Stapeling van klimaatdreigingen vraagt om integrale voorbereiding en respons

18 februari 2026

De effecten van klimaatrisico’s zoals hitte, droogte en natuurbrand kunnen elkaar tijdens een crisis versterken. Wanneer deze klimaatdreigingen tegelijk voorkomen, kunnen ze leiden tot een reeks aan cascade-effecten. Denk daarbij aan uitval van telecommunicatie en elektriciteit, mobiliteitsproblemen en gevolgen voor industrie, voedselvoorziening en gezondheidszorg. Uit onderzoek van Deltares, TNO en het NIPV blijkt dat de belangrijkste uitdaging voor crisisbeheersing in dit soort situaties is om zowel in de voorbereiding als in de respons te werken vanuit een integrale benadering.

Klimaatbeeld

Deltares-onderzoekers en projectleider Margreet van Marle:

Klimaatdreigingen verschillen van andere dreigingen doordat ze vaak een groot gebied beslaan, lang kunnen aanhouden en lastig te voorspellen zijn. Als vitale infrastructuur zoals telecommunicatie of elektriciteit uitvalt werkt dat direct door in andere sectoren en kan het daardoor snel leiden tot grote maatschappelijke impact. Daarom is het belangrijk om nu al strategieën te ontwikkelen die ook werken bij langdurige, onvoorspelbare en gelijktijdige gebeurtenissen.”

Beter voorbereiden op samenloop, schaarste en onderlinge afhankelijkheden

Incidenten die ontstaan door klimaatdreigingen veroorzaken steeds vaker cascade‑effecten die meerdere sectoren en regio’s tegelijk treffen. Dit vraagt om een betere voorbereiding op samenloop van gebeurtenissen, schaarste en onderlinge afhankelijkheden. De inzichten uit het rapport laten zien dat crisisbeheersing moet verschuiven van een aanpak per afzonderlijk incident naar een integrale benadering van gelijktijdige crises.


NIPV-onderzoeker en medeauteur Edith Leentvaar:

“We weten dat er cascade-effecten zijn, we weten dat we moeten samenwerken, en toch zie je dat we crises in Nederland nog gefragmenteerd aanpakken. De uitdaging voor crisisbeheersing is dat we in voorbereiding én in respons veel meer moeten komen tot een integrale benadering.”

Eerder en intensiever samenwerken

Een belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat veiligheidsregio’s en betrokken organisaties al in de voorbereidingsfase eerder en intensiever moeten samenwerken. Door gezamenlijk scenario’s uit te werken, te oefenen met meerdere gelijktijdige incidenten en vooraf na te denken over keuzes bij schaarste, wordt voorkomen dat organisaties tijdens een crisis vooral vanuit hun eigen processen handelen. Daarnaast is meer bovenregionale afstemming noodzakelijk, omdat de effecten van klimaatgerelateerde incidenten zich zelden beperken tot één regio. Dat vraagt niet alleen om gezamenlijke besluitvorming, maar ook om duidelijke afspraken vooraf over gezamenlijke communicatie.

Het onderzoek benadrukt dat organisaties nu al belangrijke stappen kunnen zetten door risico’s en onderlinge afhankelijkheden expliciet in kaart te brengen, samen te oefenen met complexe scenario’s en zo handelingsperspectieven te ontwikkelen voor langdurige of onvoorspelbare crises.

Onderdeel van het programma Klimaatveiligheid

Dit onderzoek is uitgevoerd door Deltares, TNO en het NIPV in opdracht van het programma Klimaatveiligheid. Dit programma richt zich op het verhogen van kennis, beter samenwerken en professionaliseren op het gebied van klimaatveiligheid binnen de veiligheidsregio’s. 

Lees het rapport

Bekijk het onderzoek ‘Klimaatdreigingen, bijbehorende cascade-effecten en gevolgen voor crisisrespons’.

label Klimaatadaptatie

Stapeling van klimaatdreigingen vraagt om integrale voorbereiding en respons

18 februari 2026

De effecten van klimaatrisico’s zoals hitte, droogte en natuurbrand kunnen elkaar tijdens een crisis versterken. Wanneer deze klimaatdreigingen tegelijk voorkomen, kunnen ze leiden tot een reeks aan cascade-effecten. Denk daarbij aan uitval van telecommunicatie en elektriciteit, mobiliteitsproblemen en gevolgen voor industrie, voedselvoorziening en gezondheidszorg. Uit onderzoek van Deltares, TNO en het NIPV blijkt dat de belangrijkste uitdaging voor crisisbeheersing in dit soort situaties is om zowel in de voorbereiding als in de respons te werken vanuit een integrale benadering.

Klimaatbeeld

Deltares-onderzoekers en projectleider Margreet van Marle: “Klimaatdreigingen verschillen van andere dreigingen doordat ze vaak een groot gebied beslaan, lang kunnen aanhouden en lastig te voorspellen zijn. Als vitale infrastructuur zoals telecommunicatie of elektriciteit uitvalt werkt dat direct door in andere sectoren en kan het daardoor snel leiden tot grote maatschappelijke impact. Daarom is het belangrijk om nu al strategieën te ontwikkelen die ook werken bij langdurige, onvoorspelbare en gelijktijdige gebeurtenissen.”

Beter voorbereiden op samenloop, schaarste en onderlinge afhankelijkheden

Incidenten die ontstaan door klimaatdreigingen veroorzaken steeds vaker cascade‑effecten die meerdere sectoren en regio’s tegelijk treffen. Dit vraagt om een betere voorbereiding op samenloop van gebeurtenissen, schaarste en onderlinge afhankelijkheden. De inzichten uit het rapport laten zien dat crisisbeheersing moet verschuiven van een aanpak per afzonderlijk incident naar een integrale benadering van gelijktijdige crises.

NIPV-onderzoeker en medeauteur Edith Leentvaar: “We weten dat er cascade-effecten zijn, we weten dat we moeten samenwerken, en toch zie je dat we crises in Nederland nog gefragmenteerd aanpakken. De uitdaging voor crisisbeheersing is dat we in voorbereiding én in respons veel meer moeten komen tot een integrale benadering.”

Eerder en intensiever samenwerken

Een belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat veiligheidsregio’s en betrokken organisaties al in de voorbereidingsfase eerder en intensiever moeten samenwerken. Door gezamenlijk scenario’s uit te werken, te oefenen met meerdere gelijktijdige incidenten en vooraf na te denken over keuzes bij schaarste, wordt voorkomen dat organisaties tijdens een crisis vooral vanuit hun eigen processen handelen. Daarnaast is meer bovenregionale afstemming noodzakelijk, omdat de effecten van klimaatgerelateerde incidenten zich zelden beperken tot één regio. Dat vraagt niet alleen om gezamenlijke besluitvorming, maar ook om duidelijke afspraken vooraf over gezamenlijke communicatie.

Het onderzoek benadrukt dat organisaties nu al belangrijke stappen kunnen zetten door risico’s en onderlinge afhankelijkheden expliciet in kaart te brengen, samen te oefenen met complexe scenario’s en zo handelingsperspectieven te ontwikkelen voor langdurige of onvoorspelbare crises.

Onderdeel van het programma Klimaatveiligheid

Dit onderzoek is uitgevoerd door Deltares, TNO en het NIPV in opdracht van het programma Klimaatveiligheid. Dit programma richt zich op het verhogen van kennis, beter samenwerken en professionaliseren op het gebied van klimaatveiligheid binnen de veiligheidsregio’s. 

Lees het rapport

label Fysiek veilige leefomgeving

Complex incident met gevaarlijke stoffen? Zo werkt landelijke opschaling

18 februari 2026

Het bestrijden van incidenten met gevaarlijke stoffen is een kerntaak van de brandweer. In de meeste situaties biedt de lokale inzet voldoende capaciteit en expertise. Maar bij complexe incidenten kan aanvullende specialistische ondersteuning noodzakelijk zijn.

Denk aan een gekantelde tankwagen met salpeterzuur in een dichtbevolkt gebied, een grote lekkage van toxische stoffen of een incident waarbij meerdere risico’s samenkomen. In zulke situaties kan de brandweer het landelijk brandweerspecialisme Incidentbestrijding Gevaarlijke Stoffen (IBGS) inzetten.

Hoe het landelijk specialisme IBGS ondersteunt bij complexe incidenten met gevaarlijke stoffen? Bekijk de video.

Wanneer komt IBGS in beeld?

IBGS ondersteunt bij incidenten waarbij:

  • sprake is van complexe chemische, toxische of fysische risico’s;
  • specialistische meet- en analysecapaciteit nodig is;
  • bronbestrijding vraagt om specifieke kennis en materieel;
  • grootschalige ontsmetting noodzakelijk is;
  • samenwerking met industriële bedrijfsbrandweren vereist is;
  • risico’s voor de omgeving zorgvuldig moeten worden beoordeeld.

De inzet van IBGS verloopt via een heldere opschalingsstructuur. De Adviseur Gevaarlijke Stoffen (AGS) beoordeelt het incident ter plaatse. Wanneer de situatie daarom vraagt, schakelt de AGS via de meldkamer de hulplijn in. De Landelijk Adviseur Gevaarlijke Stoffen (LA-GS) adviseert vervolgens over de inzet van landelijke specialismen.

Wat doet IBGS concreet?

IBGS levert specialistische kennis, materieel en teams ter ondersteuning van de lokale inzet. Daarbij kan het onder meer gaan om:

Advies over schuimtoepassing

Specialistisch advies over de inzet van schuimtoepassing en het beperken van verspreiding.

Effectgebied in kaart brengen

Door middel van onder meer geavanceerde meetapparatuur en deskundigheid brengt IBGS verspreiding en effectgebied in kaart.

Ondersteuning door industriële bedrijfsbrandweren

Afstemming en inzet van specifieke industriële kennis en capaciteit.

Grootschalige ontsmetting

Organisatie en uitvoering van ontsmettingsprocessen bij grotere groepen betrokkenen.

Bronbestrijding met specialistische teams

Technische ondersteuning bij het dichten van lekkages, stabiliseren van situaties en beperken van verdere uitstroom.

IBGS werkt aanvullend op de regionale inzet en versterkt waar nodig de operationele slagkracht.

Heldere lijnen bij impactvolle incidenten

Grote incidenten met gevaarlijke stoffen komen relatief weinig voor. Juist daarom is het van belang dat functionarissen in de veiligheidsketen weten hoe de landelijke ondersteuning is georganiseerd en wanneer opschaling passend is.

Duidelijke afspraken, snelle besluitvorming en eenduidige communicatie dragen bij aan effectieve incidentbestrijding en het beperken van risico’s voor hulpverleners en omgeving.

label Fysiek veilige leefomgeving

Zorgplicht in de nafase: lessen voor gemeenten

16 februari 2026

Wanneer de hulpdiensten zijn vertrokken of de crisisorganisatie is afgeschaald, is een gebeurtenis vaak nog niet voorbij. Na de acute fase blijven de gevolgen voor inwoners vaak nog lang voelbaar. In deze periode hebben gemeenten een zorgplicht richting hun inwoners. Het NIPV heeft onderzoek gedaan naar lokale (mini-)crises om inzicht te geven wat deze fase van gemeenten vraagt en hoe hier in de praktijk invulling aan wordt gegeven. 

Veel huizen in de Enschedese wijk Pathmos zijn na een hoosbui onbewoonbaar geworden. Foto: ANP.

Onvoldoende overdracht van crisis naar regulier

Uit het onderzoek blijkt dat de nafase veel van gemeenten vergt.  Het gemeentelijke werk begint meestal bij de overdracht van de crisisorganisatie naar de gemeentelijke organisatie. Die overdracht komt vaak maar matig uit de verf. Een ‘warme’ overdracht door middel van een gesprek komt lang niet altijd tot stand. Ook ontbreekt het vaak aan expliciete besluitvorming en vooraf vastgestelde uitgangspunten. 

Pragmatische aanpak overheerst

Door het ontbreken van duidelijke kaders wordt de nafase meestal pragmatisch ingevuld. Slechts in enkele gevallen is sprake van een gestructureerde aanpak met daarin de inrichting van teams en werkwijzen, verantwoordelijkheden en aandachtspunten per thema.  

Communicatie op orde hebben

Zorgvuldige en consistente communicatie is essentieel voor het vertrouwen van getroffenen. Gemeenten zetten diverse communicatiemiddelen in, zoals bewonersbrieven, bijeenkomsten en online informatie. Toch is de communicatie niet altijd toereikend, bijvoorbeeld door onduidelijke aanspreekpunten of wisselende boodschappen.

Ondersteuning en psychosociale zorg

Positieve ervaringen zijn er met centrale informatie- en ondersteuningspunten, waar inwoners met uiteenlopende vragen terechtkunnen. Deze ‘eenloketfunctie’ wordt gewaardeerd. Psychosociale zorg wordt meestal snel ingezet bij incidenten met doden of gewonden, maar komt bij de aantasting van de leefomgeving vaak later op gang.

Inspanningsplicht en leren van de nafase

Hoewel schadeafhandeling geen directe gemeentelijke taak is, is het wenselijk als de gemeente hierin wel een ondersteunende rol vervult. Zeker vanwege de koppeling tussen herstel en nazorg. Opvallend is dat de nafase zelden wordt geëvalueerd of gemonitord.  

Het onderzoek biedt waardevolle inzichten voor gemeenten: wat zijn de ervaringen, goede praktijken en aandachtspunten voor de nafase? Op basis van deze kennis kunnen gemeenten zich beter voorbereiden op mogelijke toekomstige gebeurtenissen met een nafase. De rode draden en aandachtspunten zijn beknopt samengevat in een factsheet. Het onderzoek vormt een startpunt voor verdere kennisontwikkeling over de nafase van (mini-)crises.  

Lees het rapport en de factsheet

Update uit het netwerk: hoe ik een duurzaamheidsvisie uit de jaren ’80 nu kon voelen

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, februari 2026

Hallo allemaal, 

Na de kerst vertrok ik voor een prachtige reis door Costa Rica, waar ik iets heb ervaren dat me diep heeft geraakt en dat ik graag met jullie wil delen. Niet omdat het ver weg en exotisch is, maar omdat het verrassend dichtbij komt bij de vragen waar wij ons in Nederland dagelijks mee bezighouden: hoe leven we veilig, duurzaam en toekomstbestendig in een veranderend klimaat? 

Een land dat kiest voor harmonie met de natuur

Wat me vanaf het begin opviel, is hoe vanzelfsprekend de relatie met de natuur in Costa Rica is. Niet als decor, maar als partner. Niet iets dat beheerst moet worden, maar iets waarmee je samenwerkt. De Costa Ricanen kozen decennia geleden al voor een pad van duurzaamheid, herstel van ecosystemen en een langetermijnvisie op leefbaarheid. 

Dat zie je overal terug: 

  • in hun nationale trots op regenwouden en biodiversiteit 
  • in de manier waarop gemeenschappen verantwoordelijkheid delen voor water, bossen en landbouwgrond 
  • in het respectvolle, bijna ritmische samenspel tussen mens en omgeving 

Die houding voelt anders dan hoe wij in Nederland vaak met risico’s omgaan. Waar wij geneigd zijn te sturen, te reguleren en te beheersen, kiest Costa Rica juist voor aanpassen, samenwerken en meebewegen. 

Klimaatveiligheid vraagt om marathonlopers

Wat mij het meest inspireerde, is hoe consequent Costa Rica vasthoudt aan zijn duurzame koers. Niet als een verzameling van losse beleidsmaatregelen, maar als een culturele keuze, diep verankerd in de samenleving. Decennialang investeren in natuurherstel en educatie heeft hen niet alleen groene landschappen gebracht, maar ook veerkracht, een gedeeld gevoel van verantwoordelijkheid én inkomsten uit ecotoerisme en regeneratieve natuur. Het laat zien: duurzaamheid is geen sprint, maar een marathon. Geen plan op papier, maar een manier van leven. 

Daarin schuilt voor mij een belangrijke les voor ons werk aan klimaatveiligheid. Onze veiligheidsregio’s staan voor grote uitdagingen: extremer weer, kwetsbare systemen, druk op hulpdiensten en een maatschappij in transitie. Maar Costa Rica liet me zien dat lange adem, gezamenlijke visie en vertrouwen in natuurlijke systemen uiteindelijk meer opleveren dan snelle wins. Natuurlijk is niet alles perfect daar. De uitdaging om investeerders en toeristen met slechte bedoelingen buiten te houden is groot. Maar ik geloof dat zij het kunnen – net zoals wij! 

Klimaatveiligheid is geen extra klusje, het is de sleutel tot continuïteit en een weerbare samenleving. Laten wij het jaar 2026 gebruiken om nog steviger in onze schoenen te staan met ons werk aan klimaatveiligheid. Laten we onze organisaties stap voor stap verder bewust maken van ons belang als hulpdiensten bij dit onderwerp. Én laten wij verder de droom nastreven van klimaatveiligheid als cultuur, niet als project, door actief richting te geven aan de toekomst die we willen.  

Ik ben dankbaar dat jullie met mij deze marathon (misschien zelfs ultramarathon) lopen, en ik kijk ernaar uit jullie op 12 maart weer te spreken tijdens onze eerste netwerkbijeenkomst! 

Hasta luego compañeros! 

Lana Garrels  

Voorzitter Netwerk Klimaatveiligheid 

Nieuwe praatplaat over het meerlaagveiligheidsmodel

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, februari 2026

Met deze publicatie is een overzicht ontstaan van de verschillende rollen en maatregelen bij veiligheidsregio’s, partners, kennisinstituten en nationale programma’s. Hoewel het model is ontstaan in de waterwereld, laat deze praatplaat zien dat het model zich ook leent voor de andere klimaatdreigingen.

Screenshot van het meerlaagsveiligheidsmodel. Afbeelding: NIPV.

Samenwerking stimuleren

De effecten van klimaatverandering vergroten de risico’s op droogte en extreme weersomstandigheden, die nieuwe uitdagingen met zich meebrengen voor risico- en crisisbeheersing. Door dit per fase in kaart te brengen willen de veiligheidsregio’s samenwerking stimuleren en de keten versterken.  

Grotere rol meerlaagsveiligheidsmodel 

Veiligheidsregio’s pleiten al langer voor een grotere rol van meerlaagsveiligheid. De verschillende lagen – 5 stuks – bestaan uit: bewustzijn, preventie, gevolgbeperking, crisisbeheersing, nafase & herstel.  Het principe is dat de verschillende lagen elkaar versterken. 

Charlotte Van Ruijven, programmamanager klimaatveiligheid: “Het model maakt duidelijk dat systemisch denken en werken belangrijk zijn: iedere betrokken partij – gemeente, waterschap, veiligheidsregio – vervult een specifieke rol binnen een van de lagen. Het wordt dus steeds belangrijker om verder te kijken dan alleen de eigen laag. En samenhang te zoeken met de rest van het systeem”.

Samenwerken in een projectwerkplaats 

De praatplaat is tot stand gekomen in een projectwerkplaats. Hierin hebben experts uit de veiligheidsregio’s, onder begeleiding van het NIPV, intensief samengewerkt om tot dit resultaat te komen.  
 
De projectwerkplaats is een initiatief van het programma Klimaatveiligheid, een samenwerking tussen de veiligheidsregio’s, het KNMI, het ministerie van Justitie en Veiligheid en het NIPV.   

Samenwerken aan veiligheid: de waarde van het meerlaagsveiligheidsmodel

16 februari 2026

Veiligheidsvraagstukken worden steeds complexer en vragen om nauwe samenwerking tussen verschillende organisaties en sectoren. Volgens Edith van der Reijden, directeur Risico- en Crisisbeheersing bij Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, biedt het meerlaagsveiligheidsmodel hiervoor een waardevol en toekomstgericht denkkader. Vanuit haar ervaring ziet zij hoe het model organisaties helpt om gezamenlijk naar risico’s, crises en herstel te kijken. 

Screenshot van het meerlaagsveiligheidsmodel. Afbeelding: NIPV.

Een model dat verder kijkt dan crisisbeheersing

Van der Reijden legt uit dat het meerlaagsveiligheidsmodel oorspronkelijk vooral binnen de waterveiligheid werd toegepast. “Tijdens mijn werk bij het waterschap zag ik hoe het model daar werd geïntroduceerd. Na de overstromingen in Limburg kreeg het model meer aandacht en is het verder ontwikkeld. Daarbij zijn ook nafase & herstel en (water)bewustzijn als extra laag toegevoegd.” 

Volgens Van der Reijden is die ontwikkeling logisch. “Het model laat zien dat veiligheid niet alleen gaat over optreden tijdens een crisis, maar over het hele proces daaromheen. Het begint bij bewustzijn, gevolgd door preventie, gevolgbeperking en crisisbeheersing, en eindigt bij nafase en herstel. Door deze onderdelen samen te bekijken, ontstaat een completer beeld van veiligheid.” 

Bewustzijn als fundament van veiligheid

Voor Van der Reijden vormt bewustzijn de basis van het model. “Bewustzijn gaat over het begrijpen van risico’s en het besef dat iedereen daarin een verantwoordelijkheid heeft. Zodra mensen weten dat een risico bestaat, kunnen ze er niet meer omheen.” 

Volgens haar helpt bewustzijn niet alleen burgers, maar ook bestuurders en organisaties. “Wanneer je het gesprek voert over risico’s, gaan mensen anders nadenken over voorbereiding. Dat kan variëren van praktische maatregelen tot beleidskeuzes. Bewustzijn zorgt ervoor dat veiligheid niet alleen een taak van de overheid is, maar een gezamenlijke verantwoordelijkheid wordt.” 

Een gezamenlijke taal tussen organisaties

Van der Reijden benadrukt dat het model waardevol is omdat het zorgt voor een gezamenlijke taal. “Als veiligheidsregio hebben we onze eigen terminologie en werkwijzen, maar we werken steeds vaker samen met andere domeinen, zoals waterbeheer, energietransitie en natuurbeheer. Dan is het belangrijk dat je elkaar begrijpt.” 

Het meerlaagsveiligheidsmodel helpt volgens haar om die samenwerking te versterken. “Iedere sector heeft zijn eigen manier van werken, maar dit model kun je op bijna elk risico toepassen. Het helpt organisaties om samen te bepalen waar ze elkaar raken en hoe ze elkaar kunnen versterken. Veiligheidsvraagstukken zijn niet ingewikkeld, maar wel complex.” 

Voor wie is het model bedoeld?

Volgens Van der Reijden is het model breed toepasbaar. “Gemeenten en provincies hebben er veel aan vanwege hun rol in beleid en ruimtelijke inrichting. Maar ook eigenaren van risico’s, zoals natuurorganisaties, industriële bedrijven en recreatieondernemers, kunnen het model gebruiken.”

Preventie als grootste kans, herstel als onderschatte uitdaging

Van der Reijden is duidelijk over waar volgens haar de meeste winst te behalen valt. “De grootste winst zit in preventie. Als je kunt voorkomen dat een incident plaatsvindt, voorkom je ook de gevolgen.” 

Tegelijkertijd benadrukt zij dat gevolgbeperking en herstel minstens zo belangrijk zijn. “Gevolgbeperking raakt vaak aan ruimtelijke keuzes en belangenafwegingen. En herstel wordt soms onderschat. Kijk naar de overstromingen in Limburg: jaren later zijn organisaties nog steeds bezig met afhandeling en herstel. Dat laat zien hoe groot de impact van een crisis kan zijn.”

Samenwerking tussen publieke en private partijen

“Overheden hebben beperkte capaciteit, terwijl veiligheid een gezamenlijke verantwoordelijkheid is. Private partijen kunnen in verschillende fasen van het model een belangrijke rol spelen. Het model helpt om dat gesprek te voeren. Daardoor ontstaat meer samenwerking en betrokkenheid. Dat is essentieel voor thema’s als klimaatveiligheid, weerbaarheid en veerkracht.” 

De nieuwe ‘praatplaat meerlaagsveiligheidsmodel’ laat zien dat ook andere klimaatdreigingen passen in dit model. Deze praatplaat is tot stand gekomen in een projectwerkplaats. Hierin hebben experts uit de veiligheidsregio’s, onder begeleiding van het NIPV, intensief samengewerkt om tot dit resultaat te komen. 

Bekijk de praatplaat

Update vanuit het Programma
Klimaatveiligheid

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, februari 2026

Het is nog maar februari en toch ziet 2026 er al heel anders uit dan 2025. We hebben massaal sneeuwpoppen kunnen bouwen, code rood is in de noordelijke regio uitgeroepen door de ijzel. Extreem weer krijgt nu al een vinkje. En we hebben een nieuw coalitieakkoord waar weer ruimte is voor een nationale klimaataanpak. Het woord klimaat komt zelfs 25 keer voor in het stuk, al blijkt het woord ook goed bruikbaar te zijn voor economische zaken, zoals investerings- en vestigingsklimaat. Desondanks is er één zin in het coalitieakkoord op het gebied van klimaatadaptatie die mij heel positief stemt: Door vol in te zetten op lange termijnbeleid en een slimme Europese aanpak doen we alles wat nodig is om de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 te halen. En nu, aan de bak!  

Wij vragen als netwerk en programma nu al meerdere jaren aandacht voor de effecten van extreem weer en de impact die dit heeft op de samenleving. Klimaatveiligheid is een ketenverantwoordelijkheid, waarbij het niet alleen gaat over de crisisbeheersing en incidentbestrijding. Het gaat juist om de keuzes die aan de voorkant ter preventie worden gemaakt. De nieuwe praatplaat meerlaagsveiligheid geeft inzicht hoe gefragmenteerd die totale keten is. Niet vreemd dat het lastig is om het totaalplaatje en het belang van klimaatveiligheid scherp te blijven houden.  
 
Soms komt er hulp uit onverwachte hoek. De Britse inlichtingendiensten hebben in januari een rapport uitgebracht waarin staat beschreven dat de effecten van klimaatverandering grote impact hebben op de nationale veiligheid. Is dit één op één toepasbaar op Nederland? Nee, ieder land heeft z’n eigen uitdagingen. Tegelijkertijd toont dit, dat de effecten van klimaatverandering geen discussiepunt zelf meer is. Klimaat is een veiligheidsissue.  

Naast de praatplaat over meerlaagsveiligheid is ook het onderzoeksrapport Klimaatdreigingen, bijbehorende cascade-effecten en gevolgen voor crisisrespons gepubliceerd. Ook andere inzichtrijke rapporten zijn verschenen de afgelopen maanden. Een extreem Rapport van het KNMI en het rapport Onveiligheid door extreme regen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid.  

Komende maanden gaan we vanuit het programma samen met het netwerk aan de slag met bovenregionale samenwerking. Zowel vanuit een onderzoeksperspectief om te komen tot bovenregionale scenario’s waarin we inzicht krijgen welke factoren kantpunten vormen. Werken we toe naar landelijke uitgangspunten voor de crisisbeheersing bij hitte, droogte, wateroverlast en overstroming. We gaan weer starten met projectwerkplaatsen, daarover later meer. En gaan we starten met een bovenregionale samenwerking op waterveiligheid. Hier gaan we de krachten bundelen tussen veiligheidsregio’s, om in gezamenlijkheid stappen vooruitzetten om de bovenregionale leemte in de crisisbeheersing op te vullen. 

We hebben al mooie stappen gezet samen, en dat blijven we doen, ook in 2026! 

Hartelijke groet,  

Charlotte van Ruijven 
Programmamanager Klimaatveiligheid 
 

Lessen uit de bovenregionale stresstest wateroverlast bij Veiligheidsregio’s Amsterdam-Amstelland en Utrecht 

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, februari 2026

“Het is een indicatie, geen waarheid, maar wel een noodzakelijke stap” 

Wat gebeurt er als een extreme regenbui zoals die in Limburg in 2021 niet daar, maar elders in Nederland valt? Die vraag ligt aan de basis van de bovenregionale stresstest wateroverlast. Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland en Veiligheidsregio Utrecht zitten er middenin. Adviseurs crisisbeheersing Anne van Diepen en Elsbeth van der Graaf vertellen waarom deze stresstest waardevol is, waar ze tegenaan lopen en waarom het ondanks alles belangrijk is om ermee door te gaan. 

Een gezamenlijke exercitie na Limburg 2021

De bovenregionale stresstest is een landelijke exercitie die voortkomt uit de overstromingen in Limburg. “De minister wilde weten: wat gebeurt er in Nederland als zo’n bui ergens anders valt?” vertelt van Diepen. “Dat is de kern van deze stresstest.” 

In tegenstelling tot de regionale stresstesten van gemeenten en waterschappen, richt deze test zich op een langdurige, extreme neerslagsituatie: 200 millimeters regen in twee dagen, verspreid over een groot gebied. Nederland is hiervoor opgedeeld in zeven stroomgebieden, die elk tegelijk zijn doorgerekend. 

Drie fasen: van waterbeeld naar risicodialoog

De bovenregionale stresstest bestaat uit drie opeenvolgende fasen. Van Diepen legt het proces uit: “De eerste fase zijn de waterbeelden. Die zijn opgesteld door de waterschappen. Zij hebben in kaart gebracht wat er gebeurt als zo’n ‘Limburg bui’ in hun stroomgebied valt.” 

Deze waterbeelden laten zien waar water blijft staan en hoe het zich verspreidt. Daarna volgt de tweede fase: het gevolgenbeeld. “In het gevolgenbeeld kijk je: wat staat er in dat water? Welke vitale en kwetsbare objecten, infrastructuur of processen worden geraakt? En wat betekent dat voor de continuïteit van functies?”  

In die fase wordt naar veel verschillende objecten gekeken, van ziekenhuizen en energiebedrijven tot zendmasten en kazernes. Van der Graaf benadrukt dat dit zorgvuldig is georganiseerd: “We hebben heel bewust gekeken wie welke partijen bevraagt, zodat organisaties niet door vijf regio’s dezelfde vragen krijgen. Dat heeft het ministerie van I&W samen met ons uitgewerkt in een handreiking en een gezamenlijke uitvraag.” 

De derde fase bestaat uit risicodialogen. En die zijn volgens van Diepen cruciaal. “Zonder risicodialoog mis je de duiding. Een kaart laat misschien zien dat er water tegen de gevel van een ziekenhuis staat, maar pas in gesprek met de beheerder ontdek je of dat echt een probleem is. Staat de noodstroom in de kelder? Zijn er maatregelen getroffen om het water buiten te houden? Dat soort informatie haal je alleen op in de dialoog.” 

Waardevol, maar niet zonder haken en ogen

Hoewel van Diepen en van der Graaf het belang van de stresstest onderschrijven, zijn ze ook realistisch. Een belangrijke uitdaging zit in de modellen die gebruikt zijn. “Het is echt een indicatie, geen waarheid,” zegt van der Graaf. “In ons gebied zien we dat het ene deel volgens het model heel nat is en het andere juist bijna droog. Dat kan niet allebei tegelijk kloppen. Het heeft te maken met verschillende rekenmethodes die door de verschillende waterschappen worden gebruikt.” 

Anne van Diepen (l) en Elsbeth van der Graaf (r)

Ook binnenstedelijke effecten zijn beperkt meegenomen. Riolering is bijvoorbeeld niet in de modellen verwerkt. “Daardoor laten de kaarten soms zien dat er ‘niets gebeurt’ in steden als Amsterdam of Utrecht,” zegt van Diepen. “Terwijl we uit andere berekeningen weten dat wateroverlast daar wel degelijk een probleem is.” 

Dat vraagt om zorgvuldige communicatie, benadrukken beiden. “Je moet steeds blijven uitleggen: dit is de uitkomst van een model, niet de werkelijkheid,” zegt van der Graaf. “Maar beelden zijn krachtig. Een kaart blijft hangen, een nuance in tekst veel minder.” 

Capaciteit en samenhang als terugkerende uitdaging

Een andere grote uitdaging is capaciteit. Niet elke veiligheidsregio of partner heeft evenveel mensen of tijd beschikbaar. “Deadlines zijn er wel, maar die worden niet altijd gehaald,” zegt van Diepen. “Dat komt doordat er niet altijd genoeg uitwerkingskracht bij de regio’s is. Daar komt bij dat organisaties ook vanuit andere trajecten worden bevraagd, zoals regionale stresstesten of andere risicodialogen.” 

“De kunst is om te voorkomen dat instellingen, zoals ziekenhuizen, vier keer hetzelfde gesprek moeten voeren,” zegt van der Graaf. “Je wilt elkaar versterken, niet overvragen.” Daarom zetten beiden sterk in op samenwerking en kennisdeling tussen veiligheidsregio’s, onder andere via de themagroep Waterveiligheid. “We proberen veel meer van elkaar te leren: wie loopt waar tegenaan, welke oplossingen werken?” zegt van Diepen. “Want we hebben simpelweg niet genoeg capaciteit om alles alleen te doen.” 

Meer dan water alleen

Hoewel deze stresstest specifiek is ingegeven door extreme neerslag, zien beiden bredere waarde. “Dit kan ook een blauwdruk zijn,” zegt Anne. “Hitte en droogte houden zich net zo min aan regiogrenzen. De lessen die we hier leren, kun je breder toepassen.” 

Uiteindelijk bieden de stresstesten kansen om klimaat- en waterveiligheid onder de aandacht te brengen bij een grote verscheidenheid aan organisaties. Organisaties die als ze niet voorbereidt zijn op zo’n extreme regenbui mogelijk problemen ondervinden die ze vooraf niet hadden verwacht en intern niet kunnen oplossen. In dat geval zullen ze de brandweer bellen voor assistentie. Helaas zijn de capaciteiten van de hulpdiensten niet groot genoeg om al die organisaties tegelijk te ondersteunen. “Veel organisaties nemen water nog niet standaard mee in hun crisisplannen,” zegt van Diepen. “Deze exercitie is voor hen echt een wake-up call.” 

Een noodzakelijke eerste stap

Ondanks alle beperkingen overheerst bij beiden een positieve houding. “Het klinkt soms kritisch, maar we zijn blij dat we hier onderdeel van zijn,” benadrukt van Diepen. “Het is een belangrijke eerste stap.” Van der Graaf vult aan: “Dit is misschien niet perfect, maar het is beter dan niets. En het belangrijkste is: we hopen dat het hier niet stopt, maar dat er vervolgstappen komen.” 

Voor andere veiligheidsregio’s die aan hun eigen stresstest werken, is dat misschien wel de belangrijkste boodschap: het is complex, soms rommelig en zeker niet af, maar juist daarom waardevol.

label Fysiek veilige leefomgeving

Paraatheid van vrijwillige brandweerposten onderzocht

12 februari 2026

In landelijke onderzoeken wordt gesignaleerd dat de paraatheid van vrijwillige brandweerposten in Nederland onder druk staat. Maar het is onduidelijk of dit landelijk, regionaal of lokaal speelt en of het vaak voorkomt. Uit onderzoek van het NIPV blijkt dat er geen eenduidig knelpunt is in het garanderen van de 24/7‑inzetbaarheid van vrijwillige posten. En dat er geen uniforme oplossingen zijn. Hoewel alle veiligheidsregio’s melden dat zij op de een of andere manier te maken hebben met knelpunten, geldt dit meestal maar voor een deel van de posten en lang niet altijd.

Foto: NIPV.

Drie centrale vragen

Het onderzoek richtte zich op drie vragen:

  1. Hoe wordt de paraatheid van brandweervrijwilligers gemonitord en gehandhaafd?
  2. Welke knelpunten worden er ervaren op het gebied van paraatheid? En wat zijn de oorzaken hiervan?
  3. Welke oplossingen worden er ingezet om de paraatheid te borgen of te vergroten? En in hoeverre zijn deze succesvol?

Aard, omvang en oorzaken verschillen per regio, post en individuele vrijwilliger

Uit het onderzoek blijkt dat de manier waarop de paraatheid wordt gemonitord en gehandhaafd varieert per regio en per post. Alle regio’s signaleren knelpunten in de paraatheid van vrijwillige posten, maar er is geen enkel knelpunt dat overal voorkomt. De aard, omvang en oorzaken verschillen per regio, post en individuele vrijwilliger. Regio’s en posten passen een breed scala aan maatregelen toe om paraatheid te borgen. Dit varieert van preventieve maatregelen tot oplossingen die onderbezetting compenseren of de gevolgen ervan beperken.

Rode draden van het onderzoek

Hoewel er dus verschillen zijn in ervaren knelpunten en oplossingen, komen er uit het onderzoek een aantal duidelijke rode draden naar voren:

Geen one-size-fits-all

Of een post een probleem met de paraatheid ervaart, hangt af van veel oorzaken en perspectieven. Maatwerk is noodzakelijk, afgestemd op de lokale context, de sociale dynamiek op de post en de motivatie en drijfveren van vrijwilligers.

Postcommandanten nemen hun rol serieus

Postcommandanten zetten hun leiderschap in bij het coördineren en bewaken van de paraatheid. Hun rol is cruciaal bij het motiveren, aanjagen en aanspreken van vrijwilligers om voldoende beschikbaarheid te realiseren. Postcommandanten zoeken oplossingen samen met hun ploeg, stimuleren betrokkenheid en grijpen in wanneer de paraatheid onder druk staat.

Spanning tussen de snelste en duurzame brandweerzorg

Een sterke focus op het leveren van de snelst mogelijke brandweerzorg, strak sturen op mediaantijden (de mediaantijd is de middelste tijd in een reeks tijden, red.) en dynamische alarmering toepassen, verkorten de responstijd. Dit kan leiden tot averechtse effecten op de langere termijn. Zoals stress en morele druk bij vrijwilligers, een negatieve impact op de motivatie en problemen met het combineren van brandweerwerk en privéleven.

Sommige regio’s pakken dit anders aan: vrijwilligers zijn zo veel mogelijk beschikbaar, maar niet ten koste van alles. Het fijnmazige netwerk aan brandweerposten in deze regio’s zorgt ervoor dat het buiten dienst gaan van een post wordt opgevangen door een naburige post. Ook sturen deze regio’s minder strak op mediaantijden.

Spanning door het gebruik van agenda-applicaties

Er wordt veel gebruikgemaakt van agendatools waarin vrijwilligers hun beschikbaarheid vooraf registreren. Behalve duidelijke voordelen kennen deze tools ook nadelen. Zo kunnen er spanning en morele druk ontstaan wanneer vrijwilligers zich willen uitmelden, en daarmee de post buiten dienst zetten. Het continu nauwkeurig moeten bijhouden van de beschikbaarheid levert een belasting op. Dit vraagt om reflectie en bewuste keuzes over hoe deze tools de paraatheid ondersteunen zonder extra druk of ongewenste effecten te creëren.

Rapport, samenvatting en maatregelenmatrix

Naast het rapport zijn een samenvatting en een maatregelenmatrix beschikbaar. De matrix bundelt de maatregelen om paraatheidsknelpunten te voorkomen, op te lossen of de gevolgen ervan te beperken.