label Veilige energietransitie

Risico’s biogas zijn bekend, kennis nu gebundeld 

4 mei 2026

In het Klimaatakkoord is afgesproken om de productie van groen gas fors te vergroten. Een groot deel van dat groene gas moet uit biogas geproduceerd worden. Dit was voor het NIPV de aanleiding om in een verkenning aandacht te besteden aan biogas: aan de productie, opslag, transport en gebruik van biogas, de veiligheidsrisico’s, wet- en regelgeving en de handelingsperspectieven voor de brandweer bij incidenten met biogas(installaties).

Biogas
Foto: Shutterstock.

Ontstaan biogas

Biogas ontstaat door vergisting van biologisch materiaal, zoals mest, slib en groente-, fruit- en tuinafval. Het gas bestaat grotendeels uit methaan (CH₄) en bevat ook waterstofsulfide (H₂S), wat risico’s met zich meebrengt zoals brand, explosie, verstikking en vergiftiging bij vrijkomen. Deze risico’s zijn vergelijkbaar met die van mestgassen en zijn vooral relevant voor mensen die direct met installaties werken of incidenten met biogasinstallaties moeten bestrijden, maar er bestaan ook externe veiligheidsrisico’s.

Veilig optreden bij incidenten

Voor de brandweer bestaan er al duidelijke handelingsperspectieven, waaronder de Aandachtskaart Biovergistingsinstallaties en scenariokaarten binnen het Scenarioboek Energietransitie. Deze bieden richtlijnen voor veilig optreden bij incidenten.

De mogelijke toename van het aantal biogasinstallaties is geen aanleiding om deze handelingsperspectieven aan te passen. Omdat de aard van de biogasrisico’s niet verandert, zijn de bestaande handelingsperspectieven voor biogas toereikend.

Achtergronddocument

De verkenning bundelt bestaande kennis over biogas, de bijbehorende veiligheidsrisico’s en het optreden bij incidenten. Het rapport moet vooral worden gezien als een achtergronddocument.

Lees het rapport

Netwerkdag LEC Industriële Veiligheid 12 maart: focus op stationaire blussystemen

Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, mei 2026

Een stationair blussysteem, zoals Hi-Ex schuimblusinstallatie, kan een prima ‘line of defence’ zijn voor opslaggebouwen met een hoog brandrisico. Maar dan moeten ze wel doen wat er van ze wordt verwacht. Tijdens de Netwerkdag LEC Industriële Veiligheid op 12 maart jl. maakte een plenaire presentatie tijdens het ochtendprogramma duidelijk dat effectief blussen of falen in belangrijke mate afhankelijk is van keuzes in de ontwerp- en installatiefase.

Foto: LEC Industriële Veiligheid.

‘Ouderwets de diepte in op de inhoud’, was de belofte van de organisatoren van de netwerkdag. Die belofte werd ingelost met niet minder dan zes keuzeworkshops, waarvan enkele over automatische VBB-systemen. Bij de aftrap van de netwerkdag meldde programmamanager Ron Bouwman eerst twee nieuwsfeiten binnen het netwerk. Ten eerste de officiële benoeming van Linda van de Ven tot landelijk regisseur spoorveiligheid namens de veiligheidsregio’s, waarmee het Netwerk Industriële Veiligheid zijn werkveld uitbreidt naar spoorse veiligheidsvraagstukken. Ten tweede de start van het nieuwe traineeship Risicobeheersing, waarvoor de werving op 10 maart is gestart. Nieuw in deze ronde is de uitbreiding met het taakveld brandveiligheid. Aan deze tweede ronde nemen 17 veiligheidsregio’s deel, die gezamenlijk plaats hebben voor 18 trainees.

Programmamanager Ron Bouwman. Foto: LEC Industriële Veiligheid.

Hi-Ex systemen kwetsbaar

Hoofdtopic in het plenaire programma was de presentatie van Jörgen van Trijp en Jeroen Dekkers van Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant over Hi-Ex schuimblusinstallaties. Voorzieningen die kwetsbaar zijn als bij ontwerp en installatie niet de juiste keuzes worden gemaakt. Met casuïstiek van vijf incidenten rond (on)gewenste activering uit de eigen regio, lieten zij zien dat faalrisico’s vooraf niet altijd goed worden ingecalculeerd, waardoor het systeem op het Uur U niet conform de prestatie-eisen functioneert. Zoals kwalitatief onvoldoende afdichting van buiten- of compartimentdeuren, waardoor het schuim uit het compartiment loopt.

Ook blijkt een Hi-Ex systeem soms niet geschikt voor het type opgeslagen producten, waardoor de brand niet goed kan worden beheerst. Dat bleek onder andere bij een grote brand in een aanmaakblokjesfabriek, waar bovendien een fout tijdens een praktijktest leidde tot het falen van het systeem, omdat onvoldoende buitenlucht kon worden aangevoerd om schuim te genereren. Ook een goede verificatie van brandmeldingen blijkt een lastig gegeven, omdat het voor de gearriveerde brandweer bijzonder lastig is vast te stellen wat er in een volgeschuimde loods precies is gebeurd. Het zijn leermomenten die volgens van Trijp en Dekkers de neiging hebben zich te herhalen. Een tweetal onderzoeksrapporten, een van Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant en een van de Vakgroep Brandveiligheid, zouden mogelijk kunnen leiden tot aanpassing van de regelgeving ten aanzien van ontwerpeisen en certificering.

Geerlof Bijsterbosch, Anton Slofstra en Leon Houben. Foto: LEC Industriële Veiligheid.

Rondetafelgesprek

In het rondetafelgesprek sprak Ron Bouwman met directeuren veiligheidsregio Leon Houben en Anton Slofstra en Geerlof Bijsterbosch van de Vakgroep Milieu en Industrie over actuele thema’s. Aan de orde kwam onder andere het borgen van de spoorveiligheid in combinatie met de grote ruimtelijke opgaven voor woningbouw. Slofstra (Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden) is bezorgd over het feit dat in de besluitvorming over die thema’s de fysieke veiligheidsrisico’s niet expliciet worden afgewogen door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, dat van de ‘risicodrempels’ af wil. Hij zegt het bestuurlijk commitment te missen van een ministerie dat voor de veiligheidsregio’s op de bres springt en is blij met de aanstelling van Linda van de Ven die alle partijen rond dit complexe dossier met elkaar gaat verbinden. Leon Houben (Veiligheidsregio Zuid-Limburg) sluit zich bij deze zorgen aan. Hij vindt dat de veiligheidsregio’s in Den Haag te weinig ‘lobbykracht’ hebben, wat mede het gevolg is van het feit dat de 25 veiligheidsregio’s autonoom zijn. Krachtenbundeling is daarom ook in zijn ogen noodzaak.

Meer aanhaken aan de voorkant van plan- en besluitvorming is de sterke wens van de sprekers aan de rondetafel. Dat geldt voor het dossier spoor en ruimte, maar ook voor een ander thema dat steeds nadrukkelijker op het bordje van de specialisten risicobeheersing komt: militaire dreiging en de groei van de defensie-industrie in Nederland. Welke vraagstukken levert dit voor de veiligheidsregio’s op? Zuid-Limburg heeft er al nadrukkelijk mee te maken, nu VDL in Born militaire producten gaat bouwen. Dat maakt het bedrijf, dat voorheen personenauto’s produceerde, plotseling tot een vitaal en strategisch object. Hoe kan de veiligheidsregio hier de vinger aan de pols houden? Om te beginnen door te investeren in relaties en in vertrouwen tussen de partners. “Een bijzondere uitdaging”, stelt Houben vast. “Dit is inhoudelijk heel wat ingewikkelder dan bijvoorbeeld een gebruiksvergunning verlenen.” En zo hebben de veiligheidsregio’s er op het gebied van risicobeheersing en industriële veiligheid weer een nieuw dossier bij op hun toch al goed gevulde takenlijstje.

In het middagprogramma konden de deelnemers naar eigen behoefte kennis ophalen in een van de zes workshops, over de kwaliteitsborging van VBB-installaties, voorbereiding op de uitval van repressieve lines of defence, PFAS-vrije schuimsprinklers, veilige ammoniakopslag volgens de PGS 12, paraatheid op langdurige stroomuitval bij chemische bedrijven en bedrijfsbrandweerzorg in de haven van Rotterdam.


Traineeship Risicobeheersing: “Over twee jaar ben je opgeleid en mag je jezelf specialist noemen”

30 april 2026

Ben je onlangs afgestudeerd en zoek je een functie waarin je kunt bijdragen aan een duurzame en veilige samenleving? Dan is het traineeship Risicobeheersing van de veiligheidsregio’s misschien iets voor jou. Oud-trainee Shelley Heskes vertelt: “Door het werk dat wij doen, hoeven de hulpdiensten hopelijk minder vaak te komen.”

Shelley Heskes. Foto: Megan Zondervan.

Heskes studeerde Integrale Veiligheidskunde en wist aan het eind van haar studie niet zo goed welke kant ze op wilde. Ze had nog geen echte specialisatie, maar was ook wel een beetje klaar met fulltime studeren. “Het traineeship was voor mij de perfecte combinatie: wel beginnen met werken, en tegelijk ook een opleiding mogen doen.”

Inmiddels heeft ze een baan als beleidsmedewerker op de afdeling Veilige Leefomgeving bij Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. “Ik heb me nu gespecialiseerd in iets waarvan ik zelf nooit had gedacht dat dit een beroep is. Er wordt in deze tijd veel gevraagd: we zitten natuurlijk met een woningtekort, een energietransitie die gewoon moet gebeuren en dan is er ook nog de klimaatverandering. Ik houd me vooral bezig met advisering en ik ben inmiddels accountmanager voor vier gemeenten.”

Openstaan om te leren

Heskes startte samen met elf andere trainees, maar iedereen heeft een andere achtergrond en komt uit een andere regio. “Wat we gemeen hebben, is dat we er allemaal open voor staan om te leren en ervaringen op te doen. Ook hebben we het enthousiasme om vragen te stellen en breder te kijken dan ons eigen vakgebied.”

Op een leuke manier leren: alles kan

Tijdens het traineeship staan er vier lijnen centraal: de werklijn in je eigen veiligheidsregio, de persoonlijke lijn die draait om coaching en persoonlijke ontwikkeling, de leerlijn bij het NIPV en de netwerklijn met werkbezoeken, expertsessies en netwerkdagen. “We hebben zoveel leuke dingen gedaan! We zijn bijvoorbeeld op bezoek geweest bij het vliegveld in Maastricht, we hebben achter de schermen gekeken bij de Efteling, en we zijn bij een kernreactor in Noord-Holland gaan kijken: allemaal om te leren hoe zij de veiligheid aanpakken.”

“Daarom zou ik het traineeship ook aanraden: ik heb het gevoel dat alles kan en mag. Als we als trainees aangeven dat we iets willen doen, dan is er superveel mogelijk. Dat ervaar ik ook binnen mijn eigen regio, ik mag altijd meelopen met collega’s of bij andere afdelingen kijken. Je krijgt heel veel kansen die je ook echt allemaal mag aangrijpen om alles uit je traineeship te halen.”

Alle trainees hebben een leerwerkplekbegeleider. “In mijn geval een collega die dezelfde opleiding heeft gevolgd en een soortgelijk takenpakket heeft als waar ik naartoe heb gewerkt. Hij was van het begin mijn aanspreekpunt; echt alles mocht ik aan hem vragen. Zelfs met examenonderdelen heeft hij meegelezen.”

Alle ruimte als het lastig was

Naast het werken in een veiligheidsregio volgen de trainees een opleiding bij het NIPV. “Dit is heel goed te combineren. Soms was het huiswerk heus wel even doorzetten – ik had niet in elk vak een achtergrond waardoor het soms lastig kon zijn. Maar daar mocht ik ook alle tijd voor maken, want ik was 25 procent aan het werk en 75 procent aan het leren. Dat betekent ook echt dat je niet in het diepe wordt gegooid. Als je verder in je traineeship komt, verschuift dit percentage.”

Na de twee jaar in het traineeship heb je heel veel geleerd, en mag je jezelf specialist noemen. Je bent klaargestoomd voor een baan binnen de veiligheidsregio, met de intentie op een vaste baan na het afronden van je traineeship.

Meer informatie

Bekijk uitgebreide informatie over het traineeship Risicobeheersing op de website van Brandweer Nederland.

“We kunnen klimaatverandering niet stoppen, maar we kunnen wel zorgen dat we beter voorbereid zijn”

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, april 2026

Alfons Hofman is beleidsadviseur binnen Brandweerzorg bij Veiligheidsregio Groningen. Vanuit zijn rol werkt hij onder andere aan het inzichtelijk maken van risico’s en het versterken van de voorbereiding op crises. Waaronder de mogelijke gevolgen van klimaatverandering.

Alfons Hofman portretfoto
Alfons Hofman.

Klimaatveiligheid begint aan de voorkant

“Vanuit risicobeheersing kijken we juist naar de voorkant van risico’s. Je wilt goed voorbereid zijn als er daadwerkelijk iets gebeurt. En je wilt kijken waar je aan de voorkant invloed kunt uitoefenen. Klimaat is niet de oorzaak van alles, maar het zorgt er wel voor dat we opnieuw moeten kijken naar risico’s en hoe we daarmee omgaan.”

Binnen Veiligheidsregio Groningen is klimaatveiligheid belegd over meerdere disciplines. “We hebben geen mensen die zich volledig met klimaat bezighouden. Ik pak een deel vanuit brandweerzorg op en collega’s vanuit crisisbeheersing doen dat ook. Klimaatveiligheid komt bijvoorbeeld terug in het regionaal risicoprofiel en in beleidsplannen voor de komende jaren. Daar geven we verder duiding aan door constant de vraag te stellen: wat betekent klimaatveiligheid precies voor onze regio en hoe gaan we de daaraan gerelateerde risico’s beïnvloeden?”

Water als tastbaar risico

Voor Groningen is water traditioneel een belangrijk thema. “Water speelt hier een grote rol. Een deel van Groningen ligt onder zeeniveau en we hebben te maken met kust (primaire keringen) en boezem (regionale keringen) waterkeringen. We hebben in het verleden meerdere keren te maken gehad met hoogwater. In 1998 dreigde de stad Groningen te overstromen door extreme regenval, wat werd voorkomen door gecontroleerd polders onder water te zetten. En in 2012 moesten honderden bewoners worden geëvacueerd omdat de kade langs het Eemskanaal op doorbreken stond door een kritiek hoog waterpeil. En ik vaar zelf ook met een bootje, het water heeft op mij en velen andere ook een aantrekkingskracht. Dat maakt het onderwerp tastbaar.” Volgens Hofman is dat niet voor alle klimaatrisico’s vanzelfsprekend. “Water is concreet en zichtbaar. Voor onderwerpen zoals droogte of hitte is het soms lastiger om dezelfde urgentie te voelen. Daar moet nog een ontwikkeling plaatsvinden. Je ziet dat partners vaak beginnen vanuit water, terwijl klimaatveiligheid natuurlijk breder is.”

Omdat niet elke regio met dezelfde risico’s te maken heeft, is samenwerking essentieel. “In Groningen hebben we minder te maken met natuurbrandrisico’s dan bijvoorbeeld Drenthe of de Veluwe. Dan leunen we op de expertise van andere regio’s. Andersom houden wij ons weer meer bezig met water en energie. Het is belangrijk dat we daarin samenwerken en gebruikmaken van elkaars kennis, want we hebben niet de capaciteit om alles zelf uit te zoeken.”

Complexe risico’s en cascade-effecten

Klimaatverandering zorgt volgens Hofman niet alleen voor andere risico’s, maar ook voor grotere gevolgen. “Alles is afhankelijk van elektriciteit en infrastructuur. Daardoor kunnen de gevolgen van een incident veel groter zijn dan vroeger. Stel dat tijdens een zware storm langdurig de stroom uitvalt in een laaggelegen gebied: gemalen functioneren niet meer, communicatie valt weg en kwetsbare bewoners zijn moeilijk bereikbaar. Dan zie je hoe een waterincident kan doorslaan naar een probleem met zorg, energie en openbare orde. Dat soort cascade-effecten maken duidelijk waarom voorbereiding zo belangrijk is. Niet omdat we elk risico kunnen voorkomen, maar omdat de gevolgen anders snel groter worden dan nodig.”

Volgens Hofman is het daarom belangrijk om niet alleen te kijken naar het voorkomen van incidenten, maar ook naar het beperken van impact. “Ik kan klimaatverandering niet stoppen. Waar ik wel aan kan bijdragen is zorgen dat we goed voorbereid zijn en de impact zo klein mogelijk houden. Bijvoorbeeld door slimmer na te denken over de inrichting van onze leefomgeving en klimaatadaptief te bouwen. Je kunt dijken hoger maken, maar het kan nog steeds een keer misgaan. Dus je moet ook nadenken over wat er gebeurt als het wél misgaat.”

Samenwerken aan oplossingen

Een belangrijke uitdaging is volgens Hofman het verbinden van verschillende opgaven. “We hebben te maken met veel ontwikkelingen tegelijk: de woningbouwopgave, de energietransitie, leefbaarheid en in Groningen ook de aardbevingsproblematiek. Dat komt allemaal samen. De uitdaging is om met de beschikbare capaciteit die we hebben die opgaven met elkaar te verbinden.” Volgens Hofman is het belangrijk om als veiligheidsregio vroegtijdig betrokken te zijn. “Via netwerken zoals de DPRA-werkregio werken we samen met gemeenten, waterschappen en andere partners. Dat helpt om op tijd aan tafel te zitten, bijvoorbeeld bij omgevingsvisies. Dan kun je aan de voorkant meedenken en invloed uitoefenen.”

Focus houden en samen stappen zetten

Tot slot benadrukt Hofman dat focus essentieel is in een complex speelveld. “Er gebeurt ontzettend veel op het gebied van klimaatveiligheid. Je kunt elke dag wel naar bijeenkomsten of netwerken. Maar het is belangrijk om focus te houden en kleine stappen te zetten die ook echt iets opleveren. We willen niet alleen aangeven wat niet kan, maar juist meedenken over wat wél kan. Door samen te werken en kennis te delen kunnen we beter omgaan met de gevolgen van klimaatverandering en zorgen dat we als samenleving beter voorbereid zijn.”

“Als je niet weet wat de risico’s straks zijn, kun je mensen er ook niet op voorbereiden”

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, april 2026

Lone Mokkenstorm (KNMI) werkt als klimaatadviseur op het snijvlak van onderzoek, operatie en praktijk. Vanuit die rol helpt zij organisaties om klimaatdata en meteorologische kennis te vertalen naar toepasbare inzichten. Daarmee draagt zij bij aan het centrale doel van het KNMI: Nederland veilig houden – nu en in de toekomst.

Portretfoto Lone Mokkenstorm
Lone Mokkenstorm.

Klimaatveiligheid als verlengstuk van de KNMI-missie

“Veel weersextremen nemen toe, zoals de kans op zoals extreme hitte en extreme neerslag. Daarmee wordt het steeds belangrijker om goed te begrijpen hoe risico’s veranderen en wat we in de toekomst kunnen verwachten. Klimaatveiligheid benadrukt eigenlijk het belang van onze missie, maar laat ook zien hoe groot de uitdaging is om die rol te blijven vervullen in een veranderend klimaat.”

Van weer naar impact

“Wij houden ons bezig met het weer, maar dat is eigenlijk maar één kant van het verhaal. Wij kunnen wel zeggen hoe het weer verandert, maar als je niet weet wat het effect daarvan is op de samenleving, dan kun je er eigenlijk nog niet zoveel mee.”

“Daarom werken we steeds meer samen met partners, zoals de veiligheidsregio’s en het NIPV. Wij brengen onze meteokennis in, en partners brengen hun kennis van het werkveld. Samen kom je tot een completer beeld van wat klimaatverandering betekent voor de maatschappij en wat klimaatveiligheid concreet inhoudt.”

“We proberen bijvoorbeeld steeds beter rekening te houden met impactfactoren: wanneer treedt extreem weer op, op welke locatie, en wat betekent dat voor mensen en infrastructuur? Maar om echt goed te begrijpen wat de impact is, heb je andere organisaties nodig die weten wat er speelt in de praktijk.”

Elkaars werkveld begrijpen

“Een belangrijke uitdaging is elkaars taal leren spreken. Op het gebied van water werkt dat al langer goed, bijvoorbeeld met Rijkswaterstaat. Het helpt om echt meer inzicht te krijgen in elkaars werk. Door een keer mee te lopen met een organisatie, of iemand uit te nodigen bij ons in de Weerkamer, leer je beter begrijpen wat relevant is voor de ander.”

“De veiligheidsregio’s hebben bijvoorbeeld goed zicht op wat er lokaal speelt, zoals evenementen of kwetsbare situaties. Wij hebben dat overzicht minder. Door die kennis te combineren ontstaat een beter beeld van risico’s en kunnen waarschuwingen beter worden geduid.”

Klimaatkennis toepassen in de praktijk

“We werken bijvoorbeeld aan klimaatattributie. Dit is snel onderzoek doen naar de relatie tussen een gebeurtenis van extreem weer en klimaatverandering. Zodat we beter kunnen inschatten hoe vaak zo’n gebeurtenis voorkomt, hoe dat mogelijk verandert in de toekomst en wat dat betekent voor beleid.”

Gedreven door maatschappelijke impact

“Ik ben ooit begonnen in de Weerkamer met het idee dat ik iets wilde doen met maatschappelijke impact. Veiligheid is voor mij een belangrijk thema. Ik heb er bewust voor gekozen om niet alleen onderzoek te doen, maar juist te kijken naar de praktische toepassing: wat kunnen we doen om de impact te beperken?”

“Wat ik leuk vind aan dit werk is dat je samenwerkt met veel verschillende partners en expertises. Daardoor leer je steeds meer over andere veiligheidsvraagstukken, zoals natuurbrandrisico of waterveiligheid. Die brede blik op veiligheid vind ik heel interessant.”

“Juist door kennis te combineren en praktisch toepasbaar te maken, kun je bijdragen aan klimaatveiligheid. Want als je niet weet wat de risico’s straks zijn, kun je mensen er ook niet op voorbereiden.”

“Klimaatveiligheid betekent voor mij dat we voorbereid zijn op de effecten van klimaatverandering, zowel in onze bedrijfsvoering als in het politiewerk zelf”

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, april 2026

Ingelou Sybrandij is programmamanager Duurzaamheid en Milieuveiligheid bij de Politie. Vanuit haar rol werkt zij, naast duurzaamheid & milieuveiligheid, aan de vraag hoe de politie weerbaar blijft in een veranderend klimaat. Van hitte en overstromingen tot nieuwe vormen van criminaliteit die samenhangen met de energietransitie.

Ingelou Sybrandij, portretfoto
Ingelou Sybrandij.

Klimaatveiligheid raakt zowel operatie als bedrijfsvoering

“Voor de politie betekent klimaatveiligheid dat we weten wat onze rol is bij een klimaatcrisis, maar ook dat we zelf weerbaar zijn. Bijvoorbeeld: wat is de ligging van onze locaties bij een overstroming? Kunnen we dan blijven functioneren? Soms zijn dat heel praktische inzichten. Zo blijkt dat bewijsmateriaal vaak in kelders ligt opgeslagen. Dan moet je dus letterlijk anders gaan inrichten, zodat je door kunt blijven gaan, wat er ook gebeurt.”

“Klimaatveiligheid gaat niet alleen over het politiewerk op straat, maar ook over bedrijfsvoering. Kunnen we blijven uitrukken als energie uitvalt? Zijn we dan nog bereikbaar? Wat betekent het voor medewerkers als zij worden opgeroepen terwijl hun gezin thuis misschien ook in nood is? Dat zijn vraagstukken die eigenlijk voor de hele veiligheidssector gelden.”

Nieuwe risico’s door klimaatverandering en energietransitie

Volgens Sybrandij heeft klimaatverandering ook invloed op het veiligheidsbeeld. “Het sluimerende effect van klimaatverandering zorgt voor nieuwe kansen in het criminele circuit. Door nieuwe wetgeving rond duurzaamheid en milieu ontstaan nieuwe illegale markten. Denk aan verboden koelmiddelen, de zogenaamde f-gassen, waar nu een illegale handel in ontstaat. De energietransitie is natuurlijk heel goed, maar creëert ook nieuwe vormen van criminaliteit waar de pakkans nog relatief laag is.”

“Daarnaast kijken we naar de cascade-effecten van klimaatcrises. Bij een overstroming moet je evacueren, maar daarna zie je bijvoorbeeld dat identiteitsfraude, plunderingen of verzekeringsfraude voorkomt. In Limburg zagen we dat horecaondernemers die niet verzekerd waren kwetsbaar werden voor ondermijning, doordat criminelen zich inkochten in hun bedrijf. Als politie willen we daar eerder zicht op krijgen, zodat we sneller kunnen handelen.”

Van bewustwording naar toepassing in de praktijk

Binnen de politie staat duurzaamheid, milieu en klimaat inmiddels nadrukkelijk op de agenda. “Het is bij ons een belangrijk thema in onze strategische agenda. Tegelijk voelt het voor veel mensen nog als iets van de toekomst. Daarom proberen we zoveel mogelijk te trainen op klimaatcrises binnen bestaande crisisstructuren en voorbeelden uit de praktijk te gebruiken. De ervaringen uit Limburg helpen bijvoorbeeld om het concreet te maken.”

Om klimaatveiligheid verder te brengen, wordt gewerkt aan kennis én toepassing. “We hebben elf onderzoeken lopen, bijvoorbeeld naar de impact van hitte op medewerkers. Samen met TNO testen we in een klimaatkamer wat hoge temperaturen doen met het reactievermogen van agenten. Dat vertalen we door naar praktische keuzes, zoals hoe je diensten indeelt tijdens hitte of hoe je inzet veilig blijft tijdens evenementen. Kennis is belangrijk, maar het moet niet bij kennis blijven. We moeten ook trainen, protocollen aanpassen en mensen informeren.”

Urgentie vasthouden in een volle agenda

De grootste uitdaging is volgens haar herkenbaar voor veel organisaties. “De politie is heel goed in handelen als het nodig is. Er is elke dag urgentie. Klimaatveiligheid voelt soms nog niet als ‘bloed is spoed’. De vraag is hoe je de urgentie vasthoudt, terwijl het niet altijd direct zichtbaar is. Tegelijk gaat het verrassend goed, juist omdat het als prioriteit is benoemd.”

Sluit aan bij wat er al gebeurt

“Mijn advies aan andere professionals: sluit aan bij wat er al gebeurt. “Koppel klimaatveiligheid aan bestaande opgaven, zoals weerbaarheid of uitval van energie. Probeer niet alles zelf te doen, maar haak aan bij programma’s die er al zijn. Dat is uiteindelijk effectiever. En blijf nieuwsgierig. Ga in gesprek met mensen die een klimaatramp hebben meegemaakt, want daar zitten inzichten die je niet uit een rapport haalt.”

“En maak het praktisch. Vertaal scenario’s naar wat het betekent voor je eigen organisatie en je kerntaak. Dan wordt klimaatveiligheid concreet en relevant, en kun je er echt op handelen.”

“Voor mij raakt klimaatveiligheid direct aan waarom ik ooit met hulpverlening ben begonnen”

Nieuws van het programma Klimaatveiligheid, april 2026

“Dagelijks zie ik hoe de effecten van klimaatverandering steeds concreter worden voor het veiligheidsdomein. We proberen er voldoende aandacht aan te geven, maar het blijft best moeilijk om de urgentie vast te houden, zegt Marcel Huijbrechs, beleidsadviseur Brandweerzorg en crisisbeheersing bij de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuiden. Die daarnaast ook operationele rollen als HOVD, Leider CoPI en groepscommandant USAR vervult.

Marcel Huijbrechts, portretfoto
Marcel Huijbrechts.

Urgentie vasthouden in de waan van de dag

“Je wordt toch vaak geleefd door de waan van de dag, door prioriteiten die directer op je afkomen. Tegelijk zie je landelijk wel een beweging ontstaan. Door elkaar regelmatig te treffen, bijvoorbeeld via het netwerk klimaatveiligheid. Het helpt om die urgentie te blijven delen en met elkaar in beweging te komen. Mijn zorg is wel, stel dat we een bepaald punt bereiken met planvorming en bewustwording, hoe zorgen we er dan voor dat het niet weer wegzakt? Hoe houden we dit top of mind?”

Persoonlijke motivatie: hulpverlening en weerbaarheid

“Vanaf mijn tiende ben ik lid van een reddingsbrigade. Daar is mijn hulpverlening begonnen. Ik ben daar nog steeds actief, ook op landelijk niveau. Vanuit die passie ben ik uiteindelijk bij de veiligheidsregio terechtgekomen. Eerst als maritiem officier op zee, daarna als brandweerofficier. Ik ben actief binnen USAR en word ingezet bij aardbevingen in het buitenland. Ook was ik betrokken bij de bestrijding van de overstromingen in Nederland en België met de nationale reddingsvloot.”

“In mijn dagelijkse werk zie ik welke effecten veranderingen op aarde hebben op mensen en hun veiligheid. Omdat mijn werk ook bestaat uit voorbereiding op overstromingen, ligt de link met klimaat heel dichtbij. Ik ben erg geïnteresseerd in het begrip weerbaarheid. We moeten ervoor zorgen dat mensen beter kunnen omgaan met natuurverschijnselen die we niet kunnen tegenhouden.”

Meebewegen met de natuur

“We zullen keuzes moeten maken in hoeverre we ons blijven verzetten tegen de natuur, bijvoorbeeld met technische maatregelen zoals de deltawerken, en in hoeverre we meebewegen met de natuur. Waar ligt die grens? Dat vraagt iets van techniek, van ruimtelijke ordening en investeringen, maar ook van ons als mens. We zullen moeten accepteren dat we moeten meebewegen met de grillen van de aarde en bepalen hoe we daarmee om willen gaan.”

Een vraagstuk van mindset

“Als je kijkt naar de industrialisering en de welvaart die we hebben opgebouwd, dan denk ik dat we een piek hebben bereikt. We zullen zuiniger moeten omgaan met onze wereld. Anders creëren we een groot probleem voor onze kinderen en kleinkinderen. De natuur kan zich herstellen, maar het gaat nu te snel de verkeerde kant op.”

“Het gaat uiteindelijk om mindset. Waar ben je tevreden mee? Moet de hele wereld je achtertuin zijn? Of kun je ook tevreden zijn met minder reizen en bewuster omgaan met je footprint? Natuurlijk is het waardevol om de wereld te zien, maar het hoeft niet altijd en overal. Met de digitale mogelijkheden van nu kun je ook veel op afstand doen. Het gaat om bewuste keuzes maken.”

Klimaatveiligheid als gezamenlijke opgave

“We moeten kijken naar een ‘whole of society approach’, maar wel genuanceerd. Het gaat erom dat we bewuste keuzes maken over de belasting die we veroorzaken. Niet alles vanzelfsprekend vinden, maar nadenken over wat nodig is en wat verstandig is.”

“Vanuit mijn achtergrond in hulpverlening zie ik dagelijks wat natuurkrachten kunnen doen. Dat motiveert mij om te blijven werken aan weerbaarheid. Uiteindelijk gaat het erom dat we voorbereid zijn en dat we onze samenleving helpen om beter om te gaan met de veranderingen die op ons afkomen.”

Jaarverslag LEC Industriële Veiligheid 2025: productief jaar

Nieuws van het LEC Industriële Veiligheid, 23 april 2026

Het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV) heeft een productief jaar achter de rug. Niet eerder zijn zoveel activiteiten op het gebied van kennismanagement uitgevoerd als in 2025, zo blijkt uit het jaarverslag.

Team LEC Industriële Veiligheid
Henk van Wetten, Chantal Torn-Wintjens, Jan Meinster en Ron Bouwman van het LEC Industriële Veiligheid. Foto: Megin Zondervan.

Stevige positie

Meerdere handreikingen, werkwijzers en andere kennispublicaties zagen afgelopen jaar het licht. En ook via netwerkactiviteiten, zoals congressen en netwerkdagen, werd veel kennis en expertise gedeeld. De resultaten in het afgelopen jaar tonen aan dat het LEC IV in het domein van industriële veiligheid een stevige positie als deskundig kennispartner heeft, ook buiten het eigen Netwerk IV.

Vijf nieuwe kennisdocumenten ter ondersteuning van de industriële veiligheid-taken van de veiligheidsregio’s zijn in 2025 gepubliceerd: de Werkwijzer LOD, het kennisdocument Klimaatverandering en Seveso-bedrijven over ‘Natech-risico’s’, de Werkwijzer toezicht op bedrijfsbrandweeraanwijzingen, het rapport Cyberrisico’s bij risicorelevante bedrijven en de Handreiking spoorwegemplacementen. Daarnaast werd in 2025 gestart met de Actualisatie van de Werkwijzer stationaire en mobiele blusinstallaties, die dit jaar wordt gepubliceerd.

Meerwaarde kennisdocumenten

Dat kennisdocumenten belangrijke toegevoegde waarde hebben voor de veiligheidsregio’s, blijkt uit het grote aantal keren dat de documenten door IV-specialisten worden gedownload. Van de al eerder uitgebrachte kennispublicaties blijkt het Scenarioboek Industriële Veiligheid verreweg het meest ‘populair’, gevolgd door de Handreiking brandveiligheid bij afvalbedrijven en de MOC-handreiking blusschuimtransitie. Naast kennisdocumenten zijn ook opleidingen en trainingen een kerntaak van het LEC IV. In 2025 werden onder andere trainingen gedragsbeïnvloeding voor specialisten IV aangeboden, evenals opfriscursussen voor verschillende PGS-documenten en een vijfdaags leerblok over de NFPA-standaarden.

Het LEC IV gaf in 2025 acte de présence bij diverse kennisbijeenkomsten van externe partners. Zo verzorgden vertegenwoordigers van het LEC presentaties over de MOC Handreiking blusschuimtransitie op het Heliview Congres Industriële Veiligheid in januari en een door VNO-NCW georganiseerde themasessie over de blusschuimtransitie in mei. Verder was het LEC IV vertegenwoordigd op het Jaarcongres Relevant, een netwerkdag over omgevingsveiligheid van het RIVM en op het Brandweerevent in Maastricht in oktober.

Twee netwerken bijeen

Van de eigen netwerkdagen had de editie in november om twee redenen een bijzonder karakter, stelt LEC IV-programmamanager Ron Bouwman vast: “Het was de eerste keer dat de netwerkdag voor vertegenwoordigers van twee netwerken werd georganiseerd: het LEC IV en het Netwerk Omgevingsveiligheid van de omgevingsdiensten. Een mooi initiatief dat voor herhaling vatbaar is. De samenwerking zal daarom zeker een vervolg krijgen. Inhoudelijk sprong tijdens deze netwerkdag vooral de boeiende presentatie van burgemeester Leon Anink van Zwijndrecht in het oog. Hij vertelde voor welke dilemma’s hij als lokaal bestuurder staat, als gevolg van toenemende risico’s door de combinatie van de intensivering van spoorvervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ambities (woningbouw/bedrijven) rond de spoorzone en rangeerterrein Kijfhoek in zijn gemeente; dilemma’s waarmee veel bestuurlijke collega’s in gemeenten met spoorlijnen worstelen. Het was een inhoudelijk sterke presentatie met grote actualiteitswaarde.”

Spoorveiligheid

Het is ook vanwege deze geschetste ontwikkelingen dat het LEC IV zijn aandachtsgebied voorzichtig verbreedt van industriële veiligheid naar spoorveiligheid. Een directe aanleiding vormt de kaderbrief van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), waarin grote wijzigingen voor het Basisnet en spoorwegemplacementen werden aangekondigd en die bij de veiligheidsregio’s tot bezorgdheid heeft geleid. Het LEC IV heeft zijn structuur ter beschikking gesteld om specialisten van de brandweer en veiligheidsregio te faciliteren in het geven van reacties op deze ontwikkelingen. In 2026 zal het dossier spoorveiligheid een structurele plek krijgen in het LEC IV. Bovendien is met ingang van 1 april een landelijk regisseur spoorveiligheid aangesteld. Het voorbereidende werk voor de komst van deze functionaris is in 2025 uitgevoerd.

Professionaliteit

De professionaliteit en kwaliteit van het vakgebied IV blijven een belangrijk ontwikkelthema voor het LEC IV. In 2025 zijn hiervoor een aantal activiteiten in gang gezet. Zo is gestart met het project Landelijke monitoring IV-taken bij de veiligheidsregio’s, met als doel kwaliteit en prestaties onderling te vergelijken en van elkaars best practices en ervaringen te leren. Ook is samen met het NIPV een verkennend onderzoek uitgevoerd naar blijvende vakbekwaamheid van de specialisten IV. De resultaten worden dit jaar uitgewerkt in een voorstel met een mogelijke aanpak.

Een ander traject dat in 2025 is gestart, is de verkenning voor het opzetten van een Europees kennisnetwerk ‘Brandweer en Seveso’, eveneens met het doel van elkaar te leren en kennis en ervaringen uit te wisselen. Tot slot is afgelopen jaar het eerste traineeship Omgevingsveiligheid geëvalueerd. De ervaringen zijn zo succesvol dat in 2026 een tweede traineeship van start gaat, dat drie taakvelden omvat: industriële veiligheid, omgevingsveiligheid en brandveiligheid.

Lees het jaarverslag 2025


label Maatschappelijke veerkracht

Meer aandacht nodig voor kwetsbare groepen in weerbaarheidsbeleid

23 april 2026

In hoeverre wordt rekening gehouden met mensen die zich niet zelfstandig kunnen redden? De groeiende aandacht voor maatschappelijke weerbaarheid en de oproep aan burgers om zich voor te bereiden op crises vormden de aanleiding voor nieuw onderzoek naar deze onderbelichte vraag. De conclusie is duidelijk: de aandacht voor mensen in een kwetsbare positie blijft achter. De onderzoekers roepen overheden en partners op deze groep structureel mee te nemen in beleid, communicatie en maatregelen en nauwer samen te werken met maatschappelijke organisaties.

Foto: Shutterstock.

Niet iedereen is zelfredzaam

Nederland staat voor een toenemend aantal dreigingen, van langdurige stroomuitval tot cyberaanvallen en geopolitieke spanningen. Tegelijkertijd kan de overheid deze uitdagingen niet alleen het hoofd bieden. Een weerbare samenleving vraagt om inzet van iedereen.

In beleid en communicatie ligt de nadruk daarom sterk op zelfredzaamheid en samenredzaamheid, bijvoorbeeld via publiekscampagnes en de ontwikkeling van noodsteunpunten. Burgers wordt geadviseerd om zich zo voor te bereiden dat zij zich minimaal 72 uur zelfstandig kunnen redden.

Uit het onderzoek blijkt echter dat niet iedereen daartoe in staat is. Deze groep wordt aangeduid als mensen in een kwetsbare positie. De term vervangt het eerder gebruikte ‘verminderd zelfredzamen’, omdat die term als stigmatiserend wordt ervaren en onvoldoende recht doet aan de mogelijkheden en veerkracht van mensen.

Geen vaste doelgroep, maar contextafhankelijk

Een belangrijke conclusie is dat er geen eenduidige groep ‘kwetsbaren’ bestaat. Of iemand kwetsbaar is, hangt af van de situatie en het type crisis. Factoren zoals gezondheid, sociale netwerken, digitale vaardigheden en sociaaleconomische omstandigheden spelen hierbij een rol.

Vanuit het onderzoek wordt geadviseerd om daarom te werken met zogenoemde profielen, waarin persoonlijke kenmerken en context samen bepalen in hoeverre iemand zichzelf kan redden in een specifieke crisissituatie. Dit helpt om gerichter beleid en ondersteuning te ontwikkelen.

Rol van overheid en maatschappelijke organisaties

Hoewel gemeenten een algemene zorgplicht hebben, zijn specifieke verplichtingen voor mensen in een kwetsbare positie tijdens crises beperkt uitgewerkt. Gemeenten en veiligheidsregio’s erkennen wel dat deze groep extra aandacht vraagt, maar concrete invulling blijft vaak nog achter.

Maatschappelijke organisaties spelen hierin een belangrijke rol. Zij ondersteunen mensen in een kwetsbare positie, delen kennis en proberen hun belangen onder de aandacht te brengen. Tegelijkertijd geven zij aan beter betrokken te willen worden bij beleidsvorming en uitvoering, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van noodsteunpunten.

Voorzichtige eerste stappen

Ondanks het groeiende bewustzijn hebben slechts een enkele veiligheidsregio en gemeente al concrete stappen gezet door bijvoorbeeld het samenstellen van werkgroepen die zich specifiek richten op mensen in een kwetsbare positie. Andere overheden hebben vaak nog onvoldoende zicht op wie precies hulp nodig heeft, welke ondersteuning vereist is en hoe die georganiseerd kan worden.

Wat wordt de volgende stap?

Veel betrokken partijen hebben inmiddels plannen en intenties om mensen in een kwetsbare positie beter te betrekken bij de weerbaarheidsopgave. De volgende stap is om deze voornemens om te zetten in concrete acties.

Dat vraagt om gerichte keuzes, betere samenwerking tussen overheden en maatschappelijke organisaties en meer aandacht voor inclusieve communicatie. Alleen zo kan worden gewerkt aan een weerbare samenleving waarin iedereen, ook mensen in een kwetsbare positie, kan meedoen en zo goed mogelijk voorbereid is op crises.

Lees het rapport

label Fysiek veilige leefomgeving

Onderzoek naar toekomstige bluscapaciteit voor incidentbestrijdingsvaartuigen in Rotterdamse haven 

22 april 2026

De energietransitie in de Rotterdamse haven brengt nieuwe risico’s met zich mee voor de veiligheid in het havengebied. In dat kader is aan het NIPV gevraagd om te onderzoeken over welke blus- en koelcapaciteit de toekomstige incidentbestrijdingsvaartuigen (IBV’s) in deze haven moeten kunnen beschikken wanneer er watergerelateerde incidenten plaatsvinden. Uit het onderzoek blijkt dat de eisen aan de huidige blus- en koelcapaciteiten van de IBV’s volstaan voor de toekomst. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Havenbedrijf Rotterdam en Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.

Blusboot in Vlaardingen
Foto: Havenbedrijf Rotterdam.

De aanleiding voor dit onderzoek is het programma ‘Vlootvernieuwing’, waarmee Havenbedrijf Rotterdam de komende twaalf jaar zijn vaartuigen wil vervangen. Tegelijkertijd verandert het risicoprofiel in de haven sterk door verduurzaming, de introductie van nieuwe energiedragers, zoals ammoniak, lithium-ion batterijen en vloeibare organische waterstofdragers (LOHC), en de grootschalige aanvoer van LNG en (vloeibaar) waterstof. Dit vraagt om een vloot die is afgestemd op nieuwe incidentscenario’s.

Onderzoeksvraag 

Het NIPV onderzocht welke blus- en koelcapaciteit nodig is om met IBV’s effectief op te kunnen treden bij toekomstige scenario’s die samenhangen met de energietransitie in de haven van Rotterdam. 

Belangrijkste bevindingen 

In het onderzoek zijn 24 energietransitie-gerelateerde scenario’s op het water beschouwd. Daarbij zijn de effecten van deze scenario’s in kaart gebracht. Vervolgens is per scenario gekeken of de IBV binnen de vastgestelde opkomsttijd aanwezig kon zijn en of de IBV’s een primair blussende of koelende actie konden uitvoeren. Bij een primair blussende of koelende actie is sprake van directe blussing en/of koeling, bijvoorbeeld het opbrengen van een schuimdeken bij het blussen van een plasbrand. 

Het onderzoek identificeerde vier ‘nieuwe’ energietransitie-gerelateerde, scenario’s waarbij IBV’s een rol kunnen spelen in de primaire incidentbestrijding: 

  • twee met lithium-ion batterijen 
  • twee met LOHC (Liquid Organic Hydrogen Carriers). 

Voor drie van deze scenario’s zijn de eisen aan de huidige bluscapaciteit van de IBV’s voldoende. Alleen bij een groot LOHC-incident op het water, zoals een botsing met een plasbrand als gevolg, zou een grotere hoeveelheid alcoholbestendig schuimvormend middel nodig zijn dan dat nu aanwezig is op een IBV: minimaal zo’n 286.000 liter voor dit scenario. De beperkte tijd om deze hoeveelheid schuim op te brengen, in combinatie met de complexe omstandigheden om het aan te brengen (plasbrand op het water), maken dat dit geen realistische eis is voor de nieuwe IBV’s.  

Ook heeft het NIPV inzichtelijk gemaakt tot op welke afstand van de brand de hulpdiensten hinder kunnen ondervinden van stralingshitte van de vlammen. Dit geeft daarmee inzicht in veilige benaderingsafstanden en de benodigde worplengte van blusstralen. Daarnaast bleek dat veel van de beschouwde (water)scenario’s secundaire effecten op land kunnen hebben en verschaffen daardoor waardevolle informatie voor de hulpverlening ‘aan wal’. 

Conclusie 

Het NIPV concludeert dat de aanwezigheid van ‘duurzame’ gevaarlijke stoffen in de Rotterdamse haven weliswaar nieuwe risico’s met zich meebrengt, maar dat deze risico’s niet van invloed zijn op de bestaande eisen aan de blus- en koelcapaciteit van de IBV’s. Ofwel de eisen aan de huidige blus- en koelcapaciteit van de IBV’s volstaan voor de toekomstige incidentscenario’s als gevolg van de energietransitie in de Rotterdamse haven. Hiermee kan de Divisie Havenmeester onderbouwd verder met de realisatie van het programma ‘Vlootvernieuwing’ ter vervanging van haar huidige vaartuigen. 

Lees het rapport