Blog: De innovatieagenda voor de brandweer: 5 T’s als stip op de horizon

17 februari 2021

“De innovatieagenda voor de brandweer moet gebaseerd zijn op 5 T’s: té gevaarlijk, té ingewikkeld, té groot, té heftig en té vies”, blogt lector Brandweerkunde Ricardo Weewer. 

Virtueel paneel

Ruim twee jaar geleden schreef ik een blog over de innovatieagenda voor de brandweer. Ik gaf aan dat deze naar mijn mening gebaseerd moet zijn op 4 T’s. Inmiddels is er een 5e T bijgekomen. De 5 T’s zijn: toekomstige incidenten worden té gevaarlijk, té ingewikkeld, té groot, té heftig en té vies voor de first responder. Hieronder leg ik uit wat ik hiermee bedoel en hoe ik hiertoe ben gekomen.

Inde zomer van 2018 bezocht ik de eerste ‘annual workshops’ van het Fire-in-project. Dit is een vijfjarig Europees project in het kader van het Horizon 2020-programma [1] dat als doel heeft om te komen tot een onderzoeks- en innovatieagenda voor de brandweer als first responder. Na het eerste jaar werden de eerste resultaten gepresenteerd. Als ‘associated expert’ was ik hierbij aanwezig en mocht ik meedenken over de volgende fase.

Vijf thema’s en tien scenario’s

Om de kennisleemten voor de brandweer te bepalen waren binnen het project vijf werkgroepen geformeerd, met ieder een eigen thema. De thema’s zijn: gebouwbrandbestrijding, natuurbrandbestrijding, natuurrampenbestrijding, CBRNE (CBRNE = chemisch, biologisch, radiologisch en nucleaire explosieven) en search and rescue. 

Elke werkgroep had de leemten bepaald aan de hand van twee scenario’s. Die scenario’s waren uiteraard zo gekozen dat de grenzen van de mogelijkheden in zicht waren. Zo was voor gebouwbrandbestrijding gekozen voor een brand in een hoogbouwflat en een flinke brand in een tunnel. Voor CBRNE waren de scenario’s een terroristische aanslag met een biologisch agens en een botsing tussen een personentrein en een vrachtwagen met een bijtende stof op een spoorwegovergang in een dichtbevolkt gebied. Voor natuurbranden was gekozen voor een brand analoog aan de Portugese brand van 2017. 

Bij alle scenario’s komt de eerste brandweereenheid (first responder) als eerste ter plaatse en moet iets gaan doen. De vraag is: wat heeft die eerste eenheid (en wellicht de opvolgende eenheden) nodig om zo goed mogelijk en zo veilig mogelijk op te treden?

Opvallende zaken

Tijdens de presentaties vielen mij drie zaken op. Ten eerste had geen enkel scenario te maken met de energietransitie. Ten tweede werden er wel leemten gesignaleerd die te maken hadden met communicatie, grootschalige coördinatie en dat soort zaken, maar de human factor  werd niet genoemd. Situational awareness had vooral te maken met technieken om nog meer informatie te verzamelen, de verwerking daarvan door de mens werd niet benoemd. En ten derde zag ik nergens de veiligheid van brandweermensen terug. Verder viel mij op dat erg binnen de bestaande kaders was gedacht. De leemten, maar ook de mogelijke oplossingsrichtingen, gingen veel over ‘gebrek aan opleiding, kennis en training’, communicatie, coördinatie en techniek. Het bleef binnen de gebaande paden. De overweging: ‘misschien kunnen we dit wel nooit aan’, werd niet gemaakt. 

De 5 T’s

Maar waar mij de schrik van om het hart sloeg, was dat men dacht dat deze scenario’s opgelost konden worden door first responders. En ik dacht: je zal maar aankomen bij die tankwagen of die hoogbouwbrand met de tankautospuit. Maar meer kennis, training en oefening zouden veel oplossen, las ik in de tabellen. Opeens zag ik de 4, en inmiddels 5 T’s: té gevaarlijk, té ingewikkeld, té groot,  té heftig en té vies. Ik bedoel daarmee dat we in de toekomst steeds meer incidenten krijgen waarbij het voor de first responder te gevaarlijk is om op te treden, of die te veel kennis vragen, of veel te grootschalig zijn, of waar de mens het nooit goed kán doen, omdat de mens nu eenmaal beperkingen heeft. Hieronder licht ik de 5 T’s toe.

1.  Té gevaarlijk
Bij gebouwbranden zien we in toenemende mate dat de binneninzet te gevaarlijk wordt. Ik heb het dan natuurlijk niet over de huis-, tuin- en keukenbrandjes die we meestal hebben. Maar rookgasexplosies in industriegebouwen [2], ook in delen waar geen brand is, komen steeds vaker voor. In Nederland hebben we dat al in beeld, in het buitenland hoor ik er nog niet veel over, maar dat komt waarschijnlijk omdat daar nog geen incidenten worden verzameld en gedeeld. In hoogbouw, in tunnels, maar ook in de bossen [3], zie je dat het optreden met mensen te gevaarlijk aan het worden is. Dat geldt ook voor incidenten met gevaarlijke stoffen. Rook is steeds giftiger en door branden veroorzaakte rookwolken trekken steeds meer de aandacht van de maatschappij. Buurtbatterijen, waterstofbussen en waterstofauto’s staan straks in parkeergarages. Hoe gaan we dat doen? Naar binnen gaan is gewoonweg gevaarlijk en zou niet nodig moeten zijn in deze moderne tijd.

2.  Té ingewikkeld
We zien dat zelfs voor kleine brandjes steeds meer kennis nodig is om deze veilig en effectief te bestrijden. Voor tunnels, hoogbouw, straks met lithium-ion opslagen en wat dies meer, wordt meer kennis van de first responder gevraagd. In het Fire-in-project worden meer training, oefening en kennis als oplossing gezien. Is dan iedereen vergeten dat er nu al grote zorgen zijn over de opleidings- en oefenbelasting voor brandweermensen en dat het zeker bij die incidenten die niet vaak voorkomen de vraag is of de kennis op dat moment nog toegepast kan worden? Het houdt dus gewoon op. 

3.  Té groot
Incidenten worden te groot. We moeten af van de verwachting dat hulpverleners het wel oplossen. Het wordt tijd om te vertellen dat dit een misverstand is. Burgers en brandweer moeten samenwerken tijdens grote incidenten. Dat wordt ook door de deskundigen van Fire-in gezien. Zelfredzaamheid is er al, alleen maken we er nog geen gebruik van.

4.  Té heftig
We verwachten heel veel van onze first responders. En dat terwijl we weten dat mensen maar beperkte vermogens hebben [5], zowel bij de verwerking van heftige gebeurtenissen als bij besluitvorming onder druk. Kennis wordt niet altijd gebruikt. De mentale veerkracht moet verder vergroot worden, en daarmee het improvisatievermogen van de first responders. De samenleving moet accepteren dat er beperkingen zijn. Meer publicaties en procedures die op het moment suprême vergeten worden, lossen dit probleem alleen op papier op.  

5. Té vies
Oefenen en trainen is noodzaak, zeker voor gebouwbrandbestrijding. Momenteel gebeurt dat vooral op de oefencentra en het liefst met houtgestookte oefengebouwen. In Nederland mag dat al bijna niet meer. Op enkele plaatsen is het nog mogelijk, maar veelal wordt naar het buitenland uitgeweken. Sommige oefencentra gebruiken gasgestookte brandhaarden. Maar die zijn niet realistisch genoeg. Gezien de discussies rondom PFAS en stikstofuitstoot moeten we verwachten dat op enig moment in de komende 25 jaar realistisch oefenen op deze wijze nauwelijks nog mogelijk zal zijn. Het realistisch oefenen in gas- of houtgestookte oefengebouwen is daarnaast met name voor instructeurs ongezond. Naast de vervuiling van kleding en materialen is er de hitte die tot hittegerelateerde aandoeningen kan leiden.

Echte innovatie en kennisontwikkeling

En nu terug naar de internationale onderzoeks- en innovatieagenda. De basis voor echte innovatie en kennisontwikkeling voor de brandweer kan worden gevonden door te denken aan die 5 T’s.

  1. Té gevaarlijk: niet langer doorgaan met denken dat we overal mensen kunnen inzetten. Het is te gevaarlijk aan het worden. Innoveren door fors in te zetten op onbemenste oplossingen. Voluit gaan voor robots, drones en helikopters.
  2. Té ingewikkeld: met de moderne informatietechnologie is het niet meer nodig dat first responders alles weten. Google Glass, real time intelligence en dat soort zaken moeten de first responder ondersteunen. De first responder kan gewoon een doener blijven. Wat hij of zij doet, dat fluisteren deskundigen op afstand in, of misschien Google zelf. Als tussenstap misschien met een camera die de beelden naar het landelijk expertisecentrum stuurt en die via een oortje informatie influistert.
  3. Té groot: burgers moeten zelfredzaam zijn. En dus moeten we ze ook oefenen. Dat is een majeure innovatie: burgers die oefenen onder begeleiding van een moderne brandweer.
  4. Té heftig: onderzoek naar human factors is nodig, evenals communicatie richting de samenleving dat incidentbestrijding in de frontlinie mensenwerk blijft en dat dus niet altijd de meest optimale beslissingen worden genomen. Dat is een fact of life. Verder is het belangrijk om te kijken hoe we met alle informatievoorziening, intelligence en technologie de mens echt kunnen steunen. En dat is niet met nog meer kennis, procedures en informatie. Situational awareness en de menselijke maat, daar gaat het om.
  5. Té vies: het alternatief is virtueel oefenen. De systemen om te oefenen met digitale of immersieve simulaties staat met name voor brand nog in de kinderschoenen. Om de branden en de effecten van acties van brandweermensen realistisch te maken is een forse impuls nodig in de kwaliteit van die systemen.

Ondertussen moeten we de risico’s blijven beperken. Zo kunnen we innoveren door onbrandbare isolatiematerialen en nieuwe bouwwijzen te ontwikkelen en de effecten van rook, zowel binnen een gebouw als in de omgeving, te beperken. Daarbij kunnen we veel meer kijken naar fysicochemische processen zoals licht, magnetisme, elektriciteit en geluid. 

Het IFV doet graag mee

Het belang van het delen van kennis en ervaringen wordt tot mijn grote vreugde gezien als een van de belangrijkste richtingen voor de agenda. Dat is alvast een goede start om kennisdeling op Europees niveau te starten en te faciliteren.

Volgens mij hebben we zo een hele mooie aanzet voor een onderzoeks- en innovatieagenda voor de toekomst. Kom maar op met dat eindrapport, wij van het IFV doen graag mee!

Ricardo Weewer
lector Brandweerkunde

[1] Meer informatie over het Horizon 2020-project.

[2] Zoals onder andere in Obdam, Schiedam, Eindhoven, De Punt en IJmuiden, zie ook mijn presentatie op het congres Fire Safety & Science 2017.

[3] Denk aan de enorme bosbranden in Portugal vorig jaar en dit jaar in Giekenland, maar ook in eigen land zijn de omstandigheden onmogelijk om mensen in te laten opereren.

[4] Zie ons onderzoek over situationele commandovoering.

Lees ook

03-08-2022
Van LCMS naar Landelijke voorziening Crisisbeheersing

Minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid heeft het Landelijk Crisis Management Systeem (LCMS) tot Landelijke Voorziening Crisisbeheersing (LVCb) verklaard.

20-07-2022
Alternatief aangedreven hulpverleningsvoertuigen

Het Kenniscentrum Voorrangsvoertuigen heeft een verkennend onderzoek gedaan naar het overschakelen naar alternatief aangedreven (emissieloze) hulpverleningsvoertuigen.

20-07-2022
Talking Traffic, Safety Priority Services en Voertuig Positie Service: de stand van zaken

Talking Traffic, Safety Priority Services en Voertuig Positie Service: de stand van zaken

29-06-2022
Themasessie Security in NICT

Half juni organiseerden enkele veiligheidsregio’s samen met NIPV een themasessie over security voor regiocollega’s. Een mooi kijkje in de regionale IV-keuken.

29-06-2022
Toegangsservice Gezamenlijke Voorzieningen

In voorgaande jaren zijn al diverse stappen gezet naar Identity & Access Management (IAM) voor de gezamenlijke voorzieningen (zoals LCMS, de BI-voorziening, SIS en ELO).

29-06-2022
Ontwikkeling landelijke Operationele Risicometer

De afgelopen periode zijn ideeën ontwikkeld voor een Operationele Risicometer (OR). Per scenario wordt gekeken welke risico’s invloed hebben op het betreffende scenario.

29-06-2022
VeRA groeit op

De referentiearchitectuur voor veiligheidsregio’s (VeRA) is al jarenlang hét houvast voor de inrichting van informatievoorziening, op regionaal én landelijk niveau.

29-06-2022
Knooppunt Coördinatie en Informatie Oekraïne (KCIO)

Bij de oprichting van het KCIO werd de centrale rol van informatievoorziening al direct onderkend. Het uitgangspunt: niet iets opnieuw bouwen, maar slim gebruik maken van wat we al hebben.

29-06-2022
Landelijke BI-voorziening opgeleverd

Inmiddels is de nieuwe landelijke voorziening volop in gebruik! Onder andere door een aantal veiligheidsregio’s, vakgroep Brandonderzoek en lectoraten van NIPV.