Blog: Ervaringen bij onderzoek van de Bijlmerramp
30 september 2022, Menno van Duin
Lector Crisisbeheersing Menno van Duin kijkt in een drieluik terug op de Bijlmerramp, 30 jaar geleden. In deze tweede blog beschrijft hij zijn ervaringen als onderzoeker: de eerste dagen na de ramp.

Wij zaten die bewuste avond, 4 oktober 1992, aan tafel. Mijn vrouw en ik waren net begonnen aan het avondeten toen een collega van het COT belde dat er in Amsterdam een vliegtuig zou zijn neergestort. Omdat het COT eerder dat jaar onderzoek had gedaan naar de explosie/ramp bij Cindu in Uithoorn, hadden we wat inseinafspraken gemaakt met de Algemene Verkeersdienst van de Rijkspolitie om ter plekke onderzoek te kunnen doen bij crises. Dat betekende dat we vervolgens snel tot actie overgingen.
Vanuit verschillende plaatsen in het land trokken onderzoekers en student-assistenten naar Amsterdam. Zelf reed ik met Uri Rosenthal mee. Hij beschikte indertijd al over een autotelefoon die, met alles erbij, de omvang had van een kleine hutkoffer. Zo onderhielden we in de auto contact met Amsterdam en werden we naar de Bijlmersporthal geleid. Toen we daar tegen tienen aankwamen, bleek Werner Overdijk – toen nog student-assistent bij het COT ‒ al aanwezig en tot onze verrassing ter plekke te zijn gebombardeerd tot een soort van opvangcoördinator.
Die avond zagen we de sporthal volstromen met vooral ‘allochtonen’ – een woord dat in die tijd nog werd gebruikt – maar er klopten ook vele (potentiële) hulpverleners aan. Vele psychologen meldden zich spontaan. De meeste van hen hadden overigens geen enkel idee wat de overlevenden van de ramp of andere ontheemden die eerste uren wensten. Eigenlijk nooit een psycholoog, maar vooral wat warmte, een arm om de schouder, iets te eten en vooral informatie, informatie en informatie.
De dagen erna waren sommigen van ons nog in Amsterdam, maar volgden wij ‒ net als de rest van Nederland – de gebeurtenissen toch vooral via de televisie. De eindeloze beelden van het rampterrein, de indrukwekkende tocht naar de RAI waar een herdenkingsdienst plaatsvond en de veelkleurige vormen van rouw.
Weken later startten wij ons evaluatieonderzoek in opdracht van de gemeente. Sommige van die gesprekken ‒ bijvoorbeeld met Hugo Ernst de brandweercommandant – zal ik nooit vergeten. Brandweermensen zien ‒ ook in de flats in de Bijlmermeer ‒ het nodige, maar spreken hier verder niet over. Ook bij een volgende brand willen ze immers onbelemmerd toegang hebben. Ook boeiend was een gesprek met wethouder Frank de Grave (de eerste locoburgemeester van de stad) die ten tijde van de ramp in het verre buitenland was. Toen hij na een aantal dagen terugkeerde in Amsterdam, had hij dagenlang een achterstand. Hij voelde zich aanvankelijk een buitenstaander; had de ramp niet meebeleefd.
Hoewel wij als COT al wat evaluaties hadden verricht, was dit natuurlijk van een totaal andere orde. Gelukkig hadden we de tijd om niet alleen stukken te lezen en gesprekken te voeren, maar ook om met elkaar observaties te delen en gaandeweg ons een beeld te vormen. We waren dan ook zeer tevreden met het eindresultaat.
Het rapport werd goed ontvangen en de naam van het COT was gevestigd. Uri Rosenthal had een team om zich heen dat van waarde was. Voor ons verdween de ramp echter meer en meer naar de achtergrond, want nieuwe crises dienden zich aan zoals bijvoorbeeld de hoogwatersituaties van 1993 en begin 1995. Maar de Bijlmerramp en vooral de nasleep ervan verdwenen bij anderen helemaal niet uit beeld. Enkele journalisten doken met een ongekende hardnekkigheid op de gebeurtenissen die zich kort na de ramp zouden hebben voltrokken. Hulpverleners zouden zijn blootgesteld aan gevaarlijke stoffen; dat verklaarde dat verschillende van hen ziek waren geworden. Mannen in witte pakken hadden de nacht(en?) na de ramp allerlei belastende informatie op het rampterrein verdonkeremaand.
De hardnekkige zoektocht naar de waarheid en de toenemende onduidelijkheden over wat er nu echt gebeurd was, leidden uiteindelijk in 1998 tot de Bijlmerramp-enquête. Dagenlang volgden velen de verhoren op televisie. Het werd vooral spannend toen iemand met een laadbrief kwam, die schokkende informatie bevatte. Hoge ambtenaren van het verantwoordelijk ministerie van Verkeer en Waterstaat zouden deze informatie ‘onder de pet’ hebben gehouden. Kwalijk was echter vooral dat de enquêtecommissie al vrij snel wist dat het de laadbrief van een ander toestel betrof en dat vervolgens zelf enkele dagen ‘onder de pet hield’.
Zelf had ik in die periode nog een radio-interview met Clairy Polak, die vooral wilde suggereren dat de gemeente Amsterdam nauwelijks was voorbereid op een ramp. Dat werd gaandeweg de ‘tone of voice’ ten tijde van de parlementaire enquête. Ze noemde het voorbeeld van politiechef Nordholt die in zijn ‘verhoor’ aangaf dat hij op 4 oktober als eerste aankwam bij het beleidscentrum in de Stopera en flink had moeten zoeken naar het licht. Mijn wedervraag of soms in het gemeentelijk rampenplan ook de plaats van de lichtknopjes zou moeten worden opgenomen, werd niet erg gewaardeerd. Relativeringen waren minder welkom.
Hoewel uiteindelijk ook de enquêtecommissie oordeelde dat de rampenbestrijding goed was aangepakt, was de commissie van oordeel dat de gemeente indertijd meer had moeten doen om zekerheid te hebben omtrent de lading en de eventuele aanwezigheid van bepaalde gevaarlijke stoffen aan boord van het vrachtvliegtuig. Achteraf kan dat natuurlijk geconcludeerd worden. Feit is dat het thema van de lading in 1992 geen enkele rol speelde en wij in de gesprekken nooit een woord hierover gehoord hebben (en er ook niet naar hebben gevaagd). De lading was simpelweg een non-issue en achteraf ‒ na uitvoerig onderzoek van de commissie ‒ ook wel weer min of meer begrijpelijk. Er was ook weinig betekenisvols gevonden.
Eén conclusie van de commissie bleef na afloop een heikel punt. De commissie zag een rechtstreeks verband tussen de gezondheidsklachten en de Bijlmerramp. In een motie van wantrouwen werd dat met name minister Borst, in 1999 verantwoordelijk voor Volksgezondheid (maar in 1992 niet!), fors aangerekend. De motie werd maar net overleefd. Feitelijk was het verband vooral indirect. Ook het RIVM had in onderzoek aangegeven slechts een indirecte relatie te zien.
Minister Borst, ten slotte, leerde snel van de motie van wantrouwen. Dat verklaarde ook dat een aantal maanden later bij de vuurwerkramp in Enschede (mei 2000) al na enkele dagen een team van het ministerie van Volksgezondheid zich in Enschede meldde. Er moest op stel en sprong een gezondheidsonderzoek worden gestart en een informatie- en adviescentrum worden ingericht.
Zelfs dertig jaar later biedt de Bijlmerramp nog volop interessante inzichten. Welke lessen zijn er voor mij uit deze ramp te trekken? Ik noem er enkelen:
- De Bijlmerramp toonde in optima forma de gelaagdheid en de ‘gekleurdheid’ van onze samenleving.
- Rampen met de omvang van de Bijlmerramp werpen lange schaduwen vooruit; ze houden lang grote attentiewaarde.
- Evalueren is al snel ook een ‘politieke’ aangelegenheid met veel gevoeligheden; voor een parlementaire enquête geldt dat des te meer.
- Publicaties van journalisten krijgen vaak – zeker afgezet tegen de kwaliteit – onevenredig veel aandacht.
- De (dreigende) ramp na de ramp verdient veel aandacht (maar dan niet zozeer de complotten maar wel het zorgvuldige nazorg-traject) hetgeen vaak lastig blijkt, omdat velen weer willen overgaan op de ‘orde van de dag’.
Menno van Duin, Lector Crisisbeheersing
Lees ook de eerste blog: Het Bijlmerramp-complot
Lees ook
Afgelopen zomer is de Handreiking mobiele en stationaire blussystemen gepubliceerd op de website van het LEC Industriële Veiligheid (LEC IV). De handreiking is een volledig herziene versie, en vervangt het Handboek mobiele en stationaire installaties uit 2009.
Wat betekenen branden in lithium-ion batterijen voor de gezondheid van brandweermensen? Die vraag staat centraal in een nieuw onderzoeksproject.
Hoe bereid je brandweermensen op zes Caribische eilanden voor op hun rol als offficier van dienst (OvD)? Jip Nauta, trainer-adviseur bij het NIPV en docent van de leergang OvD, vertelt over de leergang , de verschillen met Nederland en wat zij leert van de deelnemers.
“De voltijdopleiding Brandweerofficier is een uitdagend traject waarin je repressief wordt opgeleid en ook direct het verschil kan maken voor anderen”, vertelt Kayley, student van de opleiding en in dienst bij Veiligheidsregio Brabant-Noord.
Hoe kunnen overheden, maatschappelijke organisaties en inwoners elkaar versterken bij de inrichting en inzet van noodsteunpunten? In de derde snelle kennismobilisatie binnen het ‘Landelijk project noodsteunpunten’ onderzocht het NIPV welke factoren publiek-civiele samenwerking vóór en tijdens crises bevorderen of belemmeren.
Het NIPV heeft onderzocht wat goed beheersmatig leiderschap bij de brandweer inhoudt en hoe dit vorm krijgt in de praktijk.
“Steeds vaker zien we dat onderwijs, onderzoek en praktijk elkaar weten te vinden. Dat is essentieel. De uitdagingen van het veld zijn immers ook onze uitdagingen”, vertelde Coby Flier, directeur Onderzoek en Onderwijs.
Hoe kunnen hulpdiensten in grensregio’s beter samenwerken bij een ramp of grootschalig incident? Het Europese project Civil Protection – Liaison Network Concept onderzocht hoe landsgrensoverschrijdende liaison officers worden ingezet, opgeleid en georganiseerd.
Eind augustus kwamen bij een metaalbedrijf in Eindhoven gevaarlijke stoffen vrij, vermoedelijk doordat een verkeerd type staal in een bak met salpeterzuur terechtkwam.
Vorige pagina - Pagina1
- Pagina2
- Pagina3
- …
- Pagina83
- Volgende pagina
