Grensoverschrijdende samenwerking

In opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft NIPV onderzocht hoe de samenwerking met onze buurlanden (België, Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen) op het gebied van rampen en crises meer structureel kan worden ingebed.



Waarom dit onderzoek?

In 2020 heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen waarin de regering werd verzocht om nut en noodzaak van grensoverschrijdende elementen op de hogere GRIP-niveaus vast te stellen en, indien mogelijk, met specifieke voorstellen te komen. In de motie wordt specifiek gerefereerd aan GRIP, maar de vraag die uit de motie spreekt, kan breder worden beschouwd.

De motie gaf dan ook aanleiding om onderzoek te doen naar de wijze waarop de grensoverschrijdende samenwerking met België en de Duitse deelstaten Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen momenteel plaatsvindt en zo mogelijk meer structureel zou kunnen worden ingebed.

Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft het lectoraat Crisisbeheersing van het Instituut Fysieke Veiligheid gevraagd om de mogelijkheden tot het versterken van de grensoverschrijdende samenwerking bij rampen en crises te onderzoeken. Concreet gaat het om de volgende deelvragen:

  1. Hoe is momenteel in veiligheidsregio’s de grensoverschrijdende samenwerking met de buurlanden geregeld?
  2. Via welke instrumenten (waarbij kan worden gedacht aan GRIP, maar ook aan wetgeving, de inzet van liaisons en het gebruik van subsidies) kan de grensoverschrijdende samenwerking worden bestendigd?

Dit rapport vangt aan met een beschrijving van de manier waarop in onze buurlanden de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de crisisbeheersing is georganiseerd. Aansluitend volgt een beschouwing van de wijze waarop de grensoverschrijdende samenwerking met de buurlanden is geregeld.

De basis voor grensoverschrijdende samenwerking is gelegen in het adagium ‘kennen en gekend worden’. Wanneer in de voorbereiding goede relaties worden onderhouden, kan daar in een acute situatie een beroep op worden gedaan. Hoewel de bereidheid tot samenwerking met de buurlanden groot is, blijkt het soms lastig om in het buurland de weg te vinden naar diegene met wie afstemming zou moeten plaatsvinden. Om tot afspraken op operationeel niveau te komen, is in de regel eerst bestuurlijke instemming nodig.

Wat meespeelt, is dat de wijze waarop in Nederland de regionale crisisbeheersing is georganiseerd, afwijkt van de structuur in onze buurlanden. Ook de complexiteit van een multidisciplinaire samenwerking en wisselingen van personen spelen een rol.

Op bestuurlijk niveau kunnen de commissaris van de Koning en de Euregio’s een katalysator zijn voor samenwerkingsverbanden, maar een passend bestuurlijk platform waarin het Rijk een actieve rol heeft, wordt door de grensregio’s gemist.


De aanbevelingen die worden gedaan zijn divers en betreffen onder andere een verankering van grensoverschrijdende samenwerking in de wet, zorgen voor voldoende financiering, het borgen van de functie van grensliaison en het streven naar een hechtere samenwerking tussen het Rijk en de grensregio’s.

Kennisborging en -verbreding verdienen eveneens de aandacht. Aanpassing van de GRIP-structuur is niet nodig.