9 Energietransitie

 

Door de energietransitie staat onze maatschappij de komende decennia voor grote veranderingen. Deze veranderingen brengen ook tal van veiligheidsrisico’s met zich mee. Als lector energie- en transportveiligheid bij het NIPV heeft Nils Rosmuller een bovengemiddeld zicht op de nieuwe risico’s. Hoe zien die eruit en hoe gaan we ermee om? Vooral met lenigheid van geest voor veiligheidsprofessionals en met meer verantwoordelijkheid voor de burger, zo vindt hij, juist doordat onze energievoorziening decentraler wordt. 

“Dit is zeker niet de eerste energietransitie die we hebben meegemaakt,” zegt Rosmuller. “Vóór 1800 haalden we onze energie uit turf, hout en houtskool. Met de industriële revolutie werden steenkool en olie de grondstoffen voor onze energie. Die eerste stap naar fossiele brandstoffen was fors, maar ook de tweede, toen we 60 jaar geleden in Nederland met het aardgas uit Slochteren aan de slag gingen. Nu maken we een transitie mee naar duurzame en hernieuwbare energie uit wind en zon.”

“De parallel met eerdere transities is er wel degelijk, ook als je kijkt naar de blik op veiligheid en de regelgeving daaromheen. Regelgeving ijlt altijd na bij de innovaties in een samenleving. In de begintijd van de automobiel hadden we amper verkeersregels. Het duurde nog jaren voordat er autogordels kwamen en nog veel langer voordat die verplicht werden gesteld. Dat zie je nu opnieuw. Nieuwe vormen van aandrijving hebben geleid tot voertuigen die ergens opgeladen moeten worden. Hoe gaan we dat veilig faciliteren? Daarvoor hoef je niet alle veiligheid meteen wettelijk te reguleren. Fabrikanten kunnen zelf meer veiligheid bieden door middel van eigen ontwerprichtlijnen en certificering. Toch zie je uiteindelijk dat er op onderdelen altijd sturing vanuit wet- en regelgeving nodig is.”

Alles is afhankelijk van elektriciteit

Ondanks het feit dat hij steeds vaker in het nieuws verschijnt om de nieuwste risico’s voor de samenleving te duiden, weet Rosmuller dat hij geen profeet is die de toekomst van de energietransitie in een glazen bol kan bekijken. Wel ziet hij welke veranderingen zich inmiddels voltrekken en welke consequenties die hebben voor de veiligheid. “Neem de overgang van aardgas naar waterstof. Straks gaan we via zon en wind grootschalig elektriciteit opwekken. Die elektriciteit zetten we in om van water via elektrolyse waterstof te maken. Die waterstof kun je goed gebruiken om zware voertuigen en industriële machines mee aan te drijven. Waterstof is daarnaast handig te verplaatsen via buisleidingen. Dat betekent dat je moet nadenken over de manier waarop die verplaatsing over land veilig kan gebeuren. Een methode die nu in de belangstelling staat, zijn de liquid organic hydrogen carriers. Dat zijn vloeistoffen die ontstaan door waterstof te binden aan een chemische verbinding – een waterstofdrager – om die vervolgens efficiënt en met minder volume bijvoorbeeld via buisleidingen te kunnen vervoeren. Waterstof ontbrandt snel, maar de energie-inhoud is minder dan van aardgas. Een explosie krijg je pas zodra je druk opbouwt. Je hebt een besloten ruimte nodig om het te laten ontploffen. Misschien kun je zeggen dat je met waterstof minder kans op een explosie hebt, maar dat hangt echt van de omgeving af. Hoe besloten is die?” 

Een woonhuis is zo’n besloten ruimte – en daarmee komen we op een ander facet van de energietransitie: we moeten met z’n allen ‘van het Groningse gas af’. Een veiligheidsvoordeel is dat we dan geen koolmonoxidevergiftigingen meer binnenshuis hebben. “De vraag is echter wel of je waterstof de woning in laat, waar je de waterstof gebruikt om water te verwarmen of elektriciteit te maken. Of verbrand je waterstof buiten de woning en voer je het warme water en de elektriciteit naar de woning toe? Vergeet niet: er zijn meer manieren om van het gas af te gaan. Dat zag je zeker de afgelopen tijd al, met de hoge prijzen voor gas: mensen gaan met zonnepanelen energie opwekken en die via elektrische kachels inzetten om hun huis te verwarmen. Je kunt zelfs back to basics: mensen worden weer creatief met kaarsen, waxinelichtjes en houtkachels. Dat is een van de rafelrandjes van deze energietransitie: mensen hebben vanwege de hoge energieprijzen de gaskraan dichtgedraaid en zijn houtje-touwtje aan de slag gegaan. Uit wanhoop, niet uit luxe. En dat heeft weer voor de nodige woningbranden gezorgd…” 

Die wanhoop kan evenzeer de kop opsteken als we kijken naar de huidige congestie op het elektriciteitsnet. Die zet immers druk op de stabiliteit van onze stroomvoorziening. Behalve een technisch probleem en risico kan dat ook een maatschappelijk probleem worden. Bijvoorbeeld als stroom op rantsoen moet of als zich vaker stroomstoringen voordoen. “Die maatschappelijke onrust rondom de energietransitie is er al,” is de realistische blik van Rosmuller. “Je ziet het met windturbines en zonnepanelen. Die leveren heel wat polarisatie op. Groene energie vindt iedereen prachtig, zolang die niet in de eigen ‘achtertuin’ wordt opgewekt. Als het gaat om netcongestie, gaat het momenteel met name om bedrijven die niet aangesloten kunnen worden. Dat levert eerder ongemak dan onrust op. Het wordt anders als delen van het netwerk daadwerkelijk gaan uitvallen of burgers niet meer aangesloten kunnen worden. Ik moet wel zeggen: het Nederlandse elektriciteitsnetwerk is wereldwijd gezien een van de betrouwbaarste. Dus als het een keer uitvalt, valt over het algemeen niet het hele land uit en is dat van relatief korte duur. En onze noodprocedures zijn ook heel redelijk.” 

Interessanter vindt Rosmuller twee vervolgvragen bij grootschalige stroomuitval. “Eerder moet je je afvragen: welke gebouwen of activiteiten krijgen voorrang bij de schaarsteverdeling van beschikbare energie? Dat zijn de zogenaamde verdringingsreeksen. Denk aan ziekenhuizen boven sporthallen. Daar wordt nu al op voorgesorteerd. Daarnaast is het lastig te overzien hoe ver de gevolgen reiken als iets uitvalt. Bijna alles is nu afhankelijk van elektriciteit. Als er vroeger bijvoorbeeld een transformatorhuisje uitviel, had je in een duidelijk afgebakend gebied geen stroom. Als er nu iets uitvalt, bijvoorbeeld in de haven van Rotterdam, dan kan het zijn dat heet industrieel afvalwater niet verder kan worden gepompt door een buizenstelsel dat via Vlaardingen, Delft en Den Haag naar Leiden voert, waardoor mensen in Leiden in de kou komen te zitten. Het zou heel goed zijn om voor al die delen van het energienetwerk te bekijken tot waar die afhankelijkheden reiken en wie er invloed op heeft.” 

Meesters in improviseren

Nederland kende de afgelopen decennia ‘grote’ stroomstoringen, zoals in Haaksbergen, de Bommelerwaard en Flevoland. Die zijn wellicht als vooraankondiging te beschouwen van vergelijkbare storingen in de toekomst. “We kijken met name naar de vraag wat dit voor de omgevingsveiligheid, de incidentbestrijding en eventueel de slachtofferopvang heeft opgeleverd. Nadat er in de Bommelerwaard een Apache-helikopter in de hoogspanningskabels vloog, zijn er handelingsperspectieven voor de brandweer en de rampenbestrijding ontwikkeld. Daardoor is de rol van de veiligheidsregio’s prominenter geworden in het stroomstoringsdossier. Waar ze eerder met name branden blusten, zijn ze nu aardig in touw om de continuïteit van de samenleving te herstellen. Veiligheidsregio’s beseffen daarnaast steeds meer dat ze niet alles van alles kunnen weten. Voor hun informatiepositie en de aansturing van hersteloperaties moeten ze openstaan voor de specifieke kennis van deskundigen buiten de eigen organisatie.” 

Toch kun je nieuwe risico’s pas echt inschatten zodra je ze een keer aan den lijve hebt ondervonden. En ook dan kent elk incident zijn nieuwe en onverwachte aspecten. “Weet je, professionals binnen veiligheidsregio’s zijn meesterlijk in improviseren,” zegt Rosmuller daarop. “Je kunt niet alles van tevoren bedenken. Daarom heb je als hulpverlener een mentale lenigheid nodig om met nieuwe situaties adequaat om te gaan. Die moet je bewust stimuleren. En vervolgens koppelen aan vakbekwaamheid. Om die combinatie gaat ’t. Krampachtig vasthouden aan je ervaring kan verlammend werken als er iets gebeurt wat je nooit hebt meegemaakt.”

Grotere kans op ‘nieuwe’ incidenten

Zeker door alle veranderingen die we nu meemaken met de energietransitie, wordt de kans op unieke ongevallen of incidenten groter, zegt Rosmuller. “Op een brandende elektrische auto hebben de meeste brandweerkorpsen inmiddels wel grip. Maar neem het hele openbaar vervoer, dat wordt straks het grote broertje van de elektrische auto – denk aan bussen die elektrisch of op waterstof gaan rijden. Dat kunnen incidenten worden die vergelijkbaar zijn met elektrische auto’s, maar dan in het groot. Daarvoor hebben we onze handelingsperspectieven nog niet zo strak ontwikkeld en ingeslepen. Een ander risico is de stap naar LNG, liquefied natural gas, waarmee we onze gastekorten willen compenseren. Als er normaal gesproken branden zijn met gassen en vloeistoffen, is water een geschikt blusmiddel. Maar LNG is heel koud. Alles met water verergert daar de situatie. Water bevriest op het moment dat het met LNG in aanraking komt, waardoor bijvoorbeeld drukontlastingskleppen vastvriezen en de druk zich verder kan opbouwen. Zo introduceer je juist een stimulus, waardoor je explosies kunt veroorzaken terwijl je doel was om de gevolgen te beperken.” 

“Of kijk naar grote stalbranden en branden in distributiecentra. Die hebben grote hoeveelheden zonnepanelen op het dak. Dan krijg je soms tot in de wijde omgeving te maken met depositie van scherpe deeltjes. Nu bouwen we ook grote velden met honderden, soms duizenden panelen. Bij een brand heb je meteen een omgevingsprobleem. Dat zie je ook bij brandende elektrische auto’s of LNG-tankwagens. Nadat de brand is geblust, volgt er nog een fase die voor beroering en onrust kan zorgen. Die elektrische auto moet misschien nog 48 uur gekoeld worden wanneer de batterij instabiel is. Een brand met zonnepanelen kun je geblust hebben, maar daarna ben je dagen bezig om alle stukjes op te ruimen. De nazorg wordt belangrijker en groter bij energietransitie-incidenten.” 

Meer onderzoek en training kunnen helpen bij de effectieve bestrijding van zulke incidenten, vindt Rosmuller. “We begrijpen sommige dingen nog altijd niet even goed. Of we hebben een handelingsperspectief, maar weten niet of dat in de praktijk ook zo werkt. De praktijk is weerbarstig, maar toch kun je via onderzoek en oefeningen best ver doordenken. En wat ik al zei, het gaat er straks vaker om of je de lenigheid van geest hebt om je kennis en ervaring verstandig toe te passen op een unieke situatie. Want soms zul je niets hebben om op terug te vallen.”

Risico’s verplaatsen zich naar bedrijven en burgers

Rosmuller ziet in dat geheel ook een veranderende rol voor de samenleving. Een deel van de energieproductie en -opslag verplaatst zich immers naar bedrijven en burgers. Daarmee verplaatsen zich ook de risico’s. Aan de hand van nóg een aspect van de energietransitie belicht hij die toekomst nader: batterijen. “Kijk, lithium-ion is inherent gevaarlijk. Door veroudering, productiefouten, een val, opwarming of kortsluiting kunnen batterijen in een thermal runaway terechtkomen, een thermische zichzelf onderhoudende reactie. Die blijft doorgaan totdat je het voorwerp goed koelt of alle energie uit de batterij is verdwenen. Is de temperatuur eenmaal onder een bepaalde grens, dan dénk je dat je het onder controle hebt. Maar die batterij blijft inwendig langzaam maar zeker opwarmen en sluipend loopt het gevaar opnieuw op.” 

Nu gaan we naar toepassingen waarin die batterijen niet meer alleen in onze laptop en mobiele telefoon zitten, zo memoreert Rosmuller. “Tennet wil 2 gigawatt aan batterijopslag in Groningen realiseren. Daar zul je op diverse manieren vanuit veiligheid mee moeten omgaan. Stap 1 is de technologie verbeteren zodat die minder kwetsbaar wordt en de gevolgen van incidenten kleiner zijn. Stap 2, zeker met grote batterijen op landelijke schaal, is voorzieningen treffen die de brand en de risico’s klein houden. In de container zelf door goed te ventileren of door deuren die automatisch opengaan bij een signaal van verstoring. Daarnaast kun je rekening houden met de positionering. Nu zet je zo’n container nog dicht bij velden met zonnepanelen en windturbines neer en verplaats je de energie via kabels naar de gebruiker. Maar misschien wil je straks dit soort energieopslagsystemen in wijken of nabij grote energie-intensieve bedrijven plaatsen.” 

Ook dan zijn we nog niet klaar, vervolgt Rosmuller. “Want wat doen we als de technische en economische levensduur erop zit? We zien al best wat branden in de afvalverwerking waarvan batterijen de oorzaak zijn geweest. Daarnaast worden gebruikte oplaadbare batterijen nu al verhandeld op Marktplaats. Mensen denken: dan heb ik een voorheen-autobatterijpakket van 55 kWh dat ik mooi thuis kan gebruiken als energieopslag! Batterijen zijn wat dat betreft een serieus veiligheidsvraagstuk voor de samenleving.” 

Dat veiligheidsvraagstuk groeit doordat miljoenen huishoudens straks steeds meer hun eigen energiecentrale worden, via de zonnepanelen op hun dak en thuisenergieopslag. Als de betaalde teruglevering aan het elektriciteitsnet wordt afgeschaald, wordt een thuisbatterij steeds interessanter. Onze energievoorziening verschuift zo van grote geconcentreerde plekken met veiligheidsbeheerssystemen naar miljoenen kleine locaties zonder al te veel veiligheidsdeskundigheid. “Het voordeel van decentrale energieopwekking en -opslag is dat de incidenten mogelijk kleiner worden. Aan de andere kant krijgen we méér incidenten – en dichter bij de burger. Die burger is geen veiligheidsdeskundige en heeft ook geen al te groot veiligheidsbesef.” 

Rosmuller schetst de praktijk die zich dan voor de brandweer ontvouwt. “De ene burger zet die thuisbatterij in de kelder, de ander op zolder. Weer iemand anders heeft hem in de gang staan. Vroeger was het voor de brandweer nog overzichtelijk bij een woningbrand. De meterkast zat dicht bij de voordeur en er zaten twee dingen in: een aardlekschakelaar en de gaskraan. Bij een woningbrand sluit je beide af. Die gaskraan zit er straks niet meer, maar wat komt ervoor in de plaats? Ergens in de woning, maar je weet niet waar, een 5, 10 of misschien wel 20 kWh-batterij of misschien wel groter. En als we voor onze verwarming naar waterstof gaan, komt dat risico er nog bij.” 

Meer vertrouwen op eigen verantwoordelijkheid

Daarom ziet Rosmuller een nieuw samenspel voor zich tussen de burger en de samenwerkende partijen in het veiligheidsdomein. Die partijen zouden hun inspanningen onder meer kunnen richten op het verzamelen en delen van data die de hulpverlener ter plekke kan raadplegen. Daarbij wordt de burger zelf verantwoordelijk voor het aanleveren van de data. “Je kunt denken aan een database waarin je de energievoorziening per woning bijhoudt. Die data kan de brandweer vervolgens raadplegen voordat die de woning betreedt. Het heikele punt is dan: wie voert welke data in? En wat doen we bij veranderingen ten opzichte van het originele ontwerp?” 

“Precies dáár komt voor mij de veerkracht van de burger kijken. Want je kunt je afvragen of een ambtenaar zo’n database helemaal zelf moet willen vullen en onderhouden. Je kunt ook zeggen: ik moet vertrouwen op de burger, ik laat het decentraal invullen. Het is immers in diens eigen belang om te vertellen waar die batterij zich bevindt. Dus zet het systeem open zodat onze burgers ‘met een paar vinkjes’ kunnen zeggen: ik heb zoveel zonnepanelen op het dak, ik heb daar een thuisbatterij, de veiligheidsschakelaar van de panelen zit daar. Je wilt als veiligheidsregio je informatiepositie goed op orde hebben – en dat kan op deze manier misschien wel zonder dat je daar zelf als regio druk mee bent.” 

Tegelijk wil Rosmuller de veerkracht van de burger niet gebruiken als excuus om te zeggen dat die het zelf maar moet opknappen. “Dat is te gemakkelijk gezegd, want veerkracht is een heel positief frame. Dus stap naar voren als veiligheidsprofessional. Veiligheidsprofessionals hebben kennis van zaken, zij zijn per slot van rekening de deskundigen op het gebied van openbare veiligheid. Als je het als veiligheidsdomein niet alleen kunt, moet je actief die kracht in de maatschappij mobiliseren. Ik vind het goed om de burger eigen verantwoordelijkheid te geven, maar dat ontslaat veiligheidsregio’s en kennisinstellingen niet van de verantwoordelijkheid om de burger goed te informeren en ervoor te zorgen dat we onze eigen beroepspraktijk voor elkaar hebben. Dat is mijn tegengeluid als het gaat om veerkracht. Want die verantwoordelijkheid deels overdragen aan de samenleving geeft ons juist een extra taak: informatie verstrekken, de helpende hand bieden, handelingsperspectieven aanreiken. Dus niet – onder het mom van veerkracht – over de schutting gooien, maar mensen in hun kracht zetten.” 

De Veerkracht van Nederland

Dit jaar vertelt het NIPV het verhaal van de Veerkracht van Nederland. Dat doen we aan de hand van de verhalen van 55 mensen die een belangrijke rol spelen of hebben gespeeld in crisisbeheersing en brandweerzorg.