Onderzoek naar toekomstige bluscapaciteit voor incidentbestrijdingsvaartuigenin Rotterdamse haven
22 april 2026
De energietransitie in de Rotterdamse haven brengt nieuwe risico’s met zich mee voor de veiligheid van het havengebied. In dat kader is het NIPV gevraagd om te onderzoeken over welke blus- en koelcapaciteit de toekomstige incidentbestrijdingsvaartuigen (IBV’s) in de Rotterdamse haven moeten kunnen beschikken wanneer er water gerelateerde incidenten plaatsvinden. Uit het rapport blijkt dat de eisen aan de huidige blus- en koelcapaciteiten van de IBV’s volstaan voor de toekomst. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Havenbedrijf Rotterdam en de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.

De aanleiding voor dit onderzoek is het programma ‘vlootvernieuwing’, waarmee Havenbedrijf Rotterdam de komende twaalf jaar haar vaartuigen wil vervangen. Tegelijkertijd verandert het risicoprofiel in de haven sterk door verduurzaming en de introductie van nieuwe energiedragers, zoals ammoniak, lithium-ion batterijen en vloeibare organische waterstofdragers (LOHC), alsook de grootschalige aanvoer van LNG en (vloeibaar) waterstof. Dit vraagt om een vloot die is afgestemd op nieuwe incidentscenario’s.
Onderzoeksvraag
Het NIPV onderzocht welke blus- en koelcapaciteit nodig is om met IBV’s effectief op te kunnen treden bij toekomstige scenario’s die samenhangen met de energietransitie in de haven van Rotterdam en water gerelateerde incidenten.
Belangrijkste bevindingen
In het onderzoek zijn 24 energietransitie-gerelateerde scenario’s op het water beschouwd. Daarbij zijn de effecten van deze scenario’s in kaart gebracht. Vervolgens is per scenario gekeken of de IBV binnen de vastgestelde opkomsttijd aanwezig kon zijn en of de IBV’s een primaire blussende of koelende actie konden uitvoeren. Bij een primaire blussende of koelende actie is sprake van directe blussing en of koeling, bijvoorbeeld het opbrengen van een schuimdeken bij het blussen van een plasbrand.
Het onderzoek identificeerde vier ‘nieuwe’ energietransitie-gerelateerde, scenario’s waarbij IBV’s een rol kunnen spelen in de primaire incidentbestrijding:
- Twee met lithium-ion batterijen
- Twee met LOHC (Liquid Organic Hydrogen Carriers)
Voor drie van deze scenario’s zijn de eisen aan de huidige bluscapaciteit van de IBV’s voldoende. Alleen bij een groot LOHC-incident op het water, zoals een botsing met een plasbrand als gevolg, zou een grotere hoeveelheid alcoholbestendig schuimvormend middel nodig zijn dan dat nu aanwezig is op een IBV: minimaal zo’n 286.000 liter voor dit scenario. De beperkte tijd om deze hoeveelheid schuim op te brengen, in combinatie met de complexe omstandigheden om het aan te brengen (plasbrand op het water), maken dat dit geen realistische eis is voor de nieuwe IBV’s.
Ook heeft het NIPV inzichtelijk gemaakt tot op welke afstand van de brand de hulpdiensten hinder kunnen ondervinden van stralingshitte van de vlammen. Dit geeft daarmee inzicht in veilige benaderingsafstanden en de benodigde worplengte van blusstralen. Daarnaast bleek dat veel van de beschouwde (water-)scenario’s secundaire effecten op land kunnen hebben en verschaffen daardoor waardevolle informatie voor de hulpverlening ‘aan wal’.
Conclusie
Het NIPV concludeert dat de aanwezigheid van de ‘duurzame’ gevaarlijke stoffen in de Rotterdamse haven weliswaar nieuwe risico’s met zich meebrengen, maar dat deze risico’s niet van invloed zijn op de bestaande eisen aan blus- en koelcapaciteit van de IBV’s. Ofwel de eisen aan de huidige blus- en koelcapaciteit van de IBV’s volstaan voor de toekomstige incidentscenario’s als gevolg van de energietransitie in de Rotterdamse haven. Hiermee kan de Divisie Havenmeester onderbouwd verder met de realisatie van het programma ‘vlootvernieuwing’ ter vervanging van haar huidige vaartuigen.
Lees het rapport
Het rapport ‘Onderzoek naar de impact van energietransitie-gerelateerde scenario’s op de blus- en koelkapaciteit’ lees je hieronder.
