Publiek-civiele samenwerking belangrijk voor noodsteunpunten tijdens crises
17 september 2026
Hoe kunnen overheden, maatschappelijke organisaties en inwoners elkaar versterken bij de inrichting en inzet van noodsteunpunten? In de derde snelle kennismobilisatie binnen het ‘Landelijk project pilots noodsteunpunten’ onderzocht het NIPV welke factoren publiek-civiele samenwerking vóór en tijdens crises bevorderen of belemmeren. De publicatie draagt bij aan de kennisbasis voor de landelijke pilots met noodsteunpunten en coördinatiepunten in 2026.

Van samenwerking naar samenwerken
De manier waarop naar crisisbeheersing wordt gekeken verandert. Waar crisisrespons lange tijd vooral was gebaseerd op hiërarchische sturing, ligt de nadruk steeds meer op coördinatie, coöperatie en een actieve rol van de samenleving. Maatschappelijke weerbaarheid, samenredzaamheid en de zogenoemde whole-of-society-benadering staan daarbij centraal.
Effectieve crisisrespons is niet alleen afhankelijk van formele samenwerking en afstemming. Minstens zo belangrijk is het creëren van omstandigheden waarin verschillende partijen vanuit hun eigen rol kunnen bijdragen aan een gezamenlijk doel. Tijdens een crisis kan het daardoor belangrijker zijn om goed met elkaar te kunnen samen werken dan om steeds meer formele samenwerking te organiseren.
Maatschappelijke initiatieven van grote waarde
Tijdens crises ontstaat vrijwel altijd een geïmproviseerd netwerk van organisaties die betrokken zijn bij crisisbeheersing. Maatschappelijke initiatieven beschikken over waardevolle lokale kennis, netwerken, faciliteiten en vrijwilligerscapaciteit. Zogenoemde uitbreidende en emergente organisaties, zoals buurthuizen, sportverenigingen, scholen en spontaan ontstane vrijwilligersinitiatieven, kunnen daarmee een belangrijke aanvulling vormen op de reguliere crisisrespons. Zij kunnen inspelen op behoeften waarvoor bestaande structuren niet altijd direct een oplossing bieden.
Wat bevordert succesvolle samenwerking?
Enkele belangrijke bevorderende factoren zijn:
- Wederzijds vertrouwen en openheid
- Kennis van elkaars rollen, mogelijkheden en werkwijzen
- Gezamenlijke oefeningen en ruimte om te leren en experimenteren
- Aansluiting bij bestaande lokale netwerken en gemeenschappen
- Een open en gelijkwaardige houding van alle betrokken partijen
- Een goede balans tussen coördinatie en flexibiliteit.
Onderzoeker Adriëlle de Haan: “Deze snelle kennismobilisatie benadrukt het belang van een uitgangspunt waarin inwoners niet worden gezien als hulpeloos, maar als veerkrachtige mensen die tijdens crises ook zelf initiatief nemen en anderen helpen.”
Wat betekenen deze inzichten voor noodsteunpunten?
De Haan: “Een noodsteunpunt kan niet zelfstandig voorzien in de verschillende behoeften die tijdens een crisis kunnen ontstaan. Voor noodsteunpunten betekent dit dat samenwerking met maatschappelijke organisaties en initiatieven een belangrijk onderdeel is. Lokale partners kunnen bijvoorbeeld locaties beschikbaar stellen, vrijwilligers inzetten of ondersteuning bieden aan specifieke doelgroepen. “
Uit de kennismobilisatie volgen 5 belangrijke inzichten voor noodsteunpunten:
- Er bestaat niet één formule voor een succesvolle samenwerking.
- Overheidsorganisaties moeten blijven redeneren vanuit het perspectief van inwoners.
- Het ontdekken van werkbare vormen van samenwerking vraagt ruimte voor leren en experimenteren.
- Duidelijke afspraken over taken en verantwoordelijkheden helpen bij de voorbereiding van noodsteunpunten, mits voldoende flexibiliteit in procedures wordt geborgd.
- De rol en houding van overheden ten opzichte van maatschappelijke initiatieven vragen om een balans tussen faciliteren en regisseren.
Lees het rapport
Bekijk ook
Goed leiderschap bij de brandweer: verbinden, begrenzen en situationeel handelen
17 september 2026
Leidinggeven bij de brandweer gaat niet alleen over wat er gebeurt tijdens een incident. Ook in het dagelijkse werk wordt voortdurend leidinggegeven: aan posten, ploegen en teams op kantoor. Dit wordt beheersmatig of ‘koud’ leiderschap genoemd. Het NIPV onderzocht wat goed beheersmatig leiderschap inhoudt en hoe dit vorm krijgt in de praktijk. Lector Brandweerkunde Ricardo Weewer, projectleider Karin Dangermond en onderzoeker Joost Hermans vertellen.

Waarom dit onderzoek?
“Beheersmatig leiderschap is belangrijk voor het functioneren van mensen, ploegen, korpsen en de organisatie. Het bepaalt mede of medewerkers zich gezien voelen, verantwoordelijkheid nemen, elkaar durven aanspreken en bereid zijn mee te bewegen met veranderingen”, vertelt Dangermond. “Hoewel leiderschap al jarenlang onderwerp van wetenschappelijk onderzoek is, ontbrak een diepgaand onderzoek binnen de brandweer. Dit onderzoek is het eerste dat specifiek over brandweerleiderschap gaat. Het past in de lijn van de eerdere onderzoeken die we naar de brandweermens hebben gedaan.”
Hoe hebben jullie het onderzoek aangepakt?
Dangermond: “We hebben niet alleen gekeken naar degenen die leidinggeven, maar ook naar de mensen die leiding krijgen. Met leidinggevenden en medewerkers op alle niveaus van de brandweer hebben we (groeps)interviews gehouden. Daarnaast hebben we literatuuronderzoek gedaan naar leiderschap bij de brandweer. En naar leiderschap in vergelijkbare organisaties, zoals de politie en Defensie. Ook hebben we bestaande leiderschapsinitiatieven van de veiligheidsregio’s geïnventariseerd. Al die inzichten zijn samengebracht in één rapport.”
Wat is het bijzondere aan leiderschap binnen de brandweer?
“Vertrouwen, duidelijkheid, aandacht, vakmanschap en een goede balans tussen resultaatgericht en mensgericht leidinggeven zijn overal belangrijk. Wat leiderschap binnen de brandweer bijzonder maakt, is de context. Die bepaalt wat wel en niet werkt”, legt onderzoeker Hermans uit. “Veiligheidsregio’s, posten en ploegen verschillen in geschiedenis, samenstelling en dynamiek. Wat op de ene plek werkt, kan elders weerstand oproepen. Daarom moeten leidinggevenden voortdurend kunnen schakelen tussen nabijheid en afstand, lokale eigenheid en regionale samenhang, participatie en besluitvaardigheid, en tussen de operationele praktijk en beheersmatige sturing.”
Wat is volgens het onderzoek goed beheersmatig leiderschap?
Hermans: “Goed brandweerleiderschap vraagt om situationeel handelen. Leiders moeten kunnen verbinden, coachen, faciliteren én begrenzen. Belangrijke kenmerken zijn een brandweerhart, vertrouwen, relationele kwaliteiten, lef en het vermogen om mensen mee te nemen in veranderingen. Repressieve ervaring kan helpen om gezag te krijgen, maar is niet doorslaggevend.” Ook volgerschap is essentieel, geeft Hermans aan: “Brandweermensen tonen initiatief, eigenaarschap, kritisch meedenken, volgzaamheid of weerstand. Informeel en gedeeld leiderschap spelen een grote rol, omdat invloed binnen de brandweer vaak ook komt door expertise, anciënniteit, sociale positie en groepsdynamiek.”
Wat is de betekenis van dit onderzoek voor leiderschapsontwikkeling?
“De waarde van dit onderzoek is dat het zichtbaar maakt hoe leiderschap bij de brandweer in de praktijk ontstaat en wordt ervaren”, zegt Weewer. “Het onderzoek levert geen blauwdruk voor de ideale brandweerleider op, maar wel een basis voor een toekomstbestendige visie op brandweerleiderschap en leiderschapsontwikkeling. Ook biedt het onderzoek een gedeelde taal voor selectie, opleiding, begeleiding en intervisie.”
Meer informatie
Naast het onderzoeksrapport en een samenvatting zijn 2 uitgaven met tips voor leidinggevenden verschenen. Ook is er een leiderschapsspel ontwikkeld waarmee leidinggevenden in de regio of op de post met elkaar in gesprek kunnen gaan over leiderschapsdilemma’s. Vorig jaar verscheen al een inventarisatie van de leiderschapsinitiatieven in de veiligheidsregio’s.
Rapport, samenvatting en tips voor leidinggevenden
-
Goed beheersmatig leiderschap bij de brandweer. Onderzoek vanuit verschillende perspectieven
pdf | 3 MB | 17-09-2026 -
Samenvatting Goed beheersmatig leiderschap bij de brandweer
pdf | 603 KB | 17-09-2026 -
Een gezonde familiecultuur bij de brandweer: tips voor leidinggevenden
pdf | 329 KB | 17-09-2026 -
Veranderen met oog voor de brandweercultuur: tips voor leidinggevenden
pdf | 369 KB | 17-09-2026 -
Terugkoppeling inventarisatie veiligheidsregio’s: leiderschap bij de brandweer
pdf | 732 KB | 24-04-2025
Engelse vertalingen samenvatting en tips voor leidinggevenden
Bekijk ook
Opening onderwijsjaar 2026-2027: co-creatie wordt steeds urgenter
15 september 2026
“Steeds vaker zien we dat onderwijs, onderzoek en praktijk elkaar weten te vinden. Dat is essentieel. De uitdagingen van het veld zijn immers ook onze uitdagingen”, vertelde Coby Flier, directeur Onderzoek en Onderwijs, tijdens de opening van het onderwijsjaar 2026-2027. Co-creatie was het thema van deze editie.

Natuurbranden is goed voorbeeld
“We zien allemaal dat het thema co-creatie steeds urgenter wordt. Kijk bijvoorbeeld naar het onderwerp natuurbranden. Door toegepast onderzoek, intensieve samenwerking met het werkveld en de oplevering volgend jaar van het basishandboek natuurbranden, leveren wij een concrete bijdrage aan een vraagstuk dat de komende jaren alleen maar belangrijker wordt. Dat doen we natuurlijk met als doel om professionals en organisaties beter toe te rusten op de uitdagingen van vandaag en morgen”, aldus Flier.
Elkaar naar het hoogste niveau optillen
Minister van Justitie en Veiligheid David van Weel onderstreepte ook het belang van co-creatie en samenwerking. “Tijdens en na de grote natuurbranden van dit jaar ben ik bij de betrokken brandweermensen langsgegaan. Ik hoorde daar intense verhalen over wat zij die dagen en weken allemaal hadden meegemaakt. Maar zij vertelden ook dat zij altijd konden terugvallen op hun training en opleiding. Die basis kan alleen bestaan dankzij gedegen onderzoek en kennisdeling. Daarom is co-creatie ook zo belangrijk. Want er gaat steeds meer worden gevraagd van hulpdiensten in een crisissituatie. Niet alleen in jullie eigen werk, maar ook in de samenwerking.”
“Het is belangrijk dat de mensen die altijd als eerste ter plekke zijn, over de meest recente kennis beschikken en het beste handelingsperspectief. Dat is voor mij de essentie van co-creatie. Elkaar naar het hoogste niveau optillen.”

Minister van Justitie en Veiligheid David van Weel. Foto: NIPV.
Van denken naar doen, van samenwerking naar samenhang
Martin Wijnen, Directeur-Generaal bij Rijkswaterstaat ga de aanwezig en mee: “Complexe en maatschappelijke opgaven vragen steeds om de vraag: wat heeft de situatie nu eigenlijk van ons nodig? Als je die vraag stelt, heb je de kern te pakken van co-creatie. Het betekent voor mij dat we verschillende kennis, verantwoordelijkheden en perspectieven bij elkaar brengen. Om samen te bepalen wat nodig is en vervolgens ook de stap durven te zetten: van denken naar doen, van samenwerking naar samenhang.”

Schaarste stimuleert co-creatie
Nils Rosmuller, lector Energie-en transportveiligheid en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Twente, verzorgde de Publieke veiligheidsrede 2026-2027. “De veiligheidsregio’s staan steeds meer onder druk. Er is sprake van een listige cocktail aan schaarste in het veiligheidsdomein. Maar deze schaarste biedt ook kansen. De schaarste omarmen helpt om co-creatie tot stand te brengen. En daarmee onze maatschappij veiliger te maken in de huidige turbulente tijd.”

Co-creatie én co-productie
Volgens programmadirecteur Onderwijs Onderweg en Toekomstbestendige Brandweerzorg Dennis van Zanten gaat het niet alleen om co-creatie, maar ook om co-productie. “Om het onderwijs toekomstbestendig te houden moet ook samen de verantwoordelijkheid worden genomen voor de uitvoering, dus co-productie. Dat vraagt niet alleen ander gedrag, maar ook een stelsel dat samenwerking, besluitvorming, financiering en eigenaarschap daadwerkelijk ondersteunt.”
Lees de Publieke veiligheidsrede terug
Bekijk ook
Europees project versterkt grensoverschrijdende samenwerking bij rampenbestrijding
10 september 2026
Hoe kunnen hulpdiensten in grensregio’s beter samenwerken bij een ramp of grootschalig incident? Het, mede door de EU gefinancierde, Europese project Civil Protection – Liaison Network Concept (CivPro-LiNC) onderzocht hoe landsgrensoverschrijdende liaison officers (verbindingsfunctionarissen) momenteel worden ingezet, opgeleid en georganiseerd. In het voorjaar van 2026 is er al een vijfdaagse pilottraining uitgevoerd met (naburige) liaisons uit Nederland en Duitsland.

Aan het onderzoek namen deel de Bezirksregierung Köln (districtsbestuur van Keulen), het Institut der Feuerwehr van de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen, het International CBRNE Institute (ICI) (België) en het NIPV. De resultaten vormen de basis voor een Liaison Manual en een Liaison Course Curriculum, die openbaar beschikbaar zijn gesteld.
Verschillende systemen, één gezamenlijke uitdaging
De organisatie van rampenbestrijding verschilt per land. In sommige landen is sprake van een gecentraliseerd systeem waarbij de invulling van de functie van grensliaison centraal wordt bepaald en georganiseerd. In andere landen is er weer meer vrijheid voor (grens)regio’s om op eigen manier de functie van grensliaison vorm te geven. Daardoor zijn er veel verschillende manieren waarop grensliaisons worden ingezet. Er zijn ook veel grensgebieden in Europa waar niet wordt gewerkt met landgrens-overschrijdende liaison.
Het doel van CivPro-LiNC was om op basis van initiatieven en ervaringen in Europa de functie van grensliaison te beschrijven. En op basis daarvan de Manual en het Curriculum te ontwikkelen. Uitgangspunt daarbij blijft dat grensregio’s bij het gebruik van deze documenten ruimte hebben voor eigen regionale invulling.
Belangrijkste bevindingen
Voor het onderzoek zijn kwalitatieve interviews gehouden en vragenlijsten uitgezet onder deskundigen uit grensregio’s in Duitsland, Nederland, België, Polen, Frankrijk, Denemarken en Tsjechië.
De belangrijkste conclusies zijn:
- Er is in grote lijnen onderscheid tussen operationele liaison officers bij de plaats incident en liaison officers op afstand in crissiteams.
- Europa kent geen uniform kader voor de rol, opleiding en competenties van liaison officers op regionaal niveau
- Liaison officers vervullen hun functie doorgaans op vrijwillige basis, naast hun reguliere werkzaamheden.
- Zij kunnen, afhankelijk van het incident en regionale afspraken, worden ingezet op operationeel, tactisch of strategisch niveau.
- Taalvaardigheid, cultureel bewustzijn en kennis van het eigen én buitenlandse systeem zijn essentieel voor effectieve samenwerking.
- Liaison officers hebben uiteenlopende achtergronden, onder meer binnen de brandweer, medische hulpverlening en het openbaar bestuur.
- Een gestandaardiseerde opleiding ontbreekt; regio’s ontwikkelen en organiseren hun eigen trainingsprogramma’s.
Met de Liaison Manual en Liaison Course Curriculum wil CivPro-LiNC bijdragen aan een meer professionele en consistente aanpak. Een pilotopleiding en table-topoefening worden gebruikt om de ontwikkelde instrumenten te testen en verder te verbeteren.
Helder doel: snel en effectief samenwerken
“Bij een crisis houdt een landsgrens zich niet aan de gevolgen van een incident. Hulpdiensten moeten elkaar daarom snel kunnen vinden en begrijpen hoe de organisatiestructuren en werkwijzen aan de andere kant van de grens zijn ingericht. Een goed opgeleide grensliaison kan daarin een cruciale rol spelen. Met CivPro-LiNC werken we toe naar een aanpak die niet alleen in Nederland, Duitsland en België bruikbaar is, maar ook in andere Europese grensregio’s,” zegt Frank Cools, projectleider CivPro-LiNC bij het NIPV.
Tijdens het 9th European Civil Protection Forum in Brussel op 3 en 4 november werkt Frank Cools mee aan een workshop over Host Nation Support.
Lees de manual en het curriculum
Bekijk ook
Eerste interregionale inzet Specialistische IBGS-eenheid bij incident in Eindhoven
9 september 2026
Op maandagavond 31 augustus 2026 kwamen bij een metaalbedrijf in Eindhoven gevaarlijke stoffen vrij. Vermoedelijk doordat een verkeerd type staal in een bak met salpeterzuur terechtkwam. Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost vroeg specialistische bijstand aan bij de coördinerende Meldkamer Rotterdam. Het was de eerste keer dat een specialistische eenheid van het landelijk brandweerspecialisme Incidentbestrijding gevaarlijke stoffen (IBGS) werd ingezet. Dankzij een succesvolle samenwerking tussen het metaalbedrijf, de brandweer in Eindhoven en de Specialistische IBGS-eenheid (SIE) werd het incident opgelost.

Van regionale gaspakeenheid naar SIE
Voorheen had elke veiligheidsregio verplicht een eigen gaspakeenheid. Dat is veranderd. Via het landelijke brandweerspecialisme IBGS zijn er nu specialistische teams die de regionale teams grotendeels vervangen. Veiligheidsregio’s kunnen een SIE aanvragen via de landelijk adviseur gevaarlijke stoffen.
De eenheden bestaan uit:
- vier gaspakdragers
- een inzetleider (LIMA)
- een chauffeur/plotter
Ook komt een liaison (op OvD -niveau) mee die afstemt met de regio die de bijstand heeft aangevraagd.
Terugblik eerste SIE-inzet
Thorsten Hackl, landelijk coördinator van het brandweerspecialisme IBGS, blikt terug op de eerste SIE-inzet: “Direct na de melding trad de brandweer in Eindhoven op met de basisbrandweerzorg: de ruimte werd afgesloten en de situatie gestabiliseerd, zodat de dreiging niet verder kon uitbreiden. Vervolgens vroeg de brandweer specialistische bijstand aan voor de bronbestrijding.

Het specialistische team begon met een gedetailleerde verkenning binnen. Hierbij droegen ze een gaspak. Daarna vond de daadwerkelijke bronbestrijding plaats. Het oorspronkelijke plan was om de balk die verkeerd in de bak met salpeterzuur terecht was gekomen, fysiek te verwijderen. Bij nadere beoordeling tijdens de verkenning werd dit als te risicovol bestempeld.
Daarom koos het team voor een alternatieve aanpak: de luiken werden gesloten, waardoor de dampen naar een gaswasser werden geleid. Daarmee verdween de emissie en kwam het incident onder controle. Deze aanpak gebeurde in nauwe samenwerking met een bedrijfsdeskundige die buiten meekeek via de bodycam van een van de gaspakdragers. De beelden werden uitgelezen via het landelijk sensorplatform. Op basis van deze informatie kon de bedrijfsdeskundige de gaspakdrager nauwkeurige aanwijzingen geven voor de bediening van het regelpaneel.”

“De inzet in Eindhoven laat precies zien waarom we dit specialisme landelijk hebben georganiseerd. Waar vroeger elke veiligheidsregio zelf een gaspakeenheid in de lucht moest houden, kunnen we nu SIE’s inzetten met precies de kennis en het materieel voor dit soort bronbestrijding.”
Organisatie van de eenheden
Het specialisme zit in een transitiefase: er zijn 6 geplande eenheden, waarvan er inmiddels 4 operationeel zijn. Deze eenheden zijn verspreid over het land georganiseerd:
- Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant in samenwerking met Veiligheidsregio Zeeland
- De Gezamenlijke Brandweer
- Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland in samenwerking met Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland
- De bedrijfsbrandweer van Ebert HERA, via Veiligheidsregio Zuid-Limburg
Binnenkort bieden ook Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden en Veiligheidsregio Groningen een SIE interregionaal aan.
Hoe vraag je als veiligheidsregio ondersteuning van een SIE aan?
De brandweer kan hulp van een SIE aanvragen door via de coördinerende Meldkamer Rotterdam contact op te nemen met de landelijk adviseur gevaarlijke stoffen.
Bekijk ook
Blog: Veiligheidsbeleving en de keten van vertrouwen
9 september 2026
Veiligheid wordt niet alleen bepaald door berekeningen en maatregelen. In deze blog verkent senior onderzoeker-adviseur Margreet Spoelstra hoe burgers risico’s van gevaarlijke stoffen ervaren en welke rol vertrouwen daarin speelt.

Al meer dan 20 jaar houd ik mij bezig met de veiligheid van gevaarlijke stoffen in de chemische industrie en tijdens transport via weg, water, spoor en buisleidingen. Een belangrijke vraag hierbij is hoe mensen in de omgeving voldoende beschermd kunnen worden tegen de gevolgen van een brand, explosie of een giftige wolk.
Die vraag is belangrijk omdat Nederland een klein land is en niet de luxe heeft om gevaarlijke stoffen overal op afstand te houden. We moeten het doen met de ruimte die er is en daarom wordt in Nederland al decennia nagedacht over waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig mogen zijn.
Hierbij wordt niet alleen gekeken naar de omvang van mogelijke effecten, maar ook naar de kans dat gevaarlijke stoffen vrijkomen. Op basis daarvan worden risicocontouren berekend en maatregelen getroffen om risico’s binnen acceptabele grenzen te houden. Deze rekenkundige kant van veiligheid is objectief en gebaseerd op modellen en berekeningen. Toch zegt de grootte van risicocontouren niet alles over hoe burgers risico’s ervaren en hoe veilig ze zich voelen. De beleving van risico’s speelt een minstens zo belangrijke rol.
Risicobeleving
In 2025 publiceerde het RIVM een rapport over een onderzoek hoe mensen activiteiten met gevaarlijke stoffen in hun woonomgeving ervaren. De geïnterviewden wonen dicht bij chemische industrie of bij transportroutes. Op vragen over veiligheid in hun leefomgeving, werden gevaarlijke stoffen niet of nauwelijks genoemd, maar wel onderwerpen als verkeersveiligheid, sociale veiligheid, geluidshinder, luchtkwaliteit en gezondheidseffecten.
Men was zich weinig bewust van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen en voelden zich op dat vlak veilig. De kans dat er een ongeval plaatsvindt, werd klein geacht en was niet iets waar zij veel mee bezig waren. Het rapport gaf ook aan dat de mensen veel vertrouwen hadden in de overheid, in werkprocedures en in maatregelen om incidenten met gevaarlijke stoffen te beperken.
Een heel ander voorbeeld van risicobeleving maakte ik zelf mee in het voorjaar van 2024, toen ik als onafhankelijke deskundige uitleg gaf over ammoniak op bewonersavonden in Rozenburg en Hoek van Holland. Er was namelijk veel weerstand tegen en discussie over de mogelijke komst van een zeer grote ammoniakopslag in de Rotterdamse haven. Omwonenden vonden dat de mogelijke gevolgen van het vrijkomen van ammoniak te groot waren, dat de opslag te dicht bij woongebieden zou komen te liggen en dat de kans op een incident niet uit te sluiten is.
Risicobeleving uitgelegd
Deze twee voorbeelden laten zien dat mensen risico’s en veiligheid verschillend kunnen ervaren, afhankelijk van de omstandigheden. Dat heeft alles te maken met de manier waarop mensen gevaren en risico’s waarnemen, inschatten en beleven (risicoperceptie). Daarbij spelen niet alleen kenmerken van het risico zelf een rol, maar ook persoonlijke ervaringen en de sociale omgeving waarin mensen zich bevinden.
Risicoperceptie wordt onder andere beïnvloed door factoren als:
- Vertrouwen in de instellingen die risico’s beheersen
Burgers kunnen risico’s vaak zelf niet beoordelen en zijn daarvoor afhankelijk van instanties. Hoe meer zij vertrouwen hebben dat instanties deskundig, eerlijk en zorgvuldig zijn, hoe meer een risico wordt geaccepteerd. - Vrijwilligheid, controle en inspraak
Hoe meer mensen vrijwillig een gevaar aangaan of daar controle of inspraak op hebben, hoe meer een risico wordt geaccepteerd. - Gevoelens van angst en onzekerheid
Hoe groter de gevoelens van angst, onzekerheid en onbekendheid zijn, hoe minder een risico wordt geaccepteerd. Negatieve gevoelens vergroten vaak de waargenomen ernst van een risico. - De mogelijke ernst van gevolgen
Hoe kleiner de gevolgen, hoe meer een risico wordt geaccepteerd
Van al deze factoren wordt vertrouwen gezien als de meest bepalende factor voor het ervaren van veiligheid. Vertrouwen is dus een groot goed. Als mensen vertrouwen hebben in een instantie, dan versterkt dat het gevoel van veiligheid. Wanneer vertrouwen ontbreekt, wordt vrijwel elke boodschap met scepsis ontvangen en kan dit zelfs weerstand oproepen bij de ontvanger. Wantrouwen wordt versterkt doordat nieuwe informatie vooral wordt gezien als bevestiging van bestaande twijfels.
Vertrouwen groeit langzaam maar kan in een oogwenk verloren gaan, vandaar ook het gezegde ‘vertrouwen komt te voet en gaat te paard’. Het vertrouwen in instanties is gevoeliger voor negatieve gebeurtenissen en berichtgevingen, dan voor positieve. Dat hangt samen met het psychologisch verschijnsel dat negatieve informatie doorgaans meer invloed heeft op ons oordeel dan positieve informatie van vergelijkbare sterkte.
In het RIVM-onderzoek waren de meeste deelnemers zich niet bewust van de risico’s van gevaarlijke stoffen in hun directe omgeving. Toen ze daarop geattendeerd werden, voelden ze zich nog steeds veilig, onder andere omdat er overal wel gevaarlijke stoffen zijn, omdat andere risico’s misschien wel gevaarlijker zijn en omdat ze erop vertrouwen dat overheden en andere instanties de risico’s laag en beheersbaar houden.
Bij de ammoniakopslag in Rotterdam daarentegen vonden omwonenden de mogelijke gevolgen van een incident te groot en wantrouwden ze DCMR als toezichthouder, omdat DCMR geen wettelijke grond zag om het bedrijf een milieueffectrapportage te laten maken.
Een keten van vertrouwen
Momenteel zijn waterstofaggregaten in opkomst omdat zij stroom kunnen leveren op plekken waar niet of onvoldoende stroom voorhanden is. Denk aan bouwplaatsen en evenementen. Bij een waterstofaggregaat wordt een trailer geplaatst met waterstof om het aggregaat van waterstof te voorzien.
Er staat echter nergens beschreven welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om mensen in de omgeving te beschermen tegen de mogelijke gevolgen van het vrijkomen van waterstof. NEN (Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut) heeft daarom in samenwerking met het bedrijfsleven een Nederlands Technische Afspraak (NTA) voor waterstofaggregaten ontwikkeld. De NTA geeft geen absolute garantie op veiligheid, maar biedt bedrijven kaders om hun veiligheidsaanpak te onderbouwen en biedt bevoegde gezagen een basis om die aanpak te beoordelen.
Dit voorbeeld laat zien dat veiligheid is gebaseerd op een keten van vertrouwen. Bedrijven vertrouwen er op dat zij met de NTA kunnen laten zien hoe zij veiligheid hebben geborgd. Overheden vertrouwen vervolgens op de kwaliteit van de NTA en op de degenen die deze in de praktijk toepassen. Aan het eind van de keten staan de burgers die er op vertrouwen dat overheden alleen situaties toestaan die voldoende veilig zijn.
Dat vertrouwen ontstaat niet vanzelf. Het vraagt van bedrijven dat zij risico’s inzichtelijk maken, van overheden dat zij risico’s zorgvuldig afwegen en daar open over communiceren en van toezichthouders dat zij laten zien hoe zij tot hun oordeel komen. Juist wanneer er onzekerheden zijn of wanneer belangen botsen, wordt zichtbaar of een organisatie het vertrouwen van burgers waard is.
Daarmee komen we terug bij de vraag waarmee ik deze blog begon: hoe beschermen we mensen in de omgeving tegen de gevolgen van een brand, explosie of giftige wolk? Het antwoord ligt niet alleen in regels en technische maatregelen, maar ook in de manier waarop bedrijven, overheden en toezichthouders omgaan met onzekerheden, keuzes uitleggen en verantwoordelijkheid nemen. Tegelijkertijd wordt veiligheid niet alleen bepaald door hoe groot een risico daadwerkelijk is, maar ook door de mate waarin burgers erop vertrouwen dat risico’s zorgvuldig worden beheerst.
Margreet Spoelstra
senior onderzoeker-adviseur energie- en transportveiligheid
Bekijk ook
Inspectierapport JenV over leergang Hoofdofficier van dienst gepubliceerd
8 september 2026
De leergang Hoofdofficier van dienst (HOvD) van het NIPV voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen en bereidt deelnemers goed voor op hun functie. Dat concludeert de Inspectie Justitie en Veiligheid (JenV) na onderzoek naar de kwaliteit van de leergang. “We danken de Inspectie voor het grondige onderzoek. De bevindingen en aanbevelingen geven ons waardevolle input om de kwaliteit van de leergang verder te versterken”, zegt Coby Flier, directeur Onderzoek en Onderwijs bij het NIPV.

De functie van HOvD vereist mensen die op strategisch, tactisch en operationeel niveau hun rol deskundig vervullen en daarvoor goed zijn opgeleid. De verwachting is dat het aantal grootschalige incidenten gaat toenemen door bijvoorbeeld internationale dreigingen en klimaatverandering. Dit vraagt om goed opgeleide hoofdofficieren. Daarom heeft de Inspectie JenV onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de leergang.
Onderzoeksvraag
Centraal in het onderzoek stond de vraag: in hoeverre is sprake van een kwalitatief goede leergang tot HOvD die borgt dat deelnemers door het volgen van de leergang voorbereid worden op het daadwerkelijk uitoefenen van deze functie?
Conclusie: kwalitatief goede leergang
De Inspectie concludeert dat sprake is van een kwalitatief goede leergang. Deelnemers verwerven de competenties die nodig zijn om startbekwaam te zijn als HOvD. De vakinhoudelijke kwaliteit en de examinering van de leergang zijn op orde. De Inspectie doet op basis van het onderzoek verschillende aanbevelingen. Deze richten zich vooral op het verder versterken van de kwaliteitsborging, het verduidelijken van rollen en verantwoordelijkheden binnen het stelsel en het formaliseren van bestaande werkwijzen.
Vervolg
“Wij hebben het inspectierapport met veel belangstelling ontvangen en danken de Inspectie voor het grondige onderzoek en de aanbevelingen. We nemen de bevindingen serieus en gaan hiermee zorgvuldig aan de slag”, aldus Coby Flier. “Wij herkennen de bevindingen van de Inspectie. Enkele aanbevelingen sluiten goed aan bij verbetertrajecten die al lopen. Zo werken we bijvoorbeeld aan de implementatie van een NIPV-breed kwaliteitszorgsysteem. Voor andere aanbevelingen ligt er een gezamenlijke opdracht voor de veiligheidsregio’s, het Ministerie van JenV en het NIPV. Naast bestuurlijke afstemming hierover zoeken we aansluiting bij het programma Onderwijs Onderweg dat zich richt op de herziening van het onderwijsstelsel. Met deze aanbevelingen kunnen we samen verder werken aan de kwaliteit van de leergang HOvD.”
Over de Inspectie JenV
De Inspectie JenV heeft een wettelijke taak om toezicht te houden op de kwaliteit van onderwijs binnen de domeinen brandweer en crisisbeheersing. Hiermee wil de Inspectie JenV bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs en aan de professionaliteit en het vakmanschap van functionarissen en organisaties in de brandweerzorg en crisisbeheersing. Het onderzoek naar de leergang HOvD is uitgevoerd aan de hand van het Toezichtkader Onderwijs. Dit kader is gepubliceerd op de website van de Inspectie JenV.
Lees het rapport
Lees het volledige rapport over de leergang HOvD op de website van de Inspectie JenV.
Bekijk ook
“De MCPM heeft mijn manier van denken zichtbaar veranderd”
8 september 2026
“Al van jongs af aan wist ik wat ik wilde worden. Als kind droomde ik ervan om militair, politieagent én brandweerman te zijn. Het bijzondere is dat die dromen uiteindelijk allemaal werkelijkheid zijn geworden.” Aan het woord is Rick van den Belt, student aan de opleiding Master of Crisis and Public Order Management (MCPM).

Combinatie van rollen maakt werk uitdagend
“Tegenwoordig vervul ik verschillende functies binnen het veiligheidsdomein. Bij de Nationale Politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant, werk ik als operationeel expert GGP wijkzorg en officier van dienst. Daarnaast ben ik voorzitter van de vakgroep (H)OvD binnen de eenheid. Bij Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant ben ik actief als officier van dienst crisiscommunicatie en woordvoerder. “
“Ook ben ik bevelvoerder bij de brandweer. Daarnaast heb ik mijn eigen onderneming, Adaptis, waarmee ik organisaties ondersteun op het gebied van crisismanagement en crisiscommunicatie.”
“Juist die combinatie van rollen maakt mijn werk uitdagend. Het brengt verschillende disciplines samen en geeft mij dagelijks de kans om te schakelen tussen operationele, tactische en strategische vraagstukken.”
Een opleiding die aansloot bij mijn ambitie
Van den Belt: “De keuze voor de MCPM kwam voort uit een combinatie van ambitie en zelfreflectie. In mijn werk acteerde ik al regelmatig op tactisch niveau. Tegelijkertijd merkte ik dat ik die ervaring niet kon onderbouwen met een opleiding die aansloot bij het niveau waarop ik opereerde. Een generieke hbo-opleiding voelde voor mij niet als de juiste stap. Ik zocht een opleiding die direct verbonden was met mijn vakgebied en dagelijkse praktijk.
Die aansluiting vond ik in de MCPM. Het vakgebied crisis- en openbare-ordemanagement brengt voor mij alles samen waar ik enthousiast van word: politie, brandweer, veiligheidsregio’s, bestuur en crisiscommunicatie. Het was dan ook vooral mijn intrinsieke motivatie die de doorslag gaf.”
Onderzoek naar de prijs van populariteit
Binnen de opleiding werkt Van den Belt samen met zijn studiegenoten aan het onderzoek ‘Prijs van Populariteit’. “Daarin onderzoeken we hoe toeristische binnensteden kunnen omgaan met de gevolgen van toenemende bezoekersstromen en welke lessen Amsterdam kan trekken uit de aanpak van Kopenhagen en Barcelona.”
“Voor dit onderzoek zijn we zelf naar beide steden gereisd. We hebben interviews gehouden op strategisch, tactisch en operationeel niveau, beleidsdocumenten geanalyseerd en observaties uitgevoerd in de praktijk.”
De keuze voor dit onderwerp was voor Van den Belt een logische. “Overtoerisme is veel meer dan een toeristisch vraagstuk. Het raakt direct aan veiligheid, leefbaarheid, openbare orde en bestuurlijke verantwoordelijkheid. Het vraagt om samenwerking tussen verschillende partners en om slimme keuzes in beleid en uitvoering.”
Praktische lessen voor bestuur en uitvoering
“Met ons onderzoek willen we een concrete bijdrage leveren aan het debat over hoe overtoerisme beheersbaar kan worden gehouden. We hebben vijf aanbevelingen geformuleerd die direct toepasbaar zijn in de praktijk, waaronder een formeel hotspotsysteem, een geïntegreerd monitoringsysteem en een stedelijk convenant.”
“Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat crowdmanagement geen standaardoplossing kent. Wat in de ene stad succesvol is, werkt niet automatisch ergens anders. Een Kopenhaagse dialoogstrategie vraagt bijvoorbeeld om maatschappelijk draagvlak, terwijl een Spaans hotspotmodel veel capaciteit vraagt als je het niet slim organiseert. Juist die nuance maakt het onderzoek relevant voor beleidsmakers, bestuurders en professionals die dagelijks met deze vraagstukken te maken hebben.”
Van operationeel denken naar strategisch kijken
De MCPM heeft mijn manier van denken zichtbaar veranderd, zegt Van den Belt. Waar hij voorheen vraagstukken vrijwel automatisch vanuit de operatie benaderde, neemt hij nu vaker bewust afstand om eerst naar het grotere geheel te kijken. “Ik probeer vraagstukken niet alleen meer te begrijpen vanuit de dagelijkse praktijk, maar ook vanuit bestuurlijke, beleidsmatige en wetenschappelijke perspectieven.”
“Dat heeft mijn adviezen sterker gemaakt. Waar ik vroeger vooral leunde op ervaring, gebruik ik nu theorieën en modellen om analyses en aanbevelingen te onderbouwen. Dat zorgt niet alleen voor betere adviezen, maar ook voor meer draagvlak binnen organisaties. Theorie zie ik inmiddels als een instrument om de praktijk beter te begrijpen en te beïnvloeden, niet als een doel op zich.”
Leiderschap door los te laten
Hij vertelt verder: “Misschien wel mijn belangrijkste persoonlijke ontwikkeling tijdens de opleiding heeft te maken met leiderschap. Ik ben van nature iemand die snel verantwoordelijkheid neemt, de regie pakt en op inhoud stuurt. Dat levert vaak resultaten op, maar kent ook een keerzijde. Wanneer je altijd vooroploopt, bestaat het risico dat anderen afwachtend worden en eigenaarschap bij jou neerleggen.
Tijdens de MCPM ben ik bewust gaan oefenen met een andere stijl van leidinggeven. Mijn teamchef omschrijft die ontwikkeling als een meer ‘empowering’ stijl. Ik probeer tegenwoordig meer te sturen op proces dan op inhoud en geef anderen bewust de ruimte om zelf met oplossingen te komen. Dat levert sterkere teams op, meer eigenaarschap en duurzamere resultaten. Bovendien zorgt het ervoor dat de organisatie minder afhankelijk wordt van één persoon.”
De volgende stap in je ontwikkeling
Van den Belt sluit af: “De MCPM heeft mij niet alleen nieuwe kennis opgeleverd, maar ook een andere manier van kijken naar leiderschap, samenwerking en complexe veiligheidsvraagstukken. Werk jij in het veiligheidsdomein, de crisisbeheersing, openbare orde of het openbaar bestuur en wil je jouw praktijkervaring versterken met strategische verdieping en wetenschappelijke inzichten? Dan kan de MCPM een waardevolle volgende stap zijn.”
Meer weten of aanmelden?
Bekijk de Master of Crisis and Public Order Management.
Bekijk ook
Zestien studenten gestart met 55e voltijdopleiding Brandweerofficier
4 september 2026
“Met twee nieuwe studenten aan de voltijdopleiding Brandweerofficier blijven we bouwen aan een toekomstbestendige brandweer”, vertelt teamleider brandweerkunde Annette Klitsie van Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland over de opleiding die is gestart.

Bewuste keuze
“Voor ons is deelname aan deze opleiding een bewuste keuze”, vertelt Klitsie. “We vinden het belangrijk om nieuwe mensen aan onze organisatie te binden en tegelijkertijd te investeren in de brandweer van de toekomst. De opleiding biedt de kans om in anderhalf jaar tijd breed inzetbare professionals op te leiden én om mensen van buiten de brandweer aan te trekken. Mensen met verschillende achtergronden en ervaringen maken onze organisatie sterker.”
Kandidaten met verschillende achtergrond
“Dit jaar is daar een mooi voorbeeld van: we hebben een kandidaat met een brandweerachtergrond en een kandidaat die werkzaam was in de zorg. Juist die combinatie vinden we waardevol, omdat ze verschillende ervaringen meebrengen en veel van elkaar kunnen leren. Onze ervaring is ook dat ze veel leren van de medestudenten uit andere regio’s en dat ze een waardevol netwerk opbouwen.”
Studenten houden ons een spiegel voor
Klitsie vertelt verder: “De opleiding is juist nu relevant. De maatschappij verandert voortdurend. Denk aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals natuurbranden en overstromingen. Het werk van de brandweer verandert en er wordt meer van ons gevraagd. Daarom hebben we onze huidige, ervaren professionals en nieuwe collega’s nodig die aanvullende kennis en vaardigheden meebrengen. We doen als regio al jaren mee en zien tijdens de opleiding nieuwe inzichten ontstaan op het gebied van repressie, opleiding en innovatie. Studenten houden ons een spiegel voor met hun frisse blik.”
Bekwame officieren van de toekomst
“Wij hopen dat de deelnemers uitgroeien tot bekwame officieren van de toekomst, die niet alleen verstand hebben van brandweerzorg, maar ook van de bredere veiligheidsketen. En dat ze regionaal en landelijk een positieve bijdrage leveren aan de brandweer. We wensen ze veel nieuwe inzichten, goede begeleiding en vooral een mooie reis toe. Want de opleiding is meer dan leren alleen: het is ook het opbouwen van een netwerk voor het leven”, sluit Klitsie af.
Formele start op 16 september
Zestien studenten zijn gestart met de 55e voltijdopleiding Brandweerofficier. Ze zijn in dienst bij een veiligheidsregio en volgen anderhalf jaar de opleiding bij het NIPV. Op 16 september is de formele start.
Bekijk ook
Proefschrift Ben Riemersma: het besturen van veiligheid in gasdistributiesystemen moet meebewegen met technologische veranderingen
3 september 2026
Het besturen van veiligheid in gasdistributiesystemen moet meebewegen met technologische veranderingen. Dat is de belangrijkste conclusie van het promotieonderzoek van Ben Riemersma, onderzoeker bij het NIPV, dat hij op 2 september 2026 presenteerde aan de TU Delft.

Riemersma onderzocht hoe we veiligheid kunnen blijven borgen in een gasdistributiesysteem dat door de energietransitie steeds complexer wordt, onder meer door de groei van biogasproductie en de mogelijke komst van waterstof.
Omdat bij nieuwe technologische toepassingen vaak weinig historische gegevens beschikbaar zijn om veiligheidsbeleid en -maatregelen op te baseren, is een bredere Safety-II-benadering noodzakelijk. Dit betekent dat niet alleen wordt geleerd van wat misgaat, maar ook van wat goed gaat. Daarbij zijn proactieve samenwerking, systemische risicoanalyses en toezicht en regelgeving die zich kunnen aanpassen aan technologische ontwikkelingen van belang.
De vijf belangrijkste inzichten
- De energietransitie vraagt om een nieuwe kijk op veiligheid in gasdistributiesystemen. Een groei aan productielocaties, nieuwe gassen en veranderende technologieën maken het systeem complexer.
- Het gassysteem verandert fundamenteel als gevolg van een transitie naar hernieuwbare energie. Meer producenten en onderlinge afhankelijkheden vragen om een veiligheidsaanpak die nieuwe veiligheidsgevaren kan identificeren en beperken.
- Traditionele risicomethoden zoals een HAZOP zijn niet altijd toereikend. Bij nieuwe energiesystemen ontbreken vaak historische gegevens. Systemische methoden zoals STAMP en FRAM bieden aanvullende mogelijkheden.
- Leer niet alleen van incidenten, maar ook van wat goed gaat. Safety-II helpt om succesvolle dagelijkse praktijken te benutten en proactiever met veiligheid om te gaan.
- De institutionele inbedding van veiligheid moet meebewegen met technologie. Technologie, regelgeving en toezicht moeten voortdurend op elkaar worden afgestemd.
De energietransitie is daarmee niet alleen een technische, maar ook een veiligheidsopgave. Door systemisch naar risico’s te kijken, te leren van wat goed gaat en regels en toezicht te laten meebewegen, kan veiligheid beter worden geborgd in veranderende gasinfrastructuren.
De inzichten uit het onderzoek zijn ook relevant voor andere vitale infrastructuren die voor vergelijkbare uitdagingen staan.
Lees het proefschrift
Lees het proefschrift ‘Looking Beyond Reliability: Safety Governance for Evolving Gas Distribution Systems’ op de website van de TU Delft.
