Community of Practice Brand

De Community of Practice (CoP) Brand verbindt inhoudelijk specialisten afkomstig uit de veiligheidsregio’s en het NIPV. De CoP wil kennis over het vak brandbestrijding delen, bediscussiëren en (door)ontwikkelen.

De Community of Practice Brand (CoP Brand) komt voort uit de studiegroep Brand die in 2015 is gestart. Samen met die studiegroep zijn experimenten bedacht, uitgevoerd en geduid en zijn de Basisprincipes van brandbestrijding ontwikkeld. De laatste jaren zijn er in de regio’s eigen vakgroepen of netwerken brand ontstaan. Met de CoP Brand is een doorstart gemaakt van de vroegere studiegroep Brand.

Wat doet de CoP Brand?

De CoP is een samenwerkingsverband van de lectoraten Brandweerkunde en Brandveiligheidskunde, het Centrum voor Opleiding en Vorming Brandweer (COVB) van het NIPV en de veiligheidsregio’s. De deelnemers zijn experts uit het brandweerveld, lectoren, docenten en onderzoekers van het NIPV, die met het vak brandbestrijding bezig zijn en het leren van incidenten. De CoP is geen vertegenwoordigend netwerk, zoals de andere netwerken die zich vooral met beleid(safstemming) bezighouden. De leiding van de veiligheidsregio’s ondersteunt de doelstellingen van de CoP. Op deze manier kan in gezamenlijkheid nieuwe vakkennis worden ontwikkeld en naar de regio’s worden gebracht.

Doelstellingen van de CoP zijn:

  • Samen kennis over het vak brandbestrijding delen, bediscussiëren en (door)ontwikkelen, door middel van bijeenkomsten en een online omgeving.
  • Bijdragen aan experimenten door meedenken in de voorbereiding, meedoen in de uitvoering en het duiden van de resultaten.
  • Met elkaar delen van interessante onderzoeken, tools, presentaties, best practices uit de regio’s (netwerkfunctie).

Korte verslagen 2026

5 oktober 2026: Hoge gebouwen, rookgasexplosies, communicatiebereik, geautomatiseerde opslagsystemen, noodprocedure

Als vervolg op eerdere COP-bijeenkomsten over hoge gebouwen is een voorstel voor een standaardafwijking op de basisprincipes van brandbestrijding besproken.

Standaardafwijking hoge gebouwen

Op 22 september vond de kennissessie hoge gebouwen plaats. Tijdens deze sessie zijn de uitkomsten van het NIPV-onderzoek en de opvolging door Brandweer Nederland besproken. De veiligheidsrisico’s zitten met name bij gebouwen tussen de 20 en 70 meter. Bij gebouwen boven de 70 meter nemen de risico’s af, onder meer door aanvullende veiligheidseisen, zoals de verplichte aanwezigheid van een sprinklerinstallatie. De belangrijkste oplossing zit in preventieve maatregelen en passende regelgeving. Brandweer Nederland pakt dit verder op. Binnen de COP ontwikkelen we een werkwijze voor de repressieve inzet in hoge gebouwen.  

Tijdens de vorige COP-bijeenkomst zijn de ervaringen gedeeld uit vier veiligheidsregio’s. Op basis hiervan is een notitie over een standaardafwijking op de basisprincipes van brandbestrijding uitgewerkt. De mate van de rookverspreiding is toegevoegd aan de basisprincipes. Zaken die de uitvoering betreffen hoeven niet in de basisprincipes opgenomen te worden. De uitwerking wordt door de COP-leden als herkenbaar en bruikbaar gezien. Het is van belang dat de werkwijze zo eenvoudig mogelijk is en toepasbaar is in elke regio.  

De belangrijkste afwijking ligt in de aandacht voor rookverspreiding, die vaak eerst horizontaal en daarna verticaal verloopt. Dit vraagstuk speelt niet alleen bij hoge gebouwen, maar ook bij grote gebouwen met veel compartimenten, zoals zorginstellingen. De VRICOL-methodiek (Verkennen, Redden, Informeren, Communiceren, Ontruimen en Logistiek) is ook hier toepasbaar.  

Het beheersen van rookverspreiding en het rookvrij houden van vluchtwegen en trappenhuizen blijft lastig en vraagt meer kennis en onderzoek. Daarbij moet bij iedere handeling bewust aandacht zijn voor het effect op rookverspreiding. In dit verband wordt gewezen op een onderzoek naar overdrukventilatie in trappenhuizen (zie onderzoeksrapport). 

De complexiteit van incidenten in hoge gebouwen zit vooral in het gelijktijdig uitvoeren van meerdere taken. Dat vraagt om tactisch en strategisch inzicht. Daarnaast kent de inzet in hoge gebouwen een aantal specifieke aspecten, zoals het gebruik van brandweerliften, droge blusleidingen en het werken vanuit een bruggenhoofd. Voldoende kennis over de aanwezige gebouwvoorzieningen is hierbij van belang.

Binnen de COP  is draagvlak om een vierde vraag aan de basisprincipes toe te voegen: ‘Wat is de status van de rookverspreiding?’ De verdere uitwerking van de aanpak kan plaatsvinden via regionale werkinstructies en handelingsperspectieven. Veiligheidsregio Twente heeft al een praatplaat en werkinstructie ontwikkeld. Tot slot blijven een goede verkenning van het incident en inzicht in de omstandigheden ter plaatse essentieel voor een veilige en effectieve inzet. 

Naar aanleiding van de bespreking wordt de notitie over de standaardafwijking hoge gebouwen nog wat verder aangescherpt. De uiteindelijke notitie wordt via het netwerk operationele voorbereiding ter goedkeuring voorgelegd aan de Programmaraad incidentbestrijding. Daarna gaat deze via de werkveldadviescommissie naar het onderwijs voor het aanpassen van de les- en leerstof. 

Geen communicatie in gebouwen, hoe gaan we hiermee om? 

Bij complexe en hoge gebouwen kunnen communicatieproblemen optreden, met name bij het gebruik van objectportofoons. Wat zijn de ervaringen hiermee? Veiligheidsregio Utrecht onderzoekt de inzet van een ordinant: een medewerker die berichten fysiek tussen verschillende locaties overbrengt (klassieke manier van dichtlopen). Ook in Haaglanden loopt een project. De COP-leden van Utrecht en Haaglanden wisselen buiten de bijeenkomst hun ervaringen uit. Andere suggesties zijn het aanpassen van de portofoon-software en het ophalen van ervaringen bij Defensie. Bij de aankomende vernieuwing van C2000 is specifiek aandacht voor de bereikbaarheid op grote hoogtes.  

Incidentbestrijding bij geautomatiseerde opslagsystemen  

TL-ASRS-systemen (Top-Loaded Automated Storage and Retreval Systems) worden steeds vaker toegepast vanwege de hoge opslagdichtheid en ruimtebesparing. Deze systemen bestaan uit dicht gestapelde opslagkratten zonder gangpaden, waardoor een brandhaard moeilijk bereikbaar is. Hoewel deze systemen doorgaans zijn voorzien van een sprinklerinstallatie, roept de praktische uitvoerbaarheid van repressief optreden door de brandweer vragen op. Bij veel geautomatiseerde opslagsystemen is namelijk onvoldoende zicht op de locatie van de brand, of deze bereikbaar is en of er voldoende koelend vermogen beschikbaar is.  

Voor de brandbestrijding in een gebouw met sprinklerinstallaties is een handelingsperspectief opgesteld en beschikbaar op nipv.nl. Vanuit de sprinklersector bestaat de wens om met de brandweer in gesprek te gaan. Voor de brandweer is een belangrijke vraag hoe zij veilig kan optreden.  

Veiligheidsregio Twente heeft een aandachtskaart uitgewerkt voor dit type opslagsystemen. In vergunningen kan worden opgenomen dat een particuliere brandbestrijdingsorganisatie ingezet moet worden. Het is belangrijk dat risico’s vooraf door risicobeheersing worden onderkend en besproken met de organisatie en de verzekeraar. Daarbij is het van belang reëel te zijn over de beperkte repressieve mogelijkheden van de brandweer.  

In veel situaties ligt een defensieve buiteninzet het meest voor de hand. Het uitgangspunt blijft veilig en effectief optreden. Of dat kan is afhankelijk van de omstandigheden. Voor een verdere brandweerinzet zijn aanvullende voorzieningen vereist. Zo geldt ook bij de sprinklerprocedure dat de sprinkler de brand onder controle, houdt waarna de brandweer verdere acties kan uitvoeren.  

Er komen steeds meer van deze systemen. Het is van belang om de risico’s via de lijn van risicobeheersing structureel te agenderen en duidelijk de grenzen van de brandweerinzet aan te geven. In dit kader is het belangrijk de verbinding tussen risicobeheersing en repressie te versterken. Verder is het goed de aanwezigheid van deze systemen binnen de eigen Veiligheidsregio in beeld te hebben.  

Binnen het NIPV loopt op dit moment een onderzoek naar bouwregelgeving in relatie tot brandbestrijding. Dit onderwerp wordt geagendeerd voor de volgende COP-bijeenkomst in december.  

Rookgasexplosies

Onderzoek NIPV

Het NIPV doet onderzoek naar rookgasexplosies. Daarbij wordt gekeken welke lessen, trends en handelingsperspectieven uit casuïstiek met rookgasexplosies kunnen worden afgeleid: 

Er is geen internationaal eenduidige definitie van een rookgasexplosie. Het betreft een vorm van snelle brandontwikkeling waarbij brandgassen zich mengen met zuurstof en tot ontbranding komen, soms in een ander compartiment dan waar de brand zich bevindt. 

Rookgasexplosies komen vooral voor in industriële gebouwen met meerdere compartimenten. Waarschuwingssignalen zijn beperkt, maar een ventilatie gecontroleerde brand, olieachtige aanslag en rook in aangrenzende compartimenten kunnen indicatoren zijn. 

Als handelingsperspectief wordt benadrukt een grondige verkenning uit te voeren, het gebouw zoveel mogelijk gesloten te houden, de brand zo mogelijk van buitenaf te bestrijden, aangrenzende compartimenten niet te betreden en altijd rekening te houden met de mogelijkheid van een rookgasexplosie. 

Handelingsperspectieven Twente

Rookgasexplosies komen relatief weinig voor en zijn lastig te herkennen. Veiligheidsregio Twente heeft een handelingsperspectief ontwikkeld met scenario’s voor een laag, verhoogd en hoog risico. 

Het handelingsperspectief voor situaties met een hoog risico richt zich vooral op de eerste inzetfase. Dit betekent niet automatisch dat een gebouw moet worden opgegeven of gecontroleerd moet afbranden; na een analyse van de situatie kunnen aanvullende interventiemogelijkheden worden overwogen. Daarbij is het van belang dat brandweermensen het fenomeen tijdig herkennen en bewust afwegingen maken op basis van het totale risicobeeld. 

Een duidelijk afwegingskader kan de besluitvorming ondersteunen. Daarin hebben zowel de bevelvoerder als de officier van dienst een belangrijke rol. Het is essentieel dat zij zich bewust zijn van de risico’s en signalen van risicotoename tijdig herkennen en monitoren, zowel in de brandontwikkeling als in een mogelijke conditieverslechtering van materialen of stoffen. De operationele afwegingen blijven daarbij altijd maatwerk en zijn afhankelijk van de specifieke situatie. 

Het handelingsperspectief van Twente sluit goed aan bij de bevindingen uit het onderzoek van het NIPV. Aan de hand van meer casuïstiek zou deze verder verfijnd kunnen worden.  

Landelijke noodprocedure brand

De noodprocedure is in eerdere fases al besproken. Tijdens de verdere uitwerking kwamen nog enkele aandachtspunten naar voren: 

  • De meldkamer bleek onvoldoende betrokken, met name over de status-9 (spraakaanvraag urgent). Dit is vanuit het onderwijs teruggelegd bij de vakraad incidentbestrijding. Deze onderkent dat dit beter had gekund, maar heeft besloten de procedure in de huidige vorm vast te stellen. 
  • Vanaf 9 oktober wordt via Canvas een e-module beschikbaar gesteld over de noodprocedure. Hiermee wordt de procedure landelijk toegankelijk. De module bevat een animatievideo en vijf praktijkcasussen om mee te oefenen. 
  • Er is aandacht gevraagd voor de toepasbaarheid van de noodprocedure bij andere incidenttypen, zoals natuurbranden en IBGS-incidenten. Hoewel dit oorspronkelijk een wens was, is nog onzeker of dit haalbaar is. De procedure is niet één-op-één over te nemen voor andere incidenttypen. Sommige onderdelen lijken generiek toepasbaar, terwijl andere onderdelen specifiek zijn voor gebouwbrandbestrijding. De verschillende vakgroepen onderzoeken momenteel of en hoe de noodprocedure binnen hun vakgebied toepasbaar is. 

29 juni 2026: Hoge woongebouwen, standaard afwijking en arbeidshygiëne

Tijdens deze CoP stond brandbestrijding in hoge woongebouwen centraal. Veiligheidsregio’s Rotterdam-Rijnmond en Haaglanden deelden hun aanpak, als vervolg op eerdere presentaties van Twente en Amsterdam-Amstelland. Op basis van deze ervaringen is verkend of een standaardaanpak voor hoge gebouwen mogelijk is.

Rotterdam-Rijnmond

Rotterdam-Rijnmond heeft voor gebouwen hoger dan 70 meter een vaste inzetprocedure ontwikkeld. Doordat branden in hoge gebouwen weinig voorkomen ontbreekt vaak routine. Ook is er in hoge gebouwen beperkte tijd om veilig en effectief op te treden. De regio werkt met vier herkenbare scenario’s: 1. Een brand die wordt gecontroleerd door sprinklers, 2. Het falen van voorzieningen waarbij brand zich binnen het compartiment uitbreidt, 3. Een uitbreiding buiten het compartiment en 4. Een gevelbrand. Het optreden is gestructureerd volgens het VRICOL-principe (verkenning, redding, interventie, compartimentering, ontruiming en logistiek). Voor iedere functionaris zijn taken en benodigde middelen vastgelegd in taakkaarten, zodat al tijdens het aanrijden duidelijk is wie welke rol vervult.  Informatie gestuurd optreden, snelle verkenning en tijdige opschaling zijn belangrijke uitgangspunten. Ook communicatie vraagt aandacht, omdat reguliere netwerken in hoogbouw niet altijd betrouwbaar zijn.

Bekijk ook deze instructiefilm waarin de brandweer Rotterdam-Rijnmond laat zien hoe een inzet in zijn werk gaat.

Haaglanden

Haaglanden richt zich op gebouwen tot 70 meter en legt de nadruk op risicogericht optreden en een goede informatiepositie. Op basis van gebouwkenmerken en aanwezige voorzieningen worden risico’s per gebouw in kaart gebracht, zodat de inzet hierop afgestemd kan worden. De inzetprocedure van Haaglanden kent veel overeenkomsten met die van Rotterdam-Rijnmond. De scenario’s zijn aangepast voor gebouwen tot 70 meter zonder sprinklers. Het werken met scenario’s draagt bij aan herkenning van en bewustwording. Omdat het principe van ‘even kijken’ bij hoge gebouwen tekortschiet, wordt eerder risicogericht opgeschaald.  Daarnaast wordt gekeken naar het opdelen van het gebouw in verschillende operationele sectoren. Anders dan in Rotterdam-Rijnmond bepaalt de leidinggevende zelf de taakverdeling. Regionale verschillen in procedures, vooral in grensgebieden, vragen om verdere afstemming.

Standaardafwijking hoge gebouwen

Tijdens het gesprek over een mogelijke standaardafwijking voor hoge gebouwen werd vastgesteld dat de kerntaken gelijk blijven: verkennen, stabiliseren, ontruimen en brand bestrijden. Wel is rookverspreiding geïdentificeerd als het grootste en meest bepalende risico in hoge gebouwen. De inzet moet zich daarom primair richten op het beheersen hiervan, met als tweede prioriteit het vrijhouden van vluchtwegen. Een belangrijk uitgangspunt is dat wat rookvrij is, rookvrij moet blijven. Het actief rookvrij maken van ruimtes is complex en middelenintensief.

Een snelle eerste verkenning is essentieel. De eerste tankautospuit brengt de situatie in kaart, met speciale aandacht voor rookverspreiding en de mogelijkheden om deze te beperken.  Bij ongunstige indicatoren moet snel worden opgeschaald, eventueel automatisch vanuit de meldkamer bij een bevestigde brandmelding. Tegelijk speelt de afweging of standaard van een zwaarder scenario moet worden uitgegaan, of dat eerst wordt verkend en daarna opgeschaald. Verschillen tussen stedelijke en niet‑stedelijke gebieden, zoals aanrijtijden en beschikbare capaciteit, beïnvloeden deze keuzes en vragen om maatwerk. Ter ondersteuning van de inzet wordt gedacht aan een praktische checklist die inzicht geeft in de te verwachten werkzaamheden bij hoge gebouwen.

Arbeidshygiëne

Tot slot kwam arbeidshygiëne op oefencentra aan bod. Regio’s zoeken naar een balans tussen realistisch oefenen en schoon en veilig werken. Maatregelen zoals tussentijds douchen, schone onderkleding en het gebruik van meerdere pakken per dag kunnen blootstelling verminderen. Het is van belang om per oefening kritisch af te wegen wat noodzakelijk is en wat eventueel ook zonder blootstelling (‘koud’) kan worden geoefend. Tegelijk geldt dat niet alle risico’s zijn weg te nemen en dat voldoende praktijkoefening noodzakelijk blijft voor vakbekwaam optreden. Het NIPV onderzoekt hoe realistisch oefenen en veilig werken beter gecombineerd kunnen worden Lees ook het verkennend onderzoek naar warm oefenen uit 2025.

9 februari 2026: Standaard afwijking, hittestress, smoke stopper

Tijdens deze CoP stond de complexiteit van gebouwtypes en de toepassing van basisprincipes centraal. In de praktijk blijkt dat sommige situaties vragen om meer nuance dan de huidige standaard voorschrijft.

Er werd een update gegeven over onderzoek naar hoge gebouwen. Verschillende regio’s zijn al bezig met het aanpassen van hun inzetprotocollen, maar er is een duidelijke wens om te komen tot meer gezamenlijke uitgangspunten. Landelijke uniformiteit is niet het doel, maar afstemming in de basis wel.

Daarna presenteerden ze vanuit de Veiligheidsregio Twente hun eerste stappen richting een standaardafwijking voor woongebouwen. Zij stelden voor om aan de bestaande basisvragen de nieuwe vraag toe te voegen: “Wat is de mate van rookverspreiding?” Door deze vraag centraal te stellen, krijgt het beschermen van de vluchtweg een duidelijkere plek in de besluitvorming. Om deze verandering te borgen is het volgens hen belangrijk dat manschappen, bevelvoerders en OvD’s niet alleen nieuwe kennis opdoen, maar ook een andere mindset ontwikkelen.

Aan de hand van een aantal scenario’s werd onder andere gekeken naar situaties waarin rook zich in een ruimte bevindt. Daarbij stond steeds de vraag centraal wat je precies wilt bereiken. Er ontstond een levendige discussie over het moment en nut van ventileren en tegelijkertijd verkeerd ventileren de situatie juist verslechteren. Het benadrukt hoe belangrijk het is om exact te weten wat je doet en welke informatie beschikbaar is. Dat betekent ook dat de meldkamer tijdig op de hoogte moet zijn van mogelijke opschaling.

Bij het scenario rond rook in een compartiment werd ingezoomd op de informatiepositie van de eerste eenheden. Wat weet je eigenlijk al voordat je ter plaatse komt? Wanneer er slachtoffers op een verdieping zijn, is het al snel noodzakelijk om meerdere tankautospuiten op te roepen. De eerste TS kan immers pas echt starten wanneer de verkenning is voltooid. Vanuit dat perspectief werd gesproken over mogelijke handelingsperspectieven. De rol van de centralist is daarbij van grote waarde, omdat deze tijdig moet kunnen inschatten wanneer opschaling noodzakelijk is en daarnaar kan handelen.

Vervolgens werd er een er een vraagstelling neergelegd, een parkeergarage van ca. 17.000m2 met inzetdieptes van 65 meter. Daarin speelde vooral de vraag hoever je gaat met een binneninzet wanneer een sprinklerinstallatie de brand beheerst. Tot welke afstand is een binneninzet verantwoord? Wanneer de sprinklers de brand níet beheersen, is een binneninzet niet aan de orde. Het preventie concept er eigenlijk al op is gericht om bij dit soort situaties geen offensieve inzet te plegen. Ook hier is kennis van het pand en werkgebied essentieel.

Aansluitend werd stilgestaan bij het onderwerp hittestress, ingebracht door Marie Christine Plat namens Karlijn Herijgers. Daaruit kwam naar voren dat hitte een belangrijk aandachtspunt bij inzetten gezien de mentale effecten en fysieke belasting van het lichaam. Tot slot werden de resultaten gepresenteerd over het gebruik van de smoke stopper, als onderdeel van de rookgaskoeling experimenten. De experimenten bevestigde grotendeels het bestaande beeld in het werkveld. Er ontstond een inhoudelijke discussie over de operationele implicaties en het gebruik ervan. De algemene indruk was dat het toepassen van een rookstopper in veel situaties wenselijk lijkt.


Korte verslagen 2025

2 december 2025: defensieve binneninzet, vuistregels voor brandoverslag, manschap 3.0 en de noodprocedure

De zesde CoP begint met een korte samenvatting van de interactieve sessie van 24 september met betrekking tot de Defensieve Binneninzet (DBI) en een discussie gevoerd over risico’s versus nut. DBI blijkt complex en vraagt extra personeel, kennis, middelen en coördinatie. Het doel is het tegenhouden van branduitbreiding, maar er is discussie over definities: is elke actie in een gebouw per definitie offensief? Er wordt gepleit voor een strategisch model met tactische keuzes, inclusief ventilatie, en gebruik te maken van internationale inzichten. Een voorstel wordt gedaan voor een driedeling van het kwadrantmodel: offensief binnen, offensief buiten, defensief binnen/buiten. In het geheel moet arbeidsveiligheid en fysieke impact op brandweermensen worden meegenomen. Nieuwe risico’s bij branden voor de brandweermens zoals thuisbatterijen en elektrische installaties komen aan bod. Er wordt opgeroepen tot meer onderzoek naar hittestress.

Hierna wordt er gesproken over of en waar de vuistregels in de praktijk verschil maken. Ervaringen zijn beperkt; toepassing in onderwijs is vooral bij OvD, niet bij bevelvoerders. Er wordt gesproken over mogelijke vereenvoudiging van de vuistregel zodat deze makkelijker te kennen en in te zetten is door bevelvoerders. Anderzijds wordt de vraag gesteld de verantwoordelijkheid niet bij OvD moet worden gelaten. Wat ook meespeelt is dat de vuistregels bij defensief buiten nauwelijks worden geoefend, mede door oude gewoontes.

Het onderwerp branden in parkeergarages komt kort aan de orde. Er wordt benadrukt dat de inzet van minimaal één lage druk (liefst twee) nodig is. Als er meer dan één auto brandt of de brandende auto onbereikbaar is wijkt men af van standaard en laat men uitbranden. Afmetingen en het vermogen bij brand van auto’s vergroten kans op brandoverslag; ook aandacht voor materialen boven voertuigen zoals piepschuim en elektraleidingen.

Er wordt een update gegeven over Manschap 3.0, de herziening van het onderwijs. De werkwijze dit is gehanteerd wordt toegelicht waarbij ze zijn begonnen met de leerdoelen op een rij te zetten en de vraag te stellen welke kennis en kunde is hiervoor nodig? De focus gaat liggen op basisvaardigheden en ‘need to know’. Momenteel zit er veel ‘nice to know’ in de verplichte en getoetste stof. Dit geeft ruimte voor meer praktijk, minder verslagen en meer leerwerkplekopdrachten. De nieuwe opzet en indeling wordt doorgenomen en de reacties van de aanwezige zijn positief. Wel wordt de voetnoot meegegeven om kritische vragen te blijven stellen: wat is het gewenste resultaat, wat moet een beginnend beroepsbeoefenaar kennen en kunnen? Wat leren we ze niet (meer) en zijn we ons bewust wat zijn de (eventuele) gevolgen daarvan zijn? Wanneer is het basis versus specialisme, en vragen we niet te veel van specialisten?

Het voorstel voor een Noodprocedure Brand (RSTV) wordt gepresenteerd: van noodknop naar “Mayday”-protocol. Afstemming aan de voorkant is belangrijk; oproep om bestaande werkwijzen te delen. Dit concept is vastgesteld door de Vakraad Incident bestrijding.

Na een informele terugkoppeling van het werkbezoek aan Wales sluiten we de CoP af met een rondvraag.

24 september 2025: defensieve binneninzet en introductie vuistregels voor brandoverslag

De vijfde CoP-bijeenkomst startte met een introductie van het denkkader van de defensieve binneninzet door Ruud van Liempd (NIPV). Daarna vertelde Joost Ebus over zijn ervaringen met een binneninzet als bevelvoerder, zijn overwegingen en leermomenten. Lars de Niet presenteerde verschillende casussen uit Haaglanden met aandacht voor succeservaringen, leermomenten en aandachtspunten. Zijn boodschap was: “Als offensief binnen niet meer verantwoord is, moet je anders gaan kijken, anders denken, anders doen. En ook ‘nee’ durven zeggen als de inzet te risicovol is.”

Volgens het kwadrantenmodel zijn er twee doelstellingen van de defensieve binneninzet, die gelden voor twee verschillende gebouwtypen: 1. Een veilige evacuatie ondersteunen (dit geldt vooral in woongebouwen en zorggebouwen en 2. Het voorkomen van branduitbreiding in een groot gecompartimenteerd gebouw. Deze bijeenkomst was vooral gericht op de tweede doelstelling.

Tijdens een interactieve sessie werden in groepen vier posters ingevuld met de thema’s: stoplijn, fognail, andere methoden en wat we moeten weten. Uit de posters kwamen de volgende bevindingen:

  • Het doel van een defensieve binneninzet is de brand te stoppen. Een defensieve binneninzet is niet altijd defensief en binnen. De inzet komt in aanmerking als er geen mogelijkheden zijn om 3x ja te antwoorden op de drie basisvragen. Een defensieve binneninzet is geen standaard inzet. De inzet vraagt coördinatie, menskracht, geoefendheid en andere technieken. Er is nog weinig ervaring mee en dat betekent dat we ervaringen moeten blijven delen om samen te leren.
  • Waar en hoe een defensieve binneninzet toe te passen, hangt af van het subdoel: brand blussen, brandoverslag en -doorslag voorkomen of rookverspreiding voorkomen. Hoe en waar een stoplijn gemaakt wordt, hangt af van het gebouw. Een stoplijn loopt van boven naar beneden en kan gemaakt worden door het inzetten van fognails, uhd, waterkanon, fire defender, drone en/of robot.  
  • Bij een defensieve binneninzet zijn overzicht van de situatie en een gedeeld beeld essentieel. Daarvoor is kennis nodig van basisprincipes, kenmerkenschema, brandverloop, rookgasontbranding, gebouw en constructie, doel van de inzet, risico’s, weten wat wel/niet kan, en de verschillende technieken om een stoplijn te maken en middelen te hanteren.
  • Een defensieve binneninzet kost veel tijd, middelen en mensen (ook om alles en iedereen op de juiste plaats te krijgen).

Op 2 december wordt naar aanleiding van bovenstaande uitkomsten een discussie gevoerd over nut versus risico’s van de defensieve binneninzet.

Aan het eind van de bijeenkomst werd door lector Brandveiligheidskunde Lieuwe de Witte een introductie geven van de vuistregels voor brandoverslag. Ook deze krijgt in de bijeenkomst op 2 december 2025 een vervolg: waar maken ze in praktijksituaties het verschil en waar wringen ze? En wat betekenen de praktijkervaringen voor onderwijs en doctrine? Daarnaast staan in december de Noodprocedure brand en de ontwikkeling van Manschap 3.0 op de agenda.

2 september 2025: resultaten experimenten rookgaskoeling

Op de vierde bijeenkomst van de CoP Brand werden de resultaten van de experimenten rookgaskoeling, die eind april/begin mei plaatsvonden gepresenteerd en werd de duiding hiervan besproken. Het rapport met de bevindingen wordt naar verwachting in november 2025 gepubliceerd op de pagina Rookgaskoeling. Er zal dan ook een nieuwsbericht over verschijnen.

24 juni 2025: basisbrandweerzorg, specialisme gebouwbrandbestrijding en brandbestrijding bij hoge gebouwen

In de derde bijeenkomst van de CoP Brand heeft Ruud Beeren het ontwikkelproces om te komen tot behapbare basisbrandweerzorg in Veiligheidsregio Limburg-Noord toegelicht. De regio heeft als behapbare basisbrandweerzorg gedefinieerd: 1. offensief optreden bij woningbranden en alles wat qua aard en omvang vergelijkbaar is en 2. defensief buiten optreden bij objecten die niet vergelijkbaar zijn. De basiszorg bij hulpverlening betreft noodstabilisatie en noodbevrijding. De specialistische brandbestrijdingseenheid (SBE) is gericht op vier maatscenario’s: bouwwerken met lange en grote inzetdieptes, constructiebranden, niet uitslaande branden in grote brandcompartimenten en grote gesprinklerde brandcompartimenten. Bij THV is beknelling is een specialisme.

De behoefte van de CoP-deelnemers is om de beschikbare meest voorkomende scenario’s die afwijken van de basis (standaardafwijkingen in de sturingsdriehoek) met elkaar te delen en als CoP verder te ontwikkelen. Dit is ook van belang voor het leveren van specialistische bijstand aan elkaar. Dit is opgenomen in de termijnagenda.

Alexander Kamermans heeft daarna een presentatie gegeven die bevelvoerders in Veiligheidsregio Haaglanden gekregen hebben naar aanleiding van verschillende branden in hoge gebouwen. Haaglanden heeft op basis van het Handboek Brandbestrijding Hoogbouw hoger dan 70 meter van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond een eigen handboek opgesteld voor gebouwen van 20-70 meter. In de praktijk blijkt brand vaak niet het probleem, maar overzicht, beeldvorming, rookverspreiding en (steeds verschillende) voorzieningen. Als inzetprocedure wordt VRICOL (Verkenning, Redding, Interventie, Compartimentering, Ontruiming, Logistiek) gebruikt. Interessante ontwikkeling is dat de afdeling risicobeheersing van Haaglanden bezig is met het ontwikkelen van een ‘risicodiamant’ om daarmee duiding te geven aan de risico’s per gebouw zodat deze voor de incidentbestrijders duidelijk zijn.
Vanuit de CoP kwam het voorstel om op basis van de handboeken van de veiligheidsregio’s Rotterdam-Rijnmond, Haaglanden en Amsterdam-Amstelland een landelijk Handboek brandbestrijding hoge gebouwen op te stellen, dat iedere regio kan aanpassen aan de eigen situatie. Ook dit voorstel is geagendeerd.

14 april 2025: Brandweercultuur en het leren van incidenten, simulaties en pretest experimenten rookgaskoeling

In de tweede bijeenkomst van de CoP Brand heeft Karin Dangermond het onderzoek ‘Brandweercultuur en leren van incidenten’ toegelicht, dat zij samen met Margo Karemaker uitvoert. Doelstelling van het onderzoek is inzichtelijk maken op welke wijze de brandweercultuur het (mono) nabespreken van incidenten door brandweermensen stimuleert dan wel belemmert. Naar aanleiding van de presentatie hebben enkele CoP-deelnemers hun eigen ervaringen rondom nabespreken ingebracht. Het onderzoek bouwt voort op het Belevingsonderzoek repressief brandweerpersoneel 2021, waarin 67% aangeeft zich veilig te voelen. Vrijwilligers ervaren meer veiligheid dan beroeps, manschappen meer dan officieren. De ervaren veiligheid daalt flink na 5 jaar in dienst te zijn. In het huidige onderzoek wordt in groepsgesprekken uitgevraagd wat aan deze verschillen ten grondslag ligt en worden de brandweercultuur- en gedragsveranderingsaspecten verder uitgediept.

Omdat experimenten veel tijd kosten, is het waardevol om simulaties uit te voeren. NIPV-onderzoeker Pim van Rede heeft de simulaties toegelicht die voor de experimenten rookgaskoeling zijn uitgevoerd. Hij heeft uitgelegd in hoeverre deze accuraat de experimentresultaten voorspellen. De eerste resultaten van de simulaties zijn positief. Mogelijk kan CFD als tool bij het voorbereiden van experimenten als standaard opgenomen worden.

Projectleider van de experimenten rookgaskoeling Rijk van den Dikkenberg heeft een presentatie gegeven over de opzet en condities van de experimenten en het veiligheidsprotocol. Daarna heeft hij de bevindingen van de pretest gedeeld. In een workshop op het FSS-congres worden de eerste resultaten van de experimenten rookgaskoeling gedeeld. Op 24 juni worden tijdens de volgende CoP Brand-bijeenkomst de resultaten bediscussieerd.

De bijeenkomst sloot af met de oproep wie een aanzet wil doen voor het beschrijven van de afwijkingen van de standaard en daarbij behorende handelingsperspectieven. Verder is door de CoP-deelnemers de behoefte geuit om de specialismen brand op de agenda te zetten.

10 februari 2025: Startbijeenkomst

Op 10 februari is de vroegere studiegroep Brand doorgestart in de vorm van de nieuwe Community of Practice Brand (CoP Brand). Met 26 deelnemers, die 14 veiligheidsregio’s vertegenwoordigden, was de bijeenkomst goed bezocht.

In de bijeenkomst is allereerst aandacht besteed aan de doelstellingen van de CoP. Daarna is een presentatie gegeven over de experimenten rookgaskoeling, die van 28 april t/m 2 mei 2025 plaatsvinden op Troned. Na een terugblik op de opzet en uitkomsten van de eerdere experimenten in 2019, is de conceptopzet van de rookgaskoelingsexperimenten in 2025 toegelicht en was er de gelegenheid om deze te bediscussiëren. De waardevolle reacties van de CoP-deelnemers zijn meegenomen in het definitieve onderzoeksplan.

Daarna is aan de orde gekomen welke onderwerpen de CoP verder graag wil bespreken. De volgende onderwerpen werden genoemd:

  • Basisprincipes plus
    Denk hierbij aan het opstellen van standaardafwijkingen voor een paar veel voorkomende gebouwbranden, zoals woongebouwen, hoge gebouwen en grote compartimenten. En aan het aanscherpen van de verkenningsvragen met rookverspreiding.
  • Rookverspreiding en ventilatietechnieken
  • Handelingsperspectieven voor nieuwe ontwikkelingen in de bouw, o.a. naar aanleiding van het rapport ‘Brandveiligheid van verduurzaamde en snel gerealiseerde woningen. De rode draad uit branden in de gebouwschil’.

Heeft u een vraag over dit onderwerp?

Neem contact met ons op via dit formulier. Uw gegevens worden alleen gebruikt voor correspondentiedoeleinden.

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.