van die in andere landen is dat ons spoorwegnetwerk heel intensief gemengd wordt gebruikt voor personen- én goederenvervoer, inclusief grote vervoersstromen gevaarlijke stoffen. En dat allemaal in een ruimtelijke realiteit van steeds meer verdichting van woonbebouwing en andere gebruiksfuncties rond spoorzones. Die combinatie van factoren levert forse risicovraagstukken op.”

    Verbinden en afstemmen

    En die krijgt de aanstaande landelijk regisseur spoorveiligheid allemaal op haar bordje. Hoe gaat zij invulling geven aan haar functie en wat is het perspectief om spoorveiligheid wél tot een vanzelfsprekendheid te maken bij alle belanghebbenden op en rond de rails?
    “In mijn rol ga ik landelijke dossiers structureren, partijen samenbrengen, en zorgen dat we als veiligheidsdomein met één stem spreken. Om te beginnen ga ik mij inlezen in alle dossiers die er al zijn over spoorveiligheid en actief kennis ophalen. Bij de veiligheidsregio’s en andere partners, departementen, maar ook in de spoorsector. Dat betekent ook: heel veel kopjes koffie drinken en veel mensen leren kennen.”

    Een belangrijke eerste stap is het definiëren wat spoorveiligheid precies is. Momenteel worden risico’s en veiligheidsvraagstukken nog vanuit verschillende perspectieven beoordeeld. “De belangen verschillen tussen sectoren, maar ook binnen ons eigen veiligheidsdomein. Door onze uitgangspunten te harmoniseren vergroten we onze gezamenlijke slagkracht en kunnen we beter adviseren richting Rijk en spoorsector. Ik zie het als een van mijn eerste opgaven om de inspanningen van alle partijen binnen het domein van brandweer en veiligheidsregio’s samen te brengen rond gezamenlijk gedragen belangen, uitgangspunten en definities voor veiligheid. Daardoor spreken we meer met één stem en staan we als professionals voor veiligheid sterker in onze lobby- en adviesrol voor het borgen van veiligheid op en rond het spoor.”

    Transities en hun gevolgen

    De noodzaak voor een stevige en zichtbare risicobeheersingsrol neemt toe door grote maatschappelijke transities. Er is al volop discussie over de veiligheid rond het Basisnet voor spoorvervoer van gevaarlijke stoffen en over de veiligheid op emplacementen. Daar komen vraagstukken rond de energie- en grondstoffentransitie bij, zoals de introductie van waterstof als alternatieve brandstof. Daarvoor zijn grote hoeveelheden ammoniak als waterstofdrager nodig, die grotendeels over het spoor zullen worden vervoerd en op emplacementen worden gerangeerd.

    Van de Ven: “Tegelijk zetten zowel de Rijksoverheid als regionale en lokale overheden sterk in op verdichting van stedelijke gebieden om aan de enorme woningbouwopgaven te voldoen. Op heel veel plaatsen worden grote nieuwe woonlocaties rond het spoor ontwikkeld, evenals ‘mobility hubs’ waar mensen van de trein naar andere vormen van vervoer kunnen switchen. Ook werkfuncties zoals kantoren worden bij voorkeur rond het spoor en stations geconcentreerd om mensen te stimuleren met het openbaar vervoer te reizen. Door die combi van toenemende vervoersdruk op het spoor en ruimtelijke ontwikkelingen eromheen, gaan de belangen van transport, wonen, werken en veiligheid, steeds meer schuren. Als we die risico’s beheersbaar willen houden, moeten we echt stevige en gedragen veiligheidsconcepten voor de spooromgeving ontwikkelen.”

    ‘Bouwklus’

    Voor Van de Ven is het spoor geen nieuw aandachtsveld, want ook in een eerdere carrièrefase maakte het al deel uit van haar portefeuille. Van de Ven brengt een stevige loopbaan mee op het snijvlak van risicobeheersing, industriële veiligheid en landelijke programma’s. Ze begon in 2009 als adviseur externe veiligheid bij Veiligheidsregio Zuidoost-Brabant en werd vervolgens Seveso-specialist voor de Brabantse regio’s; waar ze ook de rol van coördinator van het samenwerkingsverband voor industriële veiligheid op zich nam. In deze periode hield Van de Ven zich ook bezig met de Brabantroute, de spoorlijn die dwars door de bebouwde kom van Tilburg, Den Bosch en Eindhoven loopt.

    Eind 2019 vertrok zij naar het NIPV waar zij een grote rol speelde in de vernieuwing van het brandweeronderwijs. Een van haar grote projecten was de inrichting van het nieuwe leerlandschap Risicomanagement, de onderwijsbasis voor de huidige specialisten industriële veiligheid, omgevingsveiligheid en brandveiligheid. Vanuit die rol was zij ook betrokken bij het opzetten van het traineeship Omgevingsveiligheid, samen met het LEC IV.

    En nu, met al die kennis en kunde uit haar vorige functies op zak, naar de volgende stap: landelijk regisseur spoorveiligheid. Wat trok haar aan in die functie? Van de Ven: “Ik ben in zekere zin een ‘bouwer’. Ik vind het leuk om nieuwe projecten te helpen ontwikkelen en op gang te brengen. Zo’n ‘bouwklus’ heb ik net afgerond bij het NIPV met de ontwikkeling van het nieuwe leerlandschap. Ontzettend leuk om te doen; we hebben het onderwijs voor specialisten en medewerkers in risicobeheersing nu echt goed op de rit staan. Nu was ik toe aan een nieuwe stap. Het waarborgen van de veiligheid op en rond het spoor in een zo dynamische, dichtbebouwde en dichtbevolkte omgeving, is een mooie uitdaging waarin ik mijn eerder opgedane kennis en deskundigheid kan benutten. Het mooie aan het dossier spoorveiligheid is ook dat alle aspecten van de veiligheidsketen in dit dossier samenkomen, van risicobeheersing tot incidentbestrijding. Dat maakt het werk waardevol en strategisch.
    Er zijn binnen de veiligheidsregio’s maar weinig mensen die vakinhoudelijk niet met het spoor te maken hebben.”


    Herziening Model Handhavingsbeleid industriële veiligheid

    Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, maart 2026

    Eind dit jaar wordt een geactualiseerd ‘Model Handhavingsbeleid industriële veiligheid’ voor veiligheidsregio’s gepubliceerd. Het geactualiseerde model sluit aan bij de ‘Landelijke handhavingsstrategie Seveso-inrichtingen die door SEVESO+ is ontwikkeld en die dit voorjaar verschijnt. Het model helpt de veiligheidsregio’s invulling te geven aan hun toezicht- en handhavende taken in het werkveld industriële veiligheid.

    Foto: Megin Zondervan.

    Aanleiding herziening

    De huidige versie van het Model Handhavingsbeleid, opgesteld onder regie van het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV), dateert uit 2018. De artikelen 31 en 48 van de Wet veiligheidsregio’s en (destijds) het Brzo 2015 vormden de grondslag voor dat model. Sinds 2018 zijn er verschillende veranderingen geweest die een actualisatie van het model handhavingsbeleid nodig maken. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn ook de Wet veiligheidsregio’s en het Besluit veiligheidsregio’s aangepast. Daarnaast passen de veiligheidsregio’s en de partners in SEVESO+ sinds 2022 de landelijke benadering risicobedrijven toe als methodiek in hun toezicht op de hoogrisicoindustrie.

    Bij de introductie van de Omgevingswet verscheen al een addendum bij het Model handhavingsbeleid van 2018, met de aankondiging dat het model volledig zou worden herzien en aangepast aan de Omgevingswet. Die herziening start dit voorjaar en in het vierde kwartaal moet het nieuwe model beschikbaar zijn voor de veiligheidsregio’s. Het bestuur van de veiligheidsregio dient het handhavingsbeleid vast te stellen.

    Aanpassing van structuur en terminologie

    Volgens projectleider Henk van Wetten van het LEC IV is met de herziening gewacht tot de publicatie van de ‘Landelijke handhavingsstrategie Seveso-inrichtingen’ van SEVESO+. Deze is gereed en wordt op korte termijn gepubliceerd. “De reikwijdte van toezicht- en handhavende bevoegdheden verandert niet met het nieuwe model; de belangrijkste wijzigingen betreffen aanpassing van structuur en terminologie. Waar in het oude model bijvoorbeeld nog wordt gesproken over ‘inrichtingen’ spreekt het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving) over milieubelastende activiteiten, MBA’s. Voor de herziening gaan we ook input ophalen bij de veiligheidsregio’s. Via een enquête onder de coördinatoren en de inspecteurs in de zes Seveso-samenwerkingsgebieden willen we een beeld krijgen van het gebruik en de toepassing van het handhavingsbeleid tot dusver in de praktijk. Passen de regio’s het daadwerkelijk toe? In welke situaties wordt ervan afgeweken en met welke argumenten? En lopen de veiligheidsregio’s in de uitvoering van hun handhavingsbeleid aan tegen vraagstukken of knelpunten, die vragen om aanpassing? De uitkomsten van de enquête verwerken we in het herziene model.”

    Het voornemen van de projectgroep is om, naast publicatie van het herziene model, tijdens de Netwerkdag Industriële Veiligheid in november een workshop te verzorgen om gebruikers wegwijs te maken in het geactualiseerde instrument.


    Aankondiging Release LCMS 2026 Q2 


    27 februari 2026

    De release LCMS 2026 Q2 komt eraan. In dit bericht informeren we je over de planning & impact, en inhoud van deze release. 

    Planning en impact

    Acceptatieomgeving 

    • Op dinsdag 10 maart wordt de release uitgerold op de acceptatieomgeving.  

    Oefenomgeving  

    • Op dinsdag 7 april tussen 9:00-16:00 uur wordt de Oefenomgeving bijgewerkt. 
    • Er is geen sprake van downtime.
    • Maak tijdens deze release gebruik van de Operationele omgeving. Zet bij het uitwijken naar de Operationele omgeving ‘Oefening’ in de naam van een activiteit. 

    Operationele omgeving 

    • Op dinsdag 14 april tussen 9:00-16:00 uur wordt de release op de Operationele omgeving bijgewerkt. 
    • Maak tijdens de update gebruik van de Oefenomgeving, ook bij een daadwerkelijk incident. 

    Liveblog 

    Tijdens de releases kun je de voortgang volgen via een liveblog op lcms.nl.

    Inhoud 

    In de release 2026 Q2 voeren we diverse security fixes en andere aanpassingen en wijzigingen (RFC’s) door. Waaronder de ‘pauzeknop’ in LCMS Plot; die zorgt ervoor dat bij het presenteren van het situatiebeeld, de wijzigingen die een GIM’er tegelijkertijd doorvoert niet direct zichtbaar zijn. Ook wordt de style-lintconfiguratie bijgewerkt, waardoor kleuren en iconen in de user interface iets kunnen afwijken van eerdere versies.

    Vragen? 

    Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan contact op met de beheerder van jouw organisatie. 

    label Fysiek veilige leefomgeving

    “STH-team nog meer borgen in de reguliere organisatie”

    27 februari 2026

    “Slachtoffers redden onder het puin. Instabiele constructies veilig maken. Helderheid brengen in de eerste, chaotische fase van een instorting of explosie. Dat is waar Specialisme technische hulpverlening (STH) voor staat. En precies daarom moet het team vanzelfsprekend worden ingezet als de situatie daarom vraagt.” Patrick Smulders startte in februari als landelijk coördinator STH bij het NIPV. Zijn focus: dit landelijk specialisme verder professionaliseren en steviger verankeren binnen de brandweerorganisatie.

    Patrick Smulders (rechts op de foto) tijdens een STH-oefening. Foto: Megin Zondervan.

    Specialistische ondersteuning bij complexe incidenten

    STH is paraat bij grote of complexe incidenten met gebouwen, maar ook bij incidenten op het spoor. Bijvoorbeeld bij instabiele constructies, beknelling of instorting. Daarmee ondersteunt STH de basisbrandweerzorg bij situaties die vragen om specialistische kennis en werkwijzen.

    Volgens Smulders draait het om twee kernopgaven: redden en veilig werken. “Wij zijn er voor het redden en bergen van slachtoffers. Maar minstens zo belangrijk is dat wij zorgen voor een veilige werkplek voor hulpverleners.”

    STH wordt niet vaak gealarmeerd, maar de meerwaarde wordt duidelijk bij incidenten zoals in 2024 aan de Tarwekamp in Den Haag en recent in de binnenstad van Utrecht. “Aan het begin was in Utrecht niet duidelijk of er slachtoffers waren. Wij zorgen voor helderheid door met structuur de hele incidentlocatie veilig te onderzoeken. In Utrecht hebben wij, samen met de lokale eenheden, het schadebeeld vastgesteld en de werkplek veilig gemaakt voor andere hulpverleners.”

    De resultaten onderstrepen het belang van het specialisme. In de afgelopen jaren zijn meerdere slachtoffers onder het puin vandaan gehaald. “Levens daadwerkelijk gered. Dat vind ik wel een hele belangrijke. Onze inzet de afgelopen 10 jaar laat zien dat ons specialisme nodig is.”

    Van operatie naar landelijke coördinatie

    Smulders werkt bijna twintig jaar bij de brandweer. Maar zijn loopbaan begon in HR bij een commercieel bedrijf “Bij Bosch in Tilburg was een bedrijfsbrandweer vanwege hun werk met ammoniak. Ik leidde destijds dit team. Op een gegeven moment vroegen ze: is de bedrijfsbrandweer niet iets voor jou? Toen ben ik de manschapopleiding bedrijfsbrandweer gaan volgen.”

    Later maakte Smulders de overstap naar een bedrijf in Drunen. Hij werd daar postcommandant en koos uiteindelijk volledig voor het brandweervak.

    In 2017 sloot hij aan bij STH, als onderdeel van de tweede lichting. “Het specialisme sprak mij aan door de complexiteit van de incidenten waarvoor je gealarmeerd kan worden. Hoe ga je om met slachtoffers onder het puin? Dat vraagt andere kennis en ervaring.”

    Teams van USAR.NL en van het Specialisme Technische Hulpverlening aan het oefenen
    Oefening van STH waarbij slachtoffers bekneld zitten in een bus.

    In 2020 werd hij teamleider van het STH-team en schoof hij aan bij het landelijk overleg. Zo zag hij het specialisme groeien.

    “De eerste inzetten waren spannend. Hoe gaan we werken? Nu weten we waar we staan, wat we moeten doen en hoe we moeten inzetten. Je ziet dat de organisatie rondom STH steeds professioneler wordt. De manier van oefenen en zorgen dat we vakbekwaam blijven, is echt anders dan in het begin. We hebben geleerd van incidenten.”

    Borgen binnen de brandweerorganisatie

    Als landelijk coördinator richt Smulders zich op verdere professionalisering en borging van STH binnen de brandweerorganisatie. “Het specialisme is nu niet standaard onderdeel van de opschaling in de brandweerorganisatie. Niet iedereen denkt aan ons als dat nodig is. Terwijl we juist een vast onderdeel moeten zijn bij grote of complexe incidenten waar specialistische technische hulpverlening kan bijdragen. Je ziet dat steeds beter gaan. Mensen weten steeds beter wie we zijn en wat we doen.”

    Een slachtoffer wordt bevrijd tijdens een oefening door teams van USAR.NL en van het Specialisme Technische Hulpverlening.
    STH en USAR.NL bevrijden een slachtoffer tijdens een oefening.

    Een belangrijk aandachtspunt is voor Smulders de verbinding met meldkamers. “Ik wil dat centralisten in de meldkamer weten waar STH voor is. Als er in het geïntegreerd meldkamersysteem (GMS) een karakteristiek instorting binnenkomt, dan wil ik dat een teamleider STH automatisch een piepje krijgt. Dan staat iedereen op scherp en let je op, een STH-team is misschien nodig.”

    Daarnaast zet hij in op bewustwording in opleidingen. Als voorbeeld noemt Smulders zijn ervaringen in Zuid6, een samenwerkingsverband van de zes zuidelijke veiligheidsregio’s. STH werd gevraagd voor één les over instabiele gebouwen en dat groeide uit tot bredere voorlichting binnen verschillende functies. “We zijn begonnen bij de manschappen met bewustwording over constructies bij brand, stormschade of gasexplosies. En waar sluit STH aan in het hele verhaal? Dat is zo enthousiast ontvangen dat het als een olievlek werkt. Dat verhaal zou ik landelijk willen wegzetten.”

    Zijn ambitie is niet groter worden, maar STH steviger verankeren. “Als we kunnen continueren wat we nu doen en het goed borgen in de brandweerorganisatie, dan zijn we goed bezig.”

    De rol van brandweercultuur en gedrag bij het nabespreken van incidenten

    26 februari 2026

    De cultuur binnen de brandweer en het gedrag van brandweermensen kunnen van invloed zijn op het leren van incidenten. Maar hoe ervaren brandweermensen zelf die invloed? Dat heeft het NIPV onderzocht. Bevorderend werken: vertrouwdheid met elkaar, openheid, voorbeeldgedrag van (in)formele leiders en een cultuur waarin nabespreken vanzelfsprekend en belangrijk is. Belemmerend zijn: hiërarchie, groepsdruk, angst voor oordelen van anderen, loyaliteit en een mindset waarin het bereiken van het operationele doel voldoende wordt gevonden.

    Brandweermensen in een kring op oefenterrein na afloop van een oefening
    Foto: NIPV.

    Nabesprekingen (nog) beter organiseren

    Het doel van dit verkennende onderzoek was om inzichtelijk te maken of en hoe de brandweercultuur en het gedrag en de houding van brandweermensen het mono nabespreken van incidenten stimuleren of belemmeren. Met de bevindingen uit dit onderzoek kunnen nabesprekingen (nog) beter worden georganiseerd.

    Belangrijkste conclusies

    • Cultuur, gedrag en houding zijn nauw met elkaar verbonden bij het leren van incidenten.
    • De heersende cultuur binnen een ploeg of post beïnvloedt sterk welk gedrag en houding tijdens nabesprekingen mogelijk en wenselijk zijn. Tegelijkertijd wordt die cultuur gevormd door het gedrag van individuen. Waarbij het voorbeeldgedrag van formele én informele leiders een belangrijke rol speelt.
    • Brandweermensen hebben over het algemeen een positieve houding ten opzichte van het nabespreken van incidenten. Maar houding alleen is onvoldoende om het leren te borgen. Gedrag en sociale normen binnen de groep bepalen wat er daadwerkelijk wordt uitgesproken en opgepakt.
    • Leren van incidenten is geen verantwoordelijkheid van individuele brandweermensen, maar een collectief proces. De effectiviteit van nabesprekingen hangt vooral af van een veilige groepsdynamiek, voorbeeldgedrag en duidelijke gezamenlijke doelen. En minder van de vorm van nabesprekingen (formeel, informeel of een combinatie).

    Aandachtspunten voor nabespreken van incidenten

    Het onderzoek laat zien welke aandachtspunten van belang zijn bij het organiseren en uitvoeren van nabesprekingen. Zo vraagt een goede nabespreking om oog voor verschillende behoeften binnen de ploeg, het actief stimuleren van openheid en het delen van lessen. Hierbij kunnen (in)formele leiders een belangrijke rol spelen. Ook individuele brandweermensen kunnen een positieve invloed uitoefenen door open en lerend het gesprek in te gaan.

    Lees het rapport

    label Maatschappelijke veerkracht

    Landelijke pilot noodsteunpunten van start

    24 februari 2026

    Met een landelijk netwerk van lokale noodsteunpunten moeten gemeenten antwoord kunnen geven op crisissituaties en uitval van voorzieningen. De proef met deze noodsteunpunten is inmiddels van start gegaan. Bijna 70 gemeenten in alle 25 veiligheidsregio’s doen dit jaar mee. Het NIPV voert de pilot uit in opdracht van de VNG, de veiligheidsregio’s en het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV).

    Foto: www.pexels.com.

    In de pilot staan 4 vragen centraal

    Een noodsteunpunt is een fysieke locatie in de gemeente waar inwoners terecht kunnen als voorzieningen zijn uitgevallen. Daar ontvangen zij in ieder geval belangrijke informatie. In de pilot wordt onderzocht of de noodpunten ook andere vormen van ondersteuning kunnen bieden. In de pilot staan deze 4 vragen centraal:

    • Wat zijn de uitgangspunten van een noodsteunpunt en welke middelen en bezetting zijn daarvoor nodig?
    • Hoe kan het noodsteunpunt voorzien in de gevraagde informatie en communicatie?
    • Wat is de rol van maatschappelijke initiatieven en burgerhulpverlening bij crises?
    • Wat is er nodig voor de continuïteit, wanneer een crisissituatie lang aanhoudt?

    Weerbaarheid vraagt om een lokale aanpak

    Gemeenten spelen een cruciale rol in het versterken van de maatschappelijke weerbaarheid en veerkracht. Als eerste overheid staan ze dichtbij inwoners en ondernemers en hebben ze een unieke positie. Daarom werken veiligheidsregio’s en gemeenten nauw samen om de pilot met de noodsteunpunten uit te voeren. In de gemeente Utrecht werd in december al een oefening met een noodsteunpunt gehouden. Ook deze is onderdeel van de huidige pilot die het NIPV uitvoert in opdracht van de VNG, de veiligheidsregio’s en het ministerie van JenV.

    Begin 2027 concreet advies

    Het kabinet heeft bij de Voorjaarsnota van 2025 geld vrijgemaakt voor het versterken van weerbaarheid. Een belangrijk onderdeel hiervan is de ontwikkeling van een landelijk netwerk van lokale noodsteunpunten en regionale coördinatiepunten. De huidige landelijke pilot is het resultaat van afspraken tussen de minister van JenV, de VNG en het Veiligheidsberaad van 15 oktober 2025. Het landelijk project pilots noodsteunpunten levert begin 2027 een concreet advies op.

    Lees het projectplan

    Meer informatie

    Heeft u nog vragen over de pilots? Neem dan contact op met de landelijk projectleider, Charlotte van Ruijven, via noodsteunpunten@nipv.nl.